Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2043

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
C/15/244966 / FA RK 16-3778
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding; verzoek eenhoofdig gezag toegewezen ivm ernstige beperkingen vrouw; verbreking lotsverbondenheid als gevolg van poging tot zelfdoding niet aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

KK

zaaknummer / rekestnummer: C/15/244966 / FA RK 16-3778

Beschikking van 15 maart 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E. van Meeteren, gevestigd te Schagen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.H. van Lingen-Schuur, gevestigd te Heiloo,

bewindvoerder [bewindvoerder] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 13 juni 2016;

- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 8 september 2016;

- het verweerschrift op zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 13 oktober 2016;

- het bericht van 3 februari 2017, met producties, van de man;

- het bericht van 3 februari 2017, met producties, van de vrouw.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 februari 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Van Meeteren en de vrouw, bijgestaan door mr. Van Lingen-Schuur.

1.3.

De hierna minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. De rechtbank heeft op 20 januari 2017 een brief van haar ontvangen.

1.4.

Na de mondelinge behandeling ter zitting heeft mr. Van Lingen-Schuur op verzoek van de rechtbank een bericht van de bewindvoerder d.d. 16 februari 2017 ingebracht.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij vonnis van 16 november 2016 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de vrouw onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand.

Bij vonnis van eveneens 16 november 2016 is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de vrouw.

2.4.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Partijen hebben voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zodat de rechtbank partijen zal ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

2.3.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.4.

Nu er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is, zal het verzoek van de vrouw om te bepalen dat dit plan onderdeel uitmaakt van de beschikking worden afgewezen.

2.4.

Gezag

2.4.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na echtscheiding alleen aan hem toekomt. Hij meent dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarigen kan nemen. Dit als gevolg van haar niet aangeboren hersenletsel en de stoornissen waarmee zij te kampen heeft. De man meent dat het belang van de kinderen met zich brengt dat belangrijke beslissingen over de kinderen met enige voortvarendheid genomen kunnen worden.

2.4.2.

De vrouw heeft daartegen als verweer gevoerd dat, hoewel zij niet meer in staat is beslissingen te nemen zoals zij dat voorheen deed, zij in staat is om over belangrijke beslissingen mee te denken. Zij gaat nog altijd vooruit in haar revalidatieproces en er is geen reden om haar niet te betrekken in de uitoefening van het gezag en haar stem te horen. Het gezag kan immers op verschillende manieren worden ingevuld, bijvoorbeeld in een vorm van uitgekleed gezag. De vrouw heeft subsidiair aangevoerd om de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen, zodat onderzocht kan worden wat in het belang van de kinderen kan worden geacht.

2.4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is het behoud van het gezamenlijk gezag van de ouders na echtscheiding. Op grond van artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter bepalen dat na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of één van hen het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.4.4.

De rechtbank stelt voorop dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Dit houdt onder meer in dat de ouders de bevoegdheid hebben om belangrijke beslissingen te nemen in het leven van de kinderen, zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken, vrije tijdsbesteding etc. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen door de ouders gezamenlijk genomen.

2.4.5.

In dit geval staat vast dat de vrouw als gevolg van een tragische gebeurtenis niet aangeboren hersenletsel heeft opgelopen. Zij is daardoor ernstig beperkt in haar functioneren en verblijft in een instelling waarbij zij 24 uur per dag zorg tot haar beschikking heeft. Vanwege haar beperkingen is de vrouw onder bewind gesteld en is mentorschap uitgesproken. Door haar beperkingen is de vrouw niet in staat de regie over haar eigen leven te nemen. De verwachting is niet dat hierin in belangrijke mate nog verbetering zal optreden. In deze situatie is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van de kinderen is dat de ouders gezamenlijk met het gezag blijven belast en dat het noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Gezamenlijk gezag vereist immers niet alleen dat de vader en de moeder in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarigen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, maar ook dat beide ouders kunnen overzien welke beslissingen genomen moeten worden en zich daarover ook een oordeel kunnen vormen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ernstige beperkingen van de vrouw en bijkomend het feit dat zij zich nu en in de toekomst niet met de dagelijkse opvoeding en verzorging van de kinderen kan bezig houden, bij de vrouw niet langer het geval. Gezamenlijk gezag vereist een zekere mate van gelijkwaardigheid tussen ouders als gesprekspartners en door de beperkingen van de vrouw is hiervan geen sprake meer, hetgeen vanzelfsprekend zeer te betreuren valt. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat het gezamenlijk gezag in de vorm van “uitgekleed gezag” kan plaatsvinden en dat het voor haar belangrijk is dat zij contact heeft met haar kinderen. Hoewel de rechtbank het van belang acht dat de vrouw betrokken blijft bij de kinderen, acht de rechtbank een vorm van uitgekleed gezag, zoals door de vrouw verzocht, niet in het belang van de kinderen. Uitgekleed gezag is een in de rechtspraak ontwikkelde variant op gezamenlijk gezag, inhoudende dat het gezamenlijk gezag wordt gehandhaafd maar daaraan voorwaarden/beperkingen worden verbonden via een rechterlijke beslissing. De rechtbank is van oordeel dat deze variant hier niet aan de orde is omdat de beperkingen van de vrouw ertoe hebben geleid dat de daarvoor vereiste gelijkwaardigheid tussen ouders ontbreekt. Bovendien bestaat het risico dat de verhoudingen tussen partijen op scherp komen te staan en dat de man overvraagd wordt, doordat hij voor elke beslissing die genomen moet worden de vrouw om toestemming dient te vragen, terwijl de beslissingen noodgedwongen en feitelijk door de man alleen genomen worden. Dit klemt te meer nu de kinderen de nodige problemen en hulpverlening hebben en in dat kader ook met enige voortvarendheid de nodige beslissingen genomen moeten kunnen worden. Verder neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de man de vrouw tot op heden steeds heeft betrokken bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en de vrouw ook informatie over de kinderen heeft verstrekt. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de man dat ook in de toekomst zal blijven doen.

2.4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van de man om hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten zal worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten, nu zij zich voldoende voorgelicht acht.

2.5.

Verblijfplaats

2.5.1.

Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn.

2.5.2.

Nu het verzoek van de man om hem alleen te belasten met het gezag wordt toegewezen, hebben partijen geen belang meer bij het verzoek te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

2.6.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de minderjarigen iedere zondag gedurende een nader te bepalen aantal uren met een nader overeen te komen opbouw, bij de vrouw zullen zijn, desgewenst in samenspraak met de begeleiding van de vrouw.

2.6.2.

De man heeft gevraagd het verzoek van de vrouw af te wijzen en aangevoerd dat [minderjarige] een wekelijkse regeling niet aankan en dat [minderjarige] op dit moment nog meer moeite heeft met het contact met haar moeder. Volgens de man geeft de wens van de vrouw om de minderjarigen ieder week te zien geen blijk van inzicht in de situatie van de minderjarigen.

2.6.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man de vrouw in eerste instantie regelmatig met de kinderen bezocht. Op dit moment is er geen fysiek contact tussen [minderjarige] en de vrouw, omdat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij daar (teveel) moeite mee heeft. [minderjarige] volgt een intensief hulpverleningstraject. [minderjarige] heeft af en toe via WhatsApp contact met haar moeder. Het contact tussen [minderjarige] en de vrouw vindt eenmaal in de veertien dagen op zondag plaats. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is dat ten aanzien van haar een omgangsregeling wordt vastgelegd. [minderjarige] heeft veel last van de gebeurtenis in het verleden en partijen zijn het erover eens dat zij de ruimte moet krijgen om zelf te bepalen wanneer zij haar moeder bezoekt. Wat de omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige] betreft hebben partijen afgesproken dat hij eenmaal in de veertien dagen op zondag vanaf 10.30 uur bij zijn moeder is. De grootouders (moederzijde) halen [minderjarige] om 10.00 uur bij de man op. In beginsel verblijft [minderjarige] een dagdeel bij de vrouw; de eindtijd bepalen partijen in onderling overleg en is afhankelijk van wat de vrouw en [minderjarige] aankunnen. Ter zitting is besproken dat [minderjarige] een keer bij de vrouw gaat logeren. De man heeft aangegeven dat hij daarvoor open staat, mits de vrouw en [minderjarige] dat aankunnen en zij daarbij begeleiding krijgen.

2.7.

Woning

2.7.1.

De man heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden.

2.7.2.

De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd.

2.7.3.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

2.8.

Partnerbijdrage

2.8.1.

De vrouw heeft verzocht een nader te concretiseren door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen.

2.8.2.

De man heeft gevraagd het verzoek van de vrouw af te wijzen. Primair stelt hij zich op het standpunt dat door de suïcide poging van de vrouw op 6 mei 2014 de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Subsidiair heeft de man betoogd dat de vrouw geen behoefte heeft en dat het hem aan draagkracht ontbreekt. De man heeft gesteld dat de vrouw ten onrechte haar PGB buiten beschouwing heeft gelaten en hij gaat ervan uit dat de uitkering van de vrouw zal veranderen zodra zij gescheiden zijn. Voor wat betreft zijn inkomen en lasten (waaronder alle kosten van de minderjarigen en de opvang) verwijst de man naar de overgelegde producties.

2.8.3.

De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van lotsverbondenheid, nu een geslaagd beroep op het ontbreken hiervan zal leiden tot de verstrekkende conclusie dat geen recht op een partnerbijdrage bestaat. De wettelijke onderhoudsverplichting tussen ex-echtgenoten vindt haar rechtsgrond in de lotsverbondenheid die door het huwelijk tot stand is gekomen. Deze lotsverbondenheid, die in de onderhoudsverplichting haar werking behoudt, blijft bestaan ook al wordt de huwelijksband gestaakt. Of de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot inderdaad een onderhoudsbijdrage is verschuldigd, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij gaat het niet alleen om financiële omstandigheden, die de behoefte en draagkracht bepalen, maar ook om de niet-financiële omstandigheden. Wat dat laatste betreft, kan het gaan om – wat wel wordt genoemd – de objectieve omstandigheden, zoals de duur van het huwelijk en de subjectieve omstandigheden, waaronder gedragingen van de alimentatiegerechtigde vallen. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde (met andere woorden, of de lotsverbondenheid die ook na ontbinding van het huwelijk voortduurt als verbroken kan worden beschouwd) als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet gevergd kan worden. Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, past de rechter terughoudendheid toe, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo’n beëindiging.

2.8.4.

De man stelt dat de suïcide poging van de vrouw de lotsverbondenheid tussen de vrouw en de man volledig heeft verbroken, nu het gezinsleven hierdoor abrupt ten einde is gekomen en niet alleen de man maar ook de kinderen een trauma hebben opgelopen waarvoor zij therapie moeten ondergaan. De man meent dat de vrouw verantwoordelijk is voor de negatieve wending die zijn leven en dat van de kinderen heeft genomen. De rechtbank begrijpt de stellingen van de man aldus dat de poging van de vrouw om zichzelf van het leven te beroven en de gevolgen die dat tot op de dag van vandaag heeft als zodanig grievend jegens hem moeten worden aangemerkt, dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door hem niet gevergd kan worden. Ondanks het feit dat evident is dat deze gebeurtenis een enorme impact heeft gehad en nog steeds heeft en ontwrichtend heeft gewerkt, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de vrouw niet kunnen worden aangemerkt als gedragingen die de lotsverbondenheid doen verbreken. Daarvoor ontbreekt het oogmerk van de vrouw om met haar gedraging nadeel aan de man toe te brengen. Trieste constatering is evenwel dat voor beide partijen emotionele schade is ontstaan. Voor zover de man heeft aangevoerd dat sprake is geweest van kwetsende uitlatingen die maken dat de lotsverbondenheid is verbroken, overweegt de rechtbank dat deze uitlatingen, voor zover kwetsend, niet door de vrouw zijn gedaan, maar door oma (moederzijde).

2.8.5.

De man heeft subsidiair betoogd dat de vrouw geen behoefte heeft en meer subsidiair dat het hem aan draagkracht ontbreekt. Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat de vrouw een WIA uitkering ontvangt van € 631,41 netto per maand en dat de eigen bijdrage van het CAK zal worden verlaagd van € 638,25 per maand naar € 89,00 per maand. Gelet op haar eigen inkomsten is de vrouw volgens de man in staat in eigen behoefte te voorzien.

2.8.6.

De rechtbank stelt vast de vrouw haar verzoek om een partnerbijdrage niet heeft geconcretiseerd in een maandelijks bedrag en tevens onvoldoende heeft onderbouwd. Gesteld noch gebleken is wat de behoefte van de vrouw is en hoeveel draagkracht de man heeft dan wel geacht wordt te hebben, terwijl dit op de weg van de vrouw had gelegen. Wat de behoefte betreft heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat uit het door haar overgelegde overzicht van maandelijkse betalingen blijkt zij maandelijks een bedrag van € 771,31 tekort komt. De vrouw heeft de uitgaven op deze lijst echter niet onderbouwd met stukken en daarnaast heeft de man aangegeven dat hem bij navraag is duidelijk geworden dat de eigen bijdrage van het CAK zal worden verlaagd, terwijl de vrouw slechts weinig kosten heeft doordat zij in een instelling woont. Voorts is onduidelijk gebleven of de vrouw in aanmerking komt voor bijzondere bijstand en/of zorgtoeslag. Aldus kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een (aanvullende) behoefte. Over de draagkracht van de man heeft de vrouw zich in het geheel niet uitgelaten, ondanks het feit dat de man daartoe financiële stukken in het geding heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen partnerbijdrage vastgesteld kan worden, zodat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om alsnog stukken in het geding te brengen, zoals door de vrouw ter zitting verzocht, nu de vrouw geen bijzondere redenen heeft aangegeven waarom het verzoek niet is geconcretiseerd en de stukken niet tijdig aangeleverd hadden kunnen worden.

2.9.

Verdeling

2.9.1.

De man heeft verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen overeenkomstig een nog in te dienen voorstel. Subsidiair heeft hij de rechtbank gevraagd partijen te bevelen tot verdeling over te gaan ten overstaan van een notaris en onzijdige personen.

2.9.2.

De vrouw heeft gesteld dat de man een voorstel tot verdeling zal moeten doen, aangezien zij niet in staat is om op dat punt openheid van zaken te geven. Zij wenst tot verrekening van het PGB over te gaan.

2.9.3.

De rechtbank stelt vast dat door partijen geen voorstel tot verdeling in het geding is gebracht en dat stukken ter zake de verdeling grotendeels ontbreken. Dit terwijl vanuit de rechtbank een brief aan partijen is verzonden, waarin is verzocht om de webformulieren verdelen en verrekenen in het geding te brengen en gewezen is op de betreffende artikelen in het Procesreglement Scheiding. Ter zitting hebben partijen verzocht om de verdeling af te splitsen en op een later moment af te doen. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu niet duidelijk is of er een geschil met betrekking tot de verdeling is en partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij, voor zover er een geschil ligt, zullen proberen hier samen uit te komen. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de man, partijen te bevelen over te gaan tot verdeling met benoeming van een notaris en onzijdige personen, toewijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

bepaalt dat het gezag over de minderjarigen [minderjarige] , geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats] en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te

[geboorteplaats] alleen toekomt aan de man;

3.3.

stelt als omgangsregeling vast dat de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw zal zijn: eenmaal in de veertien dagen op zondag vanaf 10.30 uur, waarbij [minderjarige] om 10.00 uur door de grootouders (moederzijde) bij de man wordt opgehaald. In beginsel verblijft [minderjarige] een dagdeel bij de vrouw; de eindtijd bepalen partijen in onderling overleg en is afhankelijk van wat de vrouw en [minderjarige] aankunnen;

3.4.

bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.5.

beveelt partijen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris. Voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding over de keuze van een notaris niet eens zijn, benoemt de rechtbank [notaris] , notaris te [plaats] , of diens waarnemer of opvolger. Wanneer de vrouw niet meewerkt aan de verdeling zal [vertegenwoordiger] , advocaat te [plaats] , als haar vertegenwoordiger optreden. Wanneer de man niet meewerkt aan de verdeling zal [vertegenwoordiger] , advocaat te [plaats] , als zijn vertegenwoordiger optreden;

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Krijgsheld op 15 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..