Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2008

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 162
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:1746, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De informatiebeschikking kan niet in stand blijven. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eisers administratie dient te worden verworpen. Verweerder heeft de stukken niet overgelegd. De rechtbank was niet in staat om te beoordelen of eisers administratie gebreken vertoont die dermate ernstig zijn dat hierdoor de boekhouding dient te worden verworpen.

Op het verzoek om kostenvergoeding ingevolge artikel 52, zevende lid, van de AWR dient door verweerder te worden beslist.”

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/655
FutD 2017-0730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/162, HAA 15/163 en HAA 15/164

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2017 in de zaken tussen

mr. [X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. L.E. Janszen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking met dagtekening 26 maart 2014 ten name van eiser een informatiebeschikking in de zin van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vastgesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 17 november 2014 de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Janszen (kantoorgenoot van mr. L.E. Janszen). Namens verweerder zijn verschenen F.H.M. van Hooff, mr. C.M.C. Koopman en R. van Aanholt.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid van een compromis te beproeven.

Partijen zijn er niet in geslaagd een compromis te bereiken.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Na verwijzing van de zaken naar de meervoudige kamer is het onderzoek ter zitting hervat op 27 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Janszen. Namens verweerder zijn verschenen F.H.M. van Hooff, mr. C.M.C. Koopman en
S. Huizenga. Ter zitting heeft eiser de wraking van de rechters verzocht. Hierop is het onderzoek ter zitting geschorst.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van 8 april 2016. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Eiser heeft op 27 oktober 2016 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door
mr. N.R. Janszen. Namens verweerder zijn verschenen F.H.M. van Hooff en
mr. C.M.C. Koopman.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft een advocatenkantoor in [Z] .

2. Verweerder heeft aan eiser aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd voor de jaren 2008 en 2009. De aanslagen zijn overeenkomstig de door eiser ingediende aangiften vastgesteld.

3. Eiser heeft aangifte ib/pvv gedaan over het jaar 2010. Naar aanleiding van deze aangifte heeft verweerder eiser verschillende malen om informatie gevraagd. De vragen hadden betrekking op de werkzaamheden van eiser en de daarmee verband houdende opbrengsten en kosten alsmede op geclaimde uitgaven voor rijksmonumentenpanden. Eiser heeft op de verzoeken om informatie gereageerd.

4. Op 11 oktober 2013 heeft verweerder zowel schriftelijk als telefonisch een boekenonderzoek aan eiser aangekondigd met als doel de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften ib/pvv voor de jaren 2008 tot en met 2010 en de aangiften omzetbelasting over de periode 2008 tot en met 2010.

5. Op 1 november 2013 is verweerder met het boekenonderzoek gestart.

6. Bij e-mailbericht van 6 november 2013 heeft verweerder eiser geïnformeerd over onder meer de verkrijgbaarheid van boekhoudprogramma’s voor het voeren van de administratie. Daarbij heeft verweerder ook enkele tips gegeven met betrekking tot het boeken van kosten indien met een Excel spreadsheet zou worden gewerkt.

7. Bij brief van 6 december 2013 heeft verweerder eiser bericht dat ter behoud van rechten een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2008 is opgelegd.

8. Bij brief van 20 februari 2014 heeft verweerder eiser verzocht de administratie op een zodanige wijze aan te leveren dat deze eenvoudig te controleren is. Eiser is tot 20 maart 2014 in de gelegenheid gesteld hieraan te voldoen. Hierbij is erop gewezen dat een informatiebeschikking zal worden afgegeven indien eiser niet aan het verzoek voldoet.

9. Met dagtekening 26 maart 2014 heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. In de informatiebeschikking is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“In het kader van het boekenonderzoek bij u betreffende de aangiften:

- inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2010;

- omzetbelasting over de periode 2008 tot en met 2010.

is gebleken dat u zich op onderdelen niet heeft gehouden aan de administratieplicht. De bepalingen op dit gebied vindt u terug in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Deze bepalingen bevatten kwaliteitseisen welke aan een administratie gesteld worden ten behoeve van de belastingheffing.

Ik ben van mening dat uw administratie niet de wettelijke normen voldoet:

Administratieplicht

Uw administratie voldoet (op onderdelen) niet aan het eerste lid van artikel 52 van de AWR. (…) Bij een geobjectiveerde benadering kom ik tot het oordeel dat uw administratie op belangrijke onderdelen niet aan de wettelijke norm voldoet. En wel op de volgende onderdelen en/of om de volgende redenen:

De administratie is opgemaakt in een Word document. Dit document is geprint. Het originele Word document is na het printen van de computer verwijderd.

Op het geprinte Word document worden enkel de bedragen van de gemaakte kosten Inclusief btw, btw en exclusief btw vermeld.

Datum, naam leverancier, omschrijving kostenpost ontbreken.

De nota’s zijn per maand gerangschikt. Op de nota’s worden enkel de betalingsdata vermeld maar deze data staat niet vermeld op het word document.

De nota’s zijn niet op eenvoudige wijze terug te vinden omdat:

- de nota’s niet genummerd zijn;

- op de nota staat niet vermeld onder welke kostenpost deze geboekt is;

- er nota’s van privé- uitgaven tussen de zakelijk nota’s zitten (op deze nota’s staat geen aantekening dat het privé- uitgaven betreffen en zijn niet als zodanig geboekt).

Bewaarplicht

U heeft (onderdelen van) uw administratie niet gedurende de wettelijke termijn bewaard. U voldoet daardoor (op onderdelen) niet aan het vierde lid van artikel 52 van de AWR. (…) De volgende onderdelen van uw administratie zijn weggegooid en/of vernietigd, dan wel ontbreken:

De onderliggende stukken zijn niet geordend maar bestaan uit een stapel aan elkaar geniete bonnen. Belastingplichtige is op 6 november 2013 verzocht binnen een redelijke termijn een controleerbare administratie aan te bieden. Hier is geen gehoor aangegeven. Derhalve is op 20-02-2014 een rappel verstuurd. Ook hierop is niet gereageerd

Ik stel dan ook vast dat u niet of niet geheel aan uw administratieve verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van de AWR heeft voldaan. Ik geef u hiervoor dan ook een informatiebeschikking. (…)

Als u niet of niet tijdig bezwaar maakt tegen deze beschikking, wordt deze informatiebeschikking onherroepelijk. Dat brengt dan met zich mee dat u in een nadelige bewijspositie terechtkomt in de bezwaarfase tegen de belastingaanslagen waarop de informatieverzoeken zien. U dient dan namelijk te bewijzen dat die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast.”

10. Naar aanleiding van de informatiebeschikking heeft eiser verweerder bij brief van 6 mei 2014, voor zover thans van belang, als volgt geïnformeerd:

“Hierdoor verzoek ik primair om een extra termijn voor het indienen van de nieuwe boekhouding, zoals door u verzocht.

Subsidiair, voorzover nodig, maak ik hierdoor bezwaar tegen uw bijgaande informatiebeschikking van 26 maart j.l.

De gronden van het primaire verzoek zijn, dat op 19 maart j.l. de nieuwe boekhouding over 2008 in excel-bestand naar u is toegezonden, maar daarop heeft u nog niet gereageerd resp. u heeft nog niet uw akkoord daarover uitgesproken, zoals was afgesproken. Desondanks zijn wij thans bezig met de nieuwe boekhouding over 2009. Zoals u weet kost deze nieuwe boekhouding erg veel tijd. Gaarne verneem ik van u of deze nieuwe boekhouding kan worden voortgezet en ik verzoek u om een extra termijn voor die nieuwe boekhouding over 2009 en 2010.

Het subsidiaire bezwaar is gebaseerd op het bovenstaande, alsmede dat de informatiebeschikking in strijd is met het verzoek om informatie te verstrekken en met de feiten. Immers, de nieuwe excel-boekhouding was al bij in ingediend maar alleen de (oude) word-boekhouding wordt door u vermeld en van een ontbrekende boekhouding binnen de termijn van 7 jaar is nooit sprake geweest. (…)

Bovendien is de (oude) word-boekhouding in de afgelopen 30 jaar een aantal keren door uw belastingdienst goedgekeurd, o.a. tijdens twee eerdere boekcontroles. Ergo, tijdens de eerste boekcontrole in de jaren negentig heeft u die boekhouding zelf voorgesteld als vervanger van mijn toenmalige grootboek. Derhalve dient die word-boekhouding als juist te worden beoordeeld.

Uw verzoek van dit jaar om die word-boekhouding om te zetten in een excel-boekhouding heb ik slechts uit coulance opgevolgd, maar dit kost mij wel heel veel tijd naast mijn gewone werkzaamheden. Uiteraard kan deze coulance niet worden beschouwd als een erkenning van een ondeugdelijke boekhouding.

Derhalve verzoek ik u uw beschikking te vernietigen, met vergoeding van mijn kosten.”

11. Bij e-mailbericht van 14 mei 2014 heeft eiser verweerder vier Excel-bestanden met gegevens betreffende het jaar 2008 doen toekomen.

12. Bij brief van 23 juni 2014 heeft verweerder eiser, voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Op 23 juni heb ik u telefonisch gesproken met betrekking tot het indienen van uw administratie over de jaren 2009 en 2010.

Ik stel u voor de laatste keer in de gelegenheid om uw administratie (zijnde het excel spreadsheat) over de jaren 2009 en 2010 in te dienen met als uiterste datum 11 augustus 2014. (…)

Tevens bevestig ik de gemaakte afspraak dat ik bij u op vrijdag 29 augustus om 09.00 het boekenonderzoek (…) zal voortzetten.

Ik verzoek u met betrekking tot de onderneming om de volgende stukken op 29 augustus ter inzage klaar te leggen:

(…)

Ik verzoek u met betrekking tot uw privé de volgende stukken op 29 augustus ter inzage klaar te leggen:

(…)”

13. Bij brief van 13 augustus 2014 heeft verweerder eiser geïnformeerd over het voornemen het bezwaarschrift af te wijzen.

14. Op 22 september 2014 heeft een hoorgesprek tussen partijen plaatsgevonden. Verweerder heeft bij brief van 23 september 2014 het hoorverslag aan eiser gestuurd. Eiser heeft bij brief van 9 oktober 2014 schriftelijk op het hoorverslag gereageerd.

15. Op 13 november 2014 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, met als doel om afspraken te maken met betrekking tot de afhandeling van het boekenonderzoek en de afdoening van het bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking. Het is partijen niet gelukt afspraken te maken.

16. Verweerder heeft op 17 november 2014 uitspraak op bezwaar gedaan.

17. Verweerder heeft op 1 september 2016 de aanslag ib/pvv voor het jaar 2010 vastgesteld.

Vooraf

18. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting van 8 november 2016 betoogd dat de meervoudige kamer in haar huidige samenstelling niet bevoegd is op het beroep van eiser te beslissen. In dit verband heeft eiser naar voren gebracht dat de zaken aanvankelijk door een enkelvoudige kamer op een zitting waren behandeld en dat deze kamer de zaken nimmer naar de meervoudige kamer heeft verwezen. De rechtbank overweegt dat de enkelvoudige kamer het onderzoek ter zitting van 7 augustus 2015 heeft geschorst en het vooronderzoek heeft heropend. Nadien heeft verwijzing van de zaken naar de meervoudige kamer plaatsgevonden. De behandeling van eisers beroep op een zitting van de meervoudige kamer is vervolgens aangekondigd middels verzending van de uitnodiging op 1 december 2015. Aangezien het lid van de enkelvoudige kamer inmiddels niet langer werkzaam was bij de rechtbank, is deze geen deel gaan uitmaken van de meervoudige kamer. Na de beslissing op het wrakingsverzoek is eiser ter verdere behandeling van het beroep in eerste instantie per abuis uitgenodigd voor een zitting van een meervoudige kamer in een andere samenstelling. Dit is vervolgens rechtgezet en de zaken zijn dan ook behandeld op de zitting van 8 november 2016 van dezelfde meervoudige kamer als op de zitting van 27 januari 2016. Gelet op het al voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de meervoudige kamer niet bevoegd is.

19. Eiser heeft voorts bepleit dat “verweerder niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om voortzetting van de procedure respectievelijk in zijn verweer”. De rechtbank overweegt dat voor de door eiser bepleite niet-ontvankelijkverklaring geen plaats is in het belastingrecht. De rechtbank is gehouden uitspraak te doen op een bij haar ingesteld beroep, tenzij dat beroep nadien wordt ingetrokken. Daarvan is hier geen sprake. Indien de rechtbank uitspraak doet, dient de uitspraak te strekken tot een van de vier in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vervatte dicta. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat het door verweerder gevoerde verweer geheel buiten beschouwing moet worden gelaten, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Dat zou immers in strijd komen met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor. Dat verweerder volgens eiser eerder gemaakte afspraken niet is nagekomen, hetgeen overigens door verweerder wordt betwist, maakt het voorgaande niet anders.

Geschil en beoordeling van het geschil
20.In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld.

21. Artikel 52a van de AWR luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“1 Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, en, voor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen, aan de verplichtingen ingevolge 53, eerste, tweede en derde lid, kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.

(…)

3 Indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking.”

22. Nu verweerder hangende de onderhavige procedure een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 2008 heeft opgelegd en voorts de aanslag ib/pvv voor het jaar 2010 heeft vastgesteld, is de informatiebeschikking van rechtswege vervallen voor zover zij betrekking heeft op de omzetbelasting over het tijdvak 2008 en op de ib/pvv voor het jaar 2010 (vgl. HR 18 december 2015, nr. 14/04143, ECLI:NL:HR:2015:3602). Dit betekent dat de informatiebeschikking uitsluitend nog ziet op de omzetbelasting over de tijdvakken 2009 en 2010 (in verband met eventueel op te leggen naheffingsaanslagen) en op de ib/pvv over de jaren 2008 en 2009 (in verband met eventueel op te leggen navorderingsaanslagen).

23. Verweerder heeft de informatiebeschikking vastgesteld op basis van vermeende schending van het bepaalde in het eerste en het vierde lid van artikel 52 van de AWR. Ingevolge het eerste lid zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheden op zodanig wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken (hierna ook: administratieplicht). In het vierde lid is bepaald dat administratieplichtigen verplicht zijn de hiervoor bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren (hierna ook: bewaarplicht).

24. Eiser bestrijdt niet dat hij administratieplichtig is. Wel komt hij op tegen de stellingname van verweerder dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende administratie- en bewaarplicht. De rechtbank zal dan ook beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet aan de op hem rustende verplichtingen heeft voldaan.

25. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat eisers administratie gebreken vertoont naar voren gebracht dat over het jaar 2008 132 nota’s ontbreken en over het jaar 2009 89 nota’s of betalingsbewijzen, dat de rechterlijke uitspraak inzake de door eiser genoten uitkering in verband met letselschade ontbreekt en dat de bankafschriften pas in een laat stadium door eiser ter inzage zijn aangeboden, waardoor de controleambtenaar niet in staat was om deze te controleren. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de nota’s niet zijn genoteerd op grootboeknummer en dat de eerder door eiser overgelegde gegevens (in Word) afwijken van de nadien door hem verstrekte gegevens (in Excel). Eiser heeft al hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, met klem weersproken.

26. De rechtbank overweegt dat verweerder in de informatiebeschikking heeft verwezen naar nota’s en bonnen, al dan niet als stapel aan elkaar geniet, maar dat verweerder geen van die stukken in deze procedure heeft overgelegd. De rechtbank is derhalve niet in staat gesteld te beoordelen of eisers administratie in de onderhavige jaren gebreken vertoont die dermate ernstig zijn dat hierdoor de boekhouding als grondslag voor de winstberekening dient te worden verworpen. Gelet op de bewijslastverdeling in deze kan het gevolg hiervan niet voor rekening van eiser komen.

27. Verweerder heeft betoogd dat eiser geen medewerking wilde verlenen ten behoeve van onder meer het maken van kopieën (van delen) van de administratie. Verweerder heeft echter, tegenover de betwisting door eiser, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zulks het geval was. Overigens kan het betoog verweerder niet baten, nu aan de vaststelling van de informatiebeschikking alleen schending van de verplichtingen van artikel 52, eerste en vierde lid, van de AWR ten grondslag is gelegd en niet tevens schending van artikel 47 van de AWR.

28. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers administratie dient te worden verworpen. De informatiebeschikking dient dan ook in haar geheel te vervallen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden meer een oordeel te geven over de vraag of verweerder in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Dit brengt mee dat niet meer wordt toegekomen aan het door eiser gedane bewijsaanbod om diverse personen als getuige te horen.

29. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding. Eiser stelt onder meer schade te hebben geleden, doordat verweerder hem heeft verplicht zijn boekhouding vanaf het jaar 2008 opnieuw in te richten en wel met gebruikmaking van het Excel-programma, hetgeen volgens eiser heeft geleid tot een zeer aanzienlijke tijdsinvestering. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee een verzoek doet om een kostenvergoeding vanwege een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 52, zevende lid, van de AWR. De rechtbank is van oordeel dat het op grond van dat artikellid aan verweerder is om – bij voor bezwaar vatbare beschikking – te beslissen op eisers verzoek om vergoeding van de door hem gemaakte kosten. Aangezien verweerder door de onderhavige procedure bekend is met eisers verzoek en over de onderliggende stukken beschikt, zal de rechtbank deze niet aan verweerder doorsturen, maar volstaan met deze overweging.

30. Eiser heeft voorts verzocht om vergoeding van schade bestaande in omzetverlies. Eiser stelt dat het omzetverlies het gevolg is van het feit dat verweerder de door eiser verstrekte, in Excel opgemaakte financiële administratie zonder eisers toestemming aan de rechtbank heeft verstrekt. Voorts heeft verweerder die administratie, aldus eiser, onrechtmatig verspreid. De rechtbank overweegt dat eiser zijn stellingen niet nader (met stukken) heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn blote stellingen niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de administratie heeft verstrekt aan anderen dan de rechtbank noch dat er sprake is van omzetverlies. Daarmee is niet komen vast te staan dat er sprake is van enig aan verweerder toerekenbaar onrechtmatig handelen waardoor eiser schade heeft geleden. Voor wat betreft de verstrekking van de financiële administratie in het kader van deze procedure aan de rechtbank overweegt de rechtbank dat verweerder in zoverre niet onrechtmatig heeft gehandeld, nu hij op grond van artikel 8:42 van de Awb gehouden is alle op de zaken betrekking hebbende stukken over te leggen.

31. Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Nu de informatiebeschikking niet in stand kan blijven, dient de rechtbank het beroep gegrond te verklaren.

Proceskosten

32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 7 augustus 2015, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 27 januari 2016 en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 8 november 2016, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.485;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. H. de Jong en
mr. M.W. Koenis, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.