Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1897

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/700594-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een periode van ruim anderhalf jaar meerdere keren seksuele handelingen verricht met het broertje van zijn beste vriend. Toepassing minderjarigenstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Strafrecht

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700594-15 (P)

Uitspraakdatum: 7 maart 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 februari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.G.T. Kramer, en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meerdere verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2014 tot en met 18 oktober 2015 te [plaats] , gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte (telkens):

- zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, en/of

- zijn, verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, en/of

- zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht;

Feit 2:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2014 tot en met 18 oktober 2015 te [plaats] , gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes mond genomen en/of de penis van die [slachtoffer] gelikt, en/of

- zijn, verdachtes penis tegen de anus en/of de billen van die [slachtoffer] gedrukt en/of gehouden, en/of

- de penis van die [slachtoffer] betast en/of zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [slachtoffer] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 (behoudens het onder het eerste gedachtestreepje vermelde) en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het

eerste gedachtestreepje aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje is evenmin aan het bewijsminimum voldaan, nu de bekennende verklaring van verdachte het enige bewijsmiddel is voor dit feit. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het derde gedachtestreepje betoogd dat het enkel geven van een tongzoen volgens vaste jurisprudentie niet kan worden aangemerkt als het seksueel binnendringen van het lichaam in de zin van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1, eerste gedachtestreepje

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad, kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, niet uitsluitend door de rechter worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. De rechter kan dus niet tot een bewezenverklaring komen ingeval de door één getuige weergegeven feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing.1

Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, die bevestiging onvoldoende ter zake van de verklaring van [slachtoffer] dat sprake is geweest van anale penetratie. De huisarts van [slachtoffer] heeft anaal kleine kloofjes geconstateerd, maar niet is komen vast te staan dat dit verband houdt met anale penetratie. De verklaring van [slachtoffer] bevat herinneringen, onder meer waar het gaat om de periode waarin en de omstandigheden waaronder dit misbruik zou zijn begonnen, die deels in strijd zijn met overige bewijsmiddelen. In deze context levert de verklaring van deze tienjarige getuige op dit puntonvoldoende bewijs op.
Gezien het voorgaande acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte dit onderdeel van ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Redengevende feiten en omstandigheden 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 (tweede gedachtestreepje) en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is geboren op [geboortedatum 2] en was op 17 oktober 2015 tien jaar oud.3

In de avond van 17 oktober 2015 bevindt [getuige] (hierna: [getuige] ) zich in zijn ouderlijk huis aan de [adres 2] te [plaats] . Op enig moment loopt hij de slaapkamer van zijn broertje [slachtoffer] binnen.4 Vanuit de deuropening van de slaapkamer ziet [getuige] dat zijn vriend [verdachte] (hierna: [verdachte] ) bovenop [slachtoffer] ligt en op [slachtoffer] heen en weer beweegt, neukbewegingen maakt. De broek en onderbroek van [slachtoffer] zitten ter hoogte van zijn enkels en [verdachte] heeft de bovenkant van zijn broek en zijn gulp open. [getuige] staat ongeveer tien seconden te kijken en zegt dan: “Ga je lekker [verdachte] ?”. [verdachte] doet zijn broek en gulp dicht en [slachtoffer] trekt zijn broek en onderbroek aan. Een paar uur later vertelt [getuige] aan zijn ouders wat hij gezien heeft.5 De dag erna vraagt de moeder van [slachtoffer] aan [slachtoffer] of er hiervoor al iets gebeurd is. [slachtoffer] bevestigt dat. Op 20 oktober 2015 doet de moeder van [slachtoffer] namens [slachtoffer] aangifte van seksueel misbruik.6

[verdachte] verklaart dat hij sinds het begin van de zomervakantie in 2014 meerdere keren seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht.7 Er is in totaal zes keer iets tussen hen voorgevallen.8 [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat alle voorvallen plaatsvonden in [plaats] .9 De handelingen bleven de eerste keer beperkt tot zoenen. De tweede keer heeft [verdachte] zijn penis in de mond van [slachtoffer] gebracht. Tevens hebben [verdachte] en [slachtoffer] toen elkaars penis betast.10 Bij de derde keer hebben [verdachte] en [slachtoffer] opnieuw elkaars penis betast.11 Daarna heeft [verdachte] geprobeerd zijn penis in de anus van [slachtoffer] te brengen. Daartoe heeft hij zijn penis dichtbij de anus van [slachtoffer] gebracht. Toen [slachtoffer] aangaf dat hij dit niet wilde, heeft [verdachte] zijn penis tegen de anus van [slachtoffer] gehouden en zijn penis en onderlichaam bewogen. Voorts heeft [verdachte] [slachtoffer] oraal bevredigd.12 De vierde keer bestonden de seksuele handelingen daaruit dat [verdachte] en [slachtoffer] elkaars penis hebben betast en dat [verdachte] [slachtoffer] oraal heeft bevredigd.13 Op een ander moment, toen [verdachte] en [slachtoffer] zich in het toilet van het ouderlijk huis van [slachtoffer] bevonden, heeft [verdachte] [slachtoffer] oraal bevredigd en heeft [verdachte] opnieuw zijn penis tegen de anus van [slachtoffer] bewogen. [verdachte] zijn geslachtsdeel zat ergens in de buurt bij [slachtoffer] zijn billen.14 De vijfde en laatste keer, was de keer dat [getuige] hen betrapte. [verdachte] verklaart hierover dat het deze keer begon met elkaars geslachtsdeel betasten.15 Daarna heeft hij, terwijl [slachtoffer] onder hem op bed lag, weer zijn penis tegen de anus van [slachtoffer] gehouden.16 Daarbij heeft hij met zijn onderlichaam heen en weer bewogen.17

[slachtoffer] verklaart bij het studioverhoor eveneens over meerdere incidenten. [slachtoffer] bevestigt dat [verdachte] meerdere keren zijn penis heeft gelikt en hieraan heeft gezogen. Ook verklaart hij dat hij de penis van [verdachte] moest betasten. Voorts geeft [slachtoffer] aan dat hij door de handelingen van [verdachte] pijn aan zijn anus heeft ondervonden. Op de vraag hoe hij de pijn kan omschrijven, antwoordt [slachtoffer] dat het prikte en dat hij heel veel druk voelde.18

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van het onder feit 1, tweede gedachtestreepje, tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat hij zowel zijn penis als zijn tong in de mond van [slachtoffer] heeft gebracht en deze verklaring vindt ondersteuning in de verklaring van [slachtoffer] dat er meerdere ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Het feit dat het jeugdige slachtoffer heeft verklaard dat hij de penis van [verdachte] niet heeft gelikt, vormt voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan de bekennende verklaring van [verdachte] op dat punt niet te volgen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [slachtoffer] de door verdachte voorgestelde handeling van het likken aan de penis van [verdachte] meermalen uit eigen beweging naar voren heeft gebracht tijdens het verhoor, waarbij hij heeft aangegeven dat hij het likken aan de penis vies vond.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 (het onder het tweede gedachtestreepje vermelde) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij in de periode van 28 juni 2014 tot en met 18 oktober 2015 te [plaats] , gemeente Koggenland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte zijn, verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht.

Feit 2:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 28 juni 2014 tot en met 18 oktober 2015 te [plaats] , gemeente Koggenland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes mond genomen en de penis van die [slachtoffer] gelikt, en

- zijn, verdachtes penis tegen de anus en de billen van die [slachtoffer] gedrukt en gehouden, en

- de penis van die [slachtoffer] betast en zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [slachtoffer] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen, meermalen gepleegd

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. De bewezen verklaarde feiten zijn derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is een psychologisch rapport opgemaakt.

Het psychologisch rapport gedateerd 17 mei 2016, opgemaakt door P.C. Dalebout, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in dat bij betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling. Deze gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes, c.q. gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Voorafgaand aan de periode waarin de feiten plaatsvonden, is betrokkene toenemend bewust geworden van de ontwikkelingen die op relationeel en seksueel gebied plaatsvonden bij zijn leeftijdgenoten en die bij hem uitbleven. Vanuit onrijp egocentrisme was betrokkene in onvoldoende mate in staat zich in de persoon van [slachtoffer] te verplaatsen, terwijl zijn nog kinderlijk, met name extern gestuurde geweten hem niet remde in zijn gedrag. Door het experimenteren op seksueel gebied met [slachtoffer] , werd zijn onvervulde behoefte aan seksuele bevrediging aangewakkerd en kregen zijn handelingen in de loop der tijd op seksueel gebied een steeds intrusiever karakter, zonder dat hij zich realiseerde wat de (mogelijke) gevolgen waren van zijn handelen voor [slachtoffer] . De psycholoog meent dat er een duidelijk verband is tussen de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en het tenlastegelegde. Het tenlastegelegde is vanuit die gebrekkige ontwikkeling, althans ten dele, te verklaren. De psycholoog adviseert betrokkene voor het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt de conclusie van dit rapport over en maakt die tot de hare. Hieruit volgt dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, met toepassing van het minderjarigenstrafrecht, zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport d.d. 9 augustus 2016. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het door de benadeelde partij verzochte locatieverbod op het standpunt gesteld dat een dergelijk verbod een te forse inbreuk maakt op de rechten van verdachte neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wel heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een contactverbod met [slachtoffer] en zijn familie op te leggen, nu dit voor alle partijen gewenst lijkt.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de eis van de officier van justitie, behoudens het gevorderde contactverbod, te volgen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een contactverbod noodzakelijk noch passend moet worden geacht, nu verdachte en zijn ouders er reeds alles aan doen om contact met [slachtoffer] en zijn familie te vermijden en verdachte verhuisd is naar de randstad. Een contactverbod heeft dan ook geen meerwaarde. Een locatieverbod vormt gezien het feit dat de ouders van verdachte in hetzelfde dorp wonen als [slachtoffer] en zijn familie, bovendien een te grote inbreuk op de persoonlijke belangen van verdachte, aldus de raadsvrouw.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van ruim anderhalf jaar meerdere keren seksuele handelingen verricht met het broertje van zijn beste vriend. Het seksueel misbruik is begonnen toen [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was. Het misbruik heeft met name plaatsgevonden in de slaapkamer van [slachtoffer] . Derhalve op een plek waar een kind zich bij uitstek veilig hoort te kunnen voelen. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Hij heeft zijn eigen lustgevoelens en behoeftebevrediging zwaarder laten wegen dan de persoonlijke belangen van het jonge slachtoffer. Hierdoor heeft hij een normale en gezonde ontwikkeling waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten vaak langdurige en ernstige psychische schade van deze gebeurtenissen ondervinden. Dat de feiten een enorme impact hebben gehad op het leven van [slachtoffer] en zijn naaste familie, is door de vader en de broer van [slachtoffer] onder woorden gebracht toen zij gebruik maakten van hun spreekrecht. Daarnaast schokt dit soort feiten de rechtsorde in ernstige mate, hetgeen is gebleken uit de grote publieke belangstelling voor de zaak.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 januari 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

- het psychologisch rapport gedateerd 17 mei 2016, opgemaakt door P.C. Dalebout, waarvan de korte inhoud hiervoor reeds in de rubriek ‘strafbaarheid van verdachte’ is weergegeven.
Verdachte wordt gezien de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling, verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De psycholoog meent dat, mede op grond van de behandelresultaten tot op heden en de nog beperkte toegankelijkheid van betrokkene, een langer durende behandeling van betrokkene bij de GGZ Noord-Holland Noord noodzakelijk is. Volgens de psycholoog bestaat het risico dat de behandeltrouw van betrokkene op de langere termijn zou kunnen afnemen, zeker wanneer er veranderingen in zijn persoonlijke situatie plaatsvinden die hem de indruk zouden kunnen doen geven dat zijn problemen zijn opgelost. Gezien de grote sociaalmaatschappelijke opgaven die er in het verschiet liggen voor betrokkene, acht de psycholoog het belangrijk dat er langer durend toezicht vanuit de reclassering plaatsvindt, teneinde zicht te houden op de wijze waarop de ontwikkelingen plaatsvinden en daar waar nodig tijdig te kunnen interveniëren.

De psycholoog adviseert behandeling bij de GGZ Noord-Holland Noord, zo lang dat aldaar noodzakelijk geacht wordt, in combinatie met een langer durend toezicht vanuit de reclassering aan betrokkene op te leggen als een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf.
Gezien de onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling adviseert de psychologisch deskundige het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

- het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 9 augustus 2016, opgemaakt door [naam] , als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland. Dit rapport houdt
– zakelijk weergegeven – onder meer in dat betrokkene sinds oktober 2015 in behandeling is bij GGZ Noord-Holland Noord. Betrokkene is gemotiveerd en toont inzet. De behandeling lijkt echter wel enigszins te stagneren, omdat er nog veel onzekerheden en zorgen zijn, onder meer over de uitspraak in de strafzaak. Wanneer er een uitspraak is, kan de behandeling zich gaan richten op zijn toekomst. De reclassering adviseert om aan betrokkene een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Alkmaar, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij het toezicht wordt uitgevoerd door de volwassenenreclassering. Voorts adviseert de reclassering om aan betrokkene een langdurige meldplicht op te leggen aangezien niet wordt verwacht dat de gewenste doelen binnen een termijn van twee jaar behaald zijn. Daarnaast wordt geadviseerd om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat betrokkene de behandelverplichting ambulante behandeling bij Divisie Forensische Poli, afdeling van GGZ Noord-Holland Noord dient af te ronden en zich dient te houden aan aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven. Indien aan betrokkene een gevangenisstraf wordt opgelegd, is de reclassering van mening dat plaatsing in een justitiële jeugdinrichting het meest passend is voor betrokkene gezien de discrepantie tussen de kalenderleeftijd en zijn ontwikkelingsniveau.

Toepassing minderjarigenstrafrecht

Ten aanzien van het toepasselijke recht stelt de rechtbank voorop dat verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van achttien jaren had bereikt. Uit het psychologisch rapport volgt dat de psycholoog heeft geconstateerd dat er bij verdachte in de loop van zijn ontwikkeling een steeds duidelijker discrepantie is ontstaan tussen de kalenderleeftijd en zijn ontwikkelingsniveau. Gezien de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling adviseert de psycholoog om bij verdachte het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

De reclassering heeft zich aangesloten bij de conclusie van de psycholoog omtrent de toepassing van het minderjarigenstrafrecht.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande – zoals de officier van justitie ook heeft gevorderd en de raadsvrouw heeft verzocht – aanleiding om artikel 77c Sr toe te passen, inhoudende dat ten aanzien van verdachte het minderjarigenstrafrecht wordt toegepast.
Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf, nu het sanctieregime voor minderjarigen een ander karakter heeft dan het volwassenenstrafrecht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat de bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop. Juist bij minderjarigen en jongvolwassenen behoort spoedige berechting voorop te staan. De rechtbank heeft oog voor het leed dat het slachtoffer en zijn naaste familie is aangedaan.
Tegelijkertijd heeft het gebeuren grote impact gehad op verdachte en zijn ouders. Na het plaatsvinden van de feiten heeft verdachte zijn ouderlijk huis en het dorp waar hij is opgegroeid, verlaten. Hij gestopt met zijn opleiding en heeft hij zijn baan in zijn woonplaats opgegeven.
De rechtbank is gelet op al het voorgaande – mede in aanmerking genomen dat verdachte reeds gedurende langere tijd behandeling volgt – van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de op drie jaren gestelde proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank een meldplicht bij de reclassering en het voortzetten van de ambulante behandeling bij de GGZ Noord-Holland Noord noodzakelijk. Deze voorwaarden zullen aan de voorwaardelijke straf worden verbonden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid opleggen. De hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, acht de rechtbank een taakstraf van na te noemen aantal uren op zijn plaats.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het door mr. E.M. Diesfeldt namens de benadeelde partij verzochte locatieverbod in de onderhavige zaak een onevenredige inbreuk maakt op de rechten van verdachte, zoals gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM.

Namens de benadeelde partij is voorts verzocht om de oplegging van een contactverbod met de benadeelde partij en zijn gezin. De rechtbank gaat hier niet in mee, nu de rechtbank de overtuiging heeft dat er van de zijde van verdachte geen enkele behoefte bestaat om contact op te nemen of contact te zoeken met de familie [achternaam slachtoffer] en met het slachtoffer. Immers, verdachte heeft er tot op heden, op de wijze zoals hiervoor reeds is aangegeven, alles aan gedaan om contact met de familie [achternaam slachtoffer] te vermijden en is zelfs buiten deze provincie gaan wonen. Namens de benadeelde partij is ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat een locatieverbod zou kunnen zorgen voor rust bij het slachtoffer en zijn gezin. Daargelaten dat de rechtbank van oordeel is dat dit bijkomende voordeel niet de juiste maatstaf is om slechts op die grond de noodzaak van een dergelijk verbod te beoordelen, verwacht de rechtbank dat er bij oplegging van een contactverbod in de praktijk problemen zullen ontstaan, nu uit het dossier naar voren is gekomen dat er een verschil in interpretatie bestaat over wat een contactverbod inhoudt, hetgeen ter terechtzitting is bevestigd door de raadsvrouw van de benadeelde partij die het contactverbod gelijk stelt met een locatieverbod.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] – in rechte vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger – heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25.406,94 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.847,58. De gestelde materiële schade bestaat uit de posten ziektekosten (€ 1.665,-), reiskosten (€ 88,74), diversen: aanschaf nieuwe tobbe (€ 950,-), opknappen kamer [slachtoffer] (€ 1.416,23), opknappen tuinhuis (€ 1.781,76), meubels tuinhuis (€ 938,85) en vakantie (€ 1.712,-), inkomstenderving (€ 4.795,-). De gestelde toekomstige materiële schade is berekend op een bedrag van € 4.559,36 en bestaat uit de posten reiskosten (€ 445,28), parkeerkosten (€ 94,08), gederfde inkomsten (€ 4.020,-). Als immateriële schade is een bedrag aan smartengeld opgevoerd (€ 7.500,-).

De rechtbank zal de vordering hierna per post bespreken.

Materiële schade

Ziektekosten

De rechtbank is van oordeel dat de ziektekosten, voor zover deze betrekking hebben op de persoon van [slachtoffer] , ten behoeve van [slachtoffer] zijn gemaakt en rechtstreeks voortvloeien uit de bewezen verklaarde feiten. Na aftrek van de ziektekosten die zijn gemaakt ten aanzien van [getuige] (€ 95,-), resteert een bedrag van € 1.570,-. Het enkele feit dat door de benadeelde partij niet is aangetoond dat de kosten niet (deels) kunnen worden vergoed door de zorgverzekeraar, zoals aangevoerd door de verdediging, neemt niet weg dat verdachte aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij geleden schade en dat de geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Reiskosten

Naar het oordeel van de rechtbank komen de gevorderde reiskosten, behoudens voor zover deze zijn gemaakt ten behoeve van [getuige] , eveneens voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten ten behoeve van [slachtoffer] zijn gemaakt en de schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal ten aanzien van deze post een bedrag van € 73,66 (254 kilometers x € 0,29) toewijzen.

Diversen

De rechtbank is van oordeel dat de kosten die onder de gezamenlijke noemer ‘diversen’ zijn gevorderd, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

Inkomstenderving

Ten aanzien van de post gederfde inkomsten constateert de rechtbank dat zij, los van de vraag of het hier gaat om verplaatste schade en of deze in de strafzaak voor vergoeding in aanmerking komt, op basis van de thans beschikbare gegevens niet kan vaststellen wat de omvang van de geleden schade is. Gelet op het hiertegen gevoerde verweer vergt de beoordeling van deze post nader onderzoek. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet kunnen worden ontvangen, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Toekomstige materiële schade

Reiskosten

Naar het oordeel van de rechtbank komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten ten behoeve van [slachtoffer] zullen moeten worden gemaakt en de schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen.

Parkeerkosten

De rechtbank kan de benadeelde partij niet ontvangen in het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van toekomstige parkeerkosten, nu de vordering op dit punt niet is onderbouwd.

Inkomstenderving

In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Immateriële schade

Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor. De rechtbank zal het gevorderde bedrag aan smartengeld integraal toewijzen.

Totaal

In totaal zal de rechtbank de gevorderde materiële schadevergoeding tot een bedrag van
€ 2.088,94 en de immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,- toewijzen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 9.143,66 vanaf 18 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Uit de door de raadsvrouw van de benadeelde partij overgelegde schadestaat volgt dat de benadeelde partij geen wettelijke rente vordert over de toekomstige materiële schade.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg, 244 en 247 Sr zijn van toepassing, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich uiterlijk zeven dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Alkmaar op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar, waarna de veroordeelde zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    de reeds gestarte behandeling bij de Divisie Forensische Poli, afdeling van GGZ Noord-Holland Noord, gericht op zijn persoonlijkheidsproblematiek, voltooit, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

 Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 140 (honderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 70 (zeventig) dagen jeugddetentie.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 9.588,94 (negenduizend vijfhonderdachtentachtig euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 2.088,94 ter vergoeding van geleden materiële schade en € 7.500,00 ter vergoeding van geleden immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.143,66 vanaf 18 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.588,94 (negenduizend vijfhonderdachtentachtig euro en vierennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.143,66 vanaf 18 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 82 (tweeëntachtig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A. Warmerdam en mr. J.O.Y. Elagab, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.M. Piet,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 maart 2017.

Mr. Warmerdam en mr. Elagab zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746.

2 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten het afschrift van de geboorteakte van [slachtoffer] d.d. 16 november 2015 (dossierpagina 54).

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 oktober 2015 (dossierpagina’s 78 en 79).

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 oktober 2015 (dossierpagina’s 78 tot en met 80).

6 Proces-verbaal van aangifte door [moeder slachtoffer] namens [slachtoffer] d.d. 20 oktober 2015 (dossierpagina 47).

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 15).

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 31).

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017 afgelegd.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina’s 15 en 19).

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 25).

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 november 2015 (dossierpagina’s 34 en 35).

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 25).

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 november 2015 (dossierpagina 39).

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 16).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2015 (dossierpagina 27).

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 november 2015 (dossierpagina 37).

18 Proces-verbaal studioverhoor d.d. 11 november 2015 (dossierpagina’s 65, 66, 69 en 70).