Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1862

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/860268-15 en 16/004872
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Rekestenprocedure; verzoek ex artikel 591a Sv.

Uit de tekst van art. 69a Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en art. 5 van de ‘Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie’ volgt niet dat de door de werkgever (“het bevoegd gezag”) van de politieambtenaar gedragen kosten van rechtsbijstand als een voorschot zijn aan te merken. Nu de gewezen verdachte geen kosten van rechtsbijstand in de zin van artikel 591a Sv heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen gronden van billijkheid om aan de gewezen verdachte enige vergoeding ter zake van rechtsbijstand toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 16/004872

Parketnummer: 15/860268-15

Uitspraakdatum: 6 maart 2017

Beschikking (art. 591a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 3 augustus 2016 is per telefax ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een verzoekschrift, gedagtekend 31 juli 2016, van:

[verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

domicilie kiezende te (1016 EZ) Amsterdam, Keizersgracht 332,

ten kantore van mr. E.A.M. Mannheims, advocaat.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 2.380,99, wegens de met betrekking tot de strafzaak met bovengenoemd parketnummer gemaakte kosten van een advocaat, te vermeerderen met de standaardvergoeding ad € 550,00 voor de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift.

Op 20 februari 2017 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. J.C. Dekkers, advocaat te Amsterdam.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Spruijt.

2 Wettelijk kader

Op de voet van het bepaalde in de artikelen 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te diens laste gekomen kosten van een advocaat, zo daartoe althans – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig zijn.

3 De standpunten

De raadsvrouw van verzoeker heeft in raadkamer ter aanvulling op het verzoekschrift pleitnotities overgelegd waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Zij heeft:

  • -

    primair gepersisteerd bij het in het verzoekschrift verzochte;

  • -

    subsidiair verzocht om aanhouding tot na uitspraak van het Hof Amsterdam in de Ganzenhoef-zaken.

Samengevat komt het standpunt van verzoeker erop neer dat een vergoeding ex artikel 591a Sv moet worden toegekend op grond van de volgende argumenten. De vergoeding van de kosten van de raadsvrouw door de werkgever van verzoeker is als een voorschot aan te merken met een voorlopig en voorwaardelijk karakter. Verzoeker baseert zich voor dit standpunt op het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna ook: de Regeling), alsmede op artikel 69a lid 4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna ook: Barp). Voorts zou de vergoeding vergelijkbaar zijn met een vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van een afgesloten verzekering.

Door de officier van justitie is naar voren gebracht, zakelijk weergegeven, dat:

- verzoeker geen schade heeft geleden, nu de politie de kosten heeft vergoed;

  • -

    met uitzondering voor wat betreft de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift, op die grond reeds niet kan worden toegekomen aan toewijzing van het verzochte;

  • -

    het betoog dat de vergoeding door de politie als werkgever een voorschot betreft, die vaststelling de rechtbank niet dwingt tot toewijzing van het verzochte;

  • -

    immers, aangenomen dat artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna: de Regeling) voor de politiemedewerker een verplichting inroept tot indiening van een verzoekschrift ex artikel 591a Sv (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602), dan:

  • -

    ontslaat dit de rechtbank niet van toepassing van het juiste toetsingskader (de billijkheidtoets) en een onafhankelijke beoordeling van het verzoekschrift;

  • -

    is het niet billijk dat de verzochte vergoeding wordt toegekend, omdat:

 verzoeker al een vergoeding van de kosten heeft ontvangen,

 eventuele toewijzing van het verzoek voor verzoeker niet leidt tot een andere financiële uitkomst,

 terwijl aan de met het verzoekschrift beoogde verschuiving van justitiegelden wel een prijskaartje voor de belastingbetaler hangt, te weten de extra kosten die verbonden zijn aan de behandelprocedure én de extra kosten (forfaitaire vergoeding) van de advocaat;

  • -

    het – indien jegens een politieman een verdenking is ontstaan, dat deze (net) over het randje van het strafrechtelijke toelaatbare is gegaan – in beginsel passend is dat de werkgever de door die politieman gemaakte kosten wegens rechtsbijstand vergoedt;

  • -

    begrijpelijk is dat de politie als werkgever daarbij de voorwaarde stelt dat, indien de kosten rechtsbijstand op een ander kunnen worden verhaald, restitutie van de vergoeding plaatsvindt, maar dat de vermoedelijk bij de politie bestaande verwachting, dat het verzoekschrift zal worden toegewezen, niet leidend mag zijn;

de rechtbank haar beslissing niet moet afstemmen op de verwachting van de politie, maar de politie wellicht de verwachting moet bijstellen en niet zonder meer van de medewerker moet verlangen dat een verzoek ex artikel 591a Sv wordt ingediend.

4 Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De strafzaak tegen verzoeker is onherroepelijk geëindigd, doordat de officier van justitie op 10 mei 2016 telefonisch aan de raadsvrouw heeft laten weten te seponeren vanwege rechtmatige geweldsaanwending (sepotcode 09).

Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend.

De declaraties van de advocaat van verzoeker zijn door het bevoegd gezag betaald.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot toekenning van een vergoeding in de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591a Sv is dat die kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover deze daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen of zijn gekomen en indien daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Artikel 69a van het Barp luidt, voor zover relevant, als volgt:

1. Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

(…)

4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien:

a. de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b. indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

(…)

6. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

De Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (de Regeling) luidt – voor zover van belang –:

3. In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

4. Bij de indiening van de aanvraag tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op het eerste tot en met het derde lid van dit artikel.

Uit de hiervoor genoemde artikelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de werkgever (“het bevoegd gezag”) van de politieambtenaar de kosten van rechtsbijstand draagt. De kosten van de raadsvrouw zijn derhalve geen kosten die ten laste van verzoeker zijn gekomen. Zoals hiervoor al is overwogen biedt artikel 591a Sv slechts ruimte voor vergoeding van de kosten van een advocaat die daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit de tekst van artikel 69a Barp en artikel 5 van de Regeling niet volgt dat sprake is van een voorschot. In die artikelen wordt gewezen op een bevoegdheid tot terugvordering door de werkgever in een aantal limitatief opgesomde gevallen (opzet, grove nalatigheid of veroordeling van de medewerker), waaronder de onderhavige situatie niet valt. Dat betekent dat de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van verzoeker zullen komen.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de vergoeding als een voorschot is aan te merken, niet. Dit standpunt vindt geen steun in de bewoordingen van artikel 69a Barp noch in die van artikel 5 van de Regeling.

Evenmin deelt de rechtbank het standpunt van de raadsvrouw dat de regeling te vergelijken is met een rechtsbijstandsverzekering. Op grond van artikel 69a Barp is toekenning van een vergoeding voor rechtsbijstand een aan de arbeidsovereenkomst met verzoeker ontleend recht van verzoeker en niet afhankelijk van een keuze van verzoeker om een verzekering af te sluiten die ziet op een toekomstige onzekere gebeurtenis.

Nu de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van verzoeker komen, heeft hij geen kosten van rechtsbijstand in de zin van artikel 591a Sv gemaakt. De rechtbank ziet daarom, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid om aan verzoeker ter zake van de kosten van rechtsbijstand enige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal evenmin een vergoeding toekennen in de kosten van de indiening en de behandeling van het onderhavige verzoek. Onder “de kosten van een raadsman” waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 591a Sv vallen ook de kosten van de raadsman ter zake van advisering, opstelling en behandeling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van artikel 591a Sv. Deze kosten zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen (vgl. HR 20 mei 1986, NJ 1987, 28). De rechtbank komt daarom wat betreft deze kosten tot hetzelfde oordeel als wat betreft de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, namelijk dat de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoek op grond van 69a BARP ook door de werkgever (het bevoegd gezag) gedragen dienen te worden. Verzoeker heeft in feite ten behoeve van zijn werkgever het verzoek ingediend (ECLI:NL:GHARN:2011:BU3097).

In hetgeen daartoe bij de behandeling in raadkamer is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitspraak van het Hof Amsterdam in de Ganzenhoef-zaken af te wachten, zodat met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen zal worden beslist als volgt.

5 Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken af.

Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Smits, rechter,

in tegenwoordigheid van A.B. van Velzen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.

Informatie bij deze beschikking

Tegen deze uitspraak staat voor de verzoekende partij hoger beroep open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze beschikking.