Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1806

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1272
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

douane tarief indeling kindermelk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-09-2017
FutD 2017-2251
DouaneUpdate 2017-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 15/1272

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[X 1] B.V. (voorheen [X 2] B.V.), gevestigd te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 juni 2014 aan [X 2] B.V. een bindende tariefinlichting (hierna: bti) met het kenmerk NL RTD- [# 1] afgegeven tot indeling van het in geding zijnde product onder goederencode 2202 90 91 90.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de bti afgewezen en de bti gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen [A] , tot bijstand vergezeld van [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. E.H. Mennes en L. van der Spoel, tot bijstand vergezeld van P.M. Klinkenberg (Douane Laboratorium), B.N. Zegers (Douane Laboratorium), H.H. Venema (Douane Laboratorium), Y.J.G.E. van Soest-Bes (Douane Laboratorium) en D.A.A. Domacasse (stagiaire).

Overwegingen

Feiten

1. Namens [X 2] B.V. is op 29 januari 2014 een aanvraag ingediend voor een bti voor het product met de naam ‘ [C] ’ (hierna: het product). In de aanvraag is in vak 8 ‘Omschrijving van de goederen’ het product als volgt omschreven:

“Een vloeibaar product zijnde kindervoeding, in een verpakking van 200 cl. verkregen door het mengen van onder meer de volgende bestanddelen:

- Gedemineraliseerd water

- Magere melk

- Lactose

- Meel van granen

- Biscuit”

In vak 7 ‘Beoogde indeling’ is vermeld dat wordt verzocht om indeling van het product onder GS-code 1901 10.

2. Tot de stukken van het geding behoort een uitslag van het monsteronderzoek van het Douane Laboratorium van 11 april 2014, kenmerk [# 2] . In de uitslag is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“Onderzocht product: [d]

(…)

Bij onderzoek bevonden:

(…)

Uiterlijk: origineel kartonnen pakje à 200 ml, voorzien van plastic draaidop, met crème kleurige vloeistof. Ingrediënten volgens de verpakking: opvolgmelk (94,1%), meel van granen (2,9%), biscuit (2,9%).

Analyse (...) Bevinding

Vet 3.2% (m/m)

Melkvet niet aantoonbaar

Fructose 0.8% (m/m)

Glucose 0.9% (m/m)

Sacharose 0.8% (m/m)

Lactose 2.9% (m/m)

Beschouwing ten aanzien van de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur:

Het monster is een gebruiksklare drank, producten bedoeld bij de posten 0401 t/m 0404 of vetstoffen daarvan bevattend, met een melkvetgehalte van minder dan 0.2%.

Advies goederencode: 2202.9091 90.

(…)”

3. Verweerder heeft op 10 juni 2014 de bti afgegeven en heeft het product ingedeeld onder goederencode 2202 90 91 90. In de bti is in vak 7 ‘Omschrijving van het goed’ het volgende vermeld:

“ Een gebruiksklare drank met - volgens opgave - onder ander de volgende kenmerken en ingrediënten:

- in de verschijningsvorm van een crèmekleurige vloeistof;

- wordt gebruikt als kindervoeding;

- magere melk;

- plantaardige olie;

- water;

- meel van granen;

- biscuit;

- vitaminen en mineralen.

Het product is opgemaakt voor de verkoop in het klein in een kartonnen verpakking met een inhoud van 200 milliliter. Door onder andere de aanwezigheid van melkvreemd vet is indeling onder hoofdstuk 4 niet mogelijk.

Het product wordt aangemerkt als een niet-alcoholische gebruiksklare drank. De drank bevat minder dan 0,2% van melk afkomstige vetstoffen.”

In de bti is in vak 8 ‘Handelsbenaming en aanvullende gegevens’ het volgende vermeld:

“Artikelnummer [# 3] [C] . Bij analyse door het laboratorium bevonden:

- vet 3,2%; - fructose 0,8%; - glucose 0,9%; - sacharose 0,8%;

- lactose 2,9%.”

In de bti is in vak 9 ‘Motivering voor de indeling van het goed’ het volgende vermeld:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 3 op hoofdstuk 22 en de tekst van de GN-codes 2202, 2202 90 en 2202 90 91. Met toepassing van de toelichting IDR op hoofdstuk 4, punt I. Laboratorium geraadpleegd d.d. 11 april 2014, aangevraagd onder kenmerk [# 2] , bekend onder laboratoriumnummer [# 4] .”

Geschil
4. In geschil is de indeling van het product in de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN). Partijen hebben ter zitting verklaard dat de rechtbank kan volstaan met een oordeel over de GS-post waaronder het product moet worden ingedeeld.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het product moet worden ingedeeld onder GS-post 1901. Gelet op de rechtsoverwegingen 7 tot en met 11 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 maart 1981, zaak 114/80, ECLI:EU:C:1981:79, moet eerst worden vastgesteld of het product elders kan worden ingedeeld. Als het product elders kan worden ingedeeld dan is het product geen drank en volgt geen indeling onder hoofdstuk 22.

Het product is vloeibaar en betreft een mengsel dat bestaat uit een aanzienlijk deel magere melk waaraan verschillende bestanddelen zijn toegevoegd, waaronder meel van granen, biscuit en water. Het product ziet eruit als melk, smaakt naar melk en heeft eigenschappen en kenmerken die overeenkomen met de eigenschappen en kenmerken van melk. Het product kwalificeert als baby- en kindervoeding en wordt aangemerkt als liquid cereals, vloeibare granen. Het product is geen vervanger van melk maar een op granen gebaseerde maaltijd. Het product dient niet te worden aangeduid als ‘drink porridge’ of ‘drink meal’, maar als ‘milk cereal pap for drinking’, ‘milk cereals meal for drinking’ of ‘milk cereal meal for in a cup’. Het is aanvullende voeding en kan niet onbeperkt genuttigd worden. Nu er sprake is van kindervoeding waarvan het belangrijkste bestanddeel bestaat uit melk waaraan een aantal andere bestanddelen waaronder granen en biscuit is toegevoegd, is er sprake van een bereiding als bedoeld in de GS-toelichting op post 1901. Met toepassing van indelingsregel 1 kan het product worden ingedeeld onder GS-post 1901. Indeling onder GS-post 2202 kan niet volgen aangezien geen sprake is van ‘andere alcoholvrije dranken’. Het wezenlijke karakter wordt bepaald door het bestanddeel melk en dat betekent dat het product niet onder het generieke begrip drank kan worden gerangschikt, aldus eiseres.

Voorts stelt eiseres dat de door de Duitse douaneautoriteiten op 15 november 2011 afgegeven bti enkel kan dienen als referentiekader inzake de indeling.

6. Verweerder voert aan dat het product moet worden ingedeeld onder GS-post 2202. In dat kader voert verweerder aan dat gelet op de rechtsoverwegingen 7 tot en met 11 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 maart 1981, zaak 114/80, ECLI:EU:C:1981:79, het product moet worden aangemerkt als drank. De indeling van een product als drank is afhankelijk van de vloeibaarheid ervan en van de bestemming voor menselijke consumptie. Dit is herhaald in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juli 2011, C-196/10, ECLI:EU:C:2011:487. Het product is een vloeibaar product dat wordt aangeboden als een gebruiksklare drank, in een verpakking van 200 ml bestemd voor kinderen vanaf 10 maanden, ‘zum trinken aus der Tasse bestimmt’ en kan zowel koud als warm worden gedronken. Gelet op de toelichting IDR III op GS-post 1901 is indeling onder hoofdstuk 19 uitgesloten nu het product kwalificeert als drank en moet het worden ingedeeld onder hoofdstuk 22.

Verweerder voert voorts aan dat in verschillende indelingsverordeningen zoals verordening (EG) nr. 161/2007 van de Commissie van 15 februari 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de nomenclatuur en uitvoeringsverordening (EU) nr. 766/2013 van de Commissie van 7 augustus 2013 tot indeling van bepaalde goederen in de nomenclatuur is bepaald dat vergelijkbare zuivelproducten niet worden ingedeeld onder GS-post 1901 maar onder GS-post 2202 omdat sprake is van een drank.

Tevens voert verweerder aan dat de Duitse douaneautoriteiten op 15 november 2011 een bti met het nummer DE [# 5] hebben afgegeven ten aanzien van een soortgelijk product onder goederencode 2202 90 91.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Van belang zijnde regelgeving

8. Post 1901 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

1901 Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

9. Post 2202 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

2202 Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009:

10. De toelichting IDR op hoofdstuk 19 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Dit hoofdstuk omvat een groep van producten die in de regel bestemd zijn voor menselijke consumptie en die vervaardigd zijn uit granen bedoeld bij hoofdstuk 10, uit producten bedoeld bij hoofdstuk 11, of van meel, gries en poeder van plantaardige producten bedoeld bij enig ander hoofdstuk (meel, gries en griesmeel van granen, zetmeel, meel, gries en poeder van groenten of van vruchten), of van de producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04. Dit hoofdstuk omvat een groep van producten die in de regel bestemd zijn voor menselijke consumptie en die vervaardigd zijn uit granen bedoeld bij hoofdstuk 10, uit producten bedoeld bij hoofdstuk 11, of van meel, gries en poeder van plantaardige producten bedoeld bij enig ander hoofdstuk (meel, gries en griesmeel van granen, zetmeel, meel, gries en poeder van groenten of van vruchten), of van de producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04. (…)”

11. De toelichting IDR op post 1901 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

“(...)

III. Bereidingen voor menselijke consumptie van de producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen

De bereidingen bedoeld bij deze post kunnen worden onderscheiden van de producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04 doordat zij, naast de natuurlijke bestanddelen van melk, andere ingrediënten bevatten die niet mogen voorkomen in de producten van de genoemde posten. Zo omvat post 19.01 bijvoorbeeld:

1. poedervormige of vloeibare bereidingen voor kinder- of dieetvoeding, met als voornaamste bestanddeel melk, waaraan andere ingrediënten (bijvoorbeeld graanvlokken, gist) zijn toegevoegd;

2. producten verkregen door het vervangen van een of meer bestanddelen van melk (bijvoorbeeld botervet) door een andere stof (bijvoorbeeld plantaardige olie).

De producten bedoeld bij deze post mogen zijn gezoet en mogen cacao (zie de toelichting IDR (algemene opmerkingen) opgenomen in aant. 1 op het opschrift van dit hoofdstuk) bevatten. Van deze post zijn echter uitgezonderd producten die het karakter hebben van suikerwerk (post 17.04) en producten bevattende 5 of meer gewichtspercenten cacao berekend op een geheel ontvette basis (post 18.06) en dranken (hoofdstuk 22).

(…)”

12. Aantekening 3 op hoofdstuk 22 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Voor de toepassing van post 22.02 wordt onder 'alcoholvrije dranken' verstaan, dranken met een alcohol volumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol. Alcoholhoudende dranken worden naargelang van het geval ingedeeld onder de posten 22.03 tot en met 22.06 of onder post 22.08. ”

13. Toelichting IDR op Aantekening 1 op hoofdstuk 22 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

Van dit hoofdstuk zijn uitgezonderd:

a. vloeibare zuivelproducten bedoeld bij hoofdstuk 4;

(…)”

. (3) Voor de toepassing van post 22.02 wordt onder ‘alcoholvrije dranken’ verstaan, dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 0,5% vol.

Van dit hoofdstuk zijn uitgezonderd:

a. vloeibare zuivelproducten bedoeld bij hoofdstuk 4;

14. De toelichting IDR op post 2202 (tekst 2014) luidt - voor zover van belang - als volgt:

“ Deze post omvat alcoholvrije dranken, zoals omschreven in Aantekening 3 IDR op dit hoofdstuk, andere dan die welke elders - en meer in het bijzonder bij post 20.09 of 22.01 - zijn bedoeld.(…)”

“1

Toelichting IDR

Dit hoofdstuk omvat:

I. Zuivelproducten:

A. melk, te weten volle melk of geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk;

B. room;

C. karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room;

D. wei;

E. producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, elders genoemd noch elders onder begrepen;

F. boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta’s;

G. kaas en wrongel.

De in de letters A tot en met E hiervoor genoemde producten mogen, ongeacht de natuurlijke bestanddelen van melk (bijvoorbeeld melk waarvan het vitaminegehalte of het gehalte aan minerale zouten is verhoogd), geringe hoeveelheden stabilisatoren (bijvoorbeeld dinatriumfosfaat, trinatriumcitraat, calciumchloride) bevatten, waardoor de natuurlijke consistentie van de melk tijdens het vervoer in vloeibare staat behouden blijft, alsmede zeer geringe hoeveelheden anti-oxidatiemiddelen of vitaminen die gewoonlijk niet in melk voorkomen. Aan sommige van de hier bedoelde producten kunnen geringe hoeveelheden chemicaliën (bijvoorbeeld natriumbicarbonaat) zijn toegevoegd die nodig zijn voor de vervaardiging ervan. Producten in de vorm van poeder of van korrels mogen emulgeermiddelen of anticoagulatiemiddelen (bijvoorbeeld fosfolipiden, amorf siliciumdioxide) bevatten.

Daarentegen zijn van dit hoofdstuk uitgesloten producten vervaardigd uit wei, bevattende meer dan 95 gewichtspercenten lactose, uitgedrukt in watervrije lactose berekend op de droge stof (post 17.02). Voor de berekening van het gewichtspercentage lactose in het product sluit het begrip ‘droge stof’ de aanwezigheid van vrij water en kristalwater uit.

Van dit hoofdstuk zijn onder andere eveneens uitgesloten:

a. bereidingen voor menselijke consumptie gebaseerd op melkproducten (in het bijzonder post 19.01);

1

Toelichting IDR

Dit hoofdstuk omvat:

I. Zuivelproducten:

A. melk, te weten volle melk of geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk;

B. room;

C. karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room;

D. wei;

E. producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, elders genoemd noch elders onder begrepen;

F. boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta’s;

G. kaas en wrongel.

De in de letters A tot en met E hiervoor genoemde producten mogen, ongeacht de natuurlijke bestanddelen van melk (bijvoorbeeld melk waarvan het vitaminegehalte of het gehalte aan minerale zouten is verhoogd), geringe hoeveelheden stabilisatoren (bijvoorbeeld dinatriumfosfaat, trinatriumcitraat, calciumchloride) bevatten, waardoor de natuurlijke consistentie van de melk tijdens het vervoer in vloeibare staat behouden blijft, alsmede zeer geringe hoeveelheden anti-oxidatiemiddelen of vitaminen die gewoonlijk niet in melk voorkomen. Aan sommige van de hier bedoelde producten kunnen geringe hoeveelheden chemicaliën (bijvoorbeeld natriumbicarbonaat) zijn toegevoegd die nodig zijn voor de vervaardiging ervan. Producten in de vorm van poeder of van korrels mogen emulgeermiddelen of anticoagulatiemiddelen (bijvoorbeeld fosfolipiden, amorf siliciumdioxide) bevatten.

Daarentegen zijn van dit hoofdstuk uitgesloten producten vervaardigd uit wei, bevattende meer dan 95 gewichtspercenten lactose, uitgedrukt in watervrije lactose berekend op de droge stof (post 17.02). Voor de berekening van het gewichtspercentage lactose in het product sluit het begrip ‘droge stof’ de aanwezigheid van vrij water en kristalwater uit.

Van dit hoofdstuk zijn onder andere eveneens uitgesloten:

a. bereidingen voor menselijke consumptie gebaseerd op melkproducten (in het bijzonder post 19.01);”

Beoordeling van het geschil

15. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en postonderverdelingen en de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken.

16. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) dat, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de post zijn omschreven. De toelichtingen bij de nomenclatuur zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten (vgl. arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 2016, gevoegde zaken Toorank Productions B.V., C-532/14 en C-533/14, ECLI:EU:C:2016:377, punt 34 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17. Uit overweging 7 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 maart 1981, zaak 114/80, ECLI:EU:C:1981:79, volgt dat de woorden ‘andere alcoholvrije dranken’ in GS-post 2202 moeten worden opgevat als een generiek begrip dat alle voor menselijke consumptie bestemde vloeistoffen omvat die niet uitdrukkelijk elders zijn ingedeeld. Uit overwegingen 8 en 9 van voornoemd arrest volgt dat de inhoud van dit begrip moet worden bepaald aan de hand van objectieve en voor toetsing vatbare criteria. Onder dranken in de zin van GS-post 2202 moet worden verstaan alle voor menselijke consumptie geschikte en bestemde vloeistoffen, ongeacht de ingenomen hoeveelheid of het bijzondere doel waarvoor de verschillende soorten voor consumptie geschikte vloeistoffen kunnen dienen. De in de genoemde post gebezigde onderscheidingscriteria zijn de vloeibaarheid van het product en de bestemming voor menselijke consumptie. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderhavige product een vloeibaar product is bestaande uit een mengsel van melk waaraan onder andere granen, biscuit, water en plantaardige olie zijn toegevoegd. Voorts is niet in geschil dat het product bestemd is voor menselijke consumptie. Gelet op het hiervoor overwogene moet het product met indelingsregel 1 van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld onder GS-post 2202.

18. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat eerst moet worden vastgesteld of het product elders dan onder hoofdstuk 22 kan worden ingedeeld. Gelet op de bewoordingen van de posten en postonderverdelingen en de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken is de rechtbank van oordeel dat het product niet uitdrukkelijk elders is genoemd en dat het product niet met indelingsregel 1 van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur elders kan worden ingedeeld.

Indeling onder GS-post 1901 is uitgesloten nu blijkens de toelichting IDR III op post 1901 van deze post zijn uitgezonderd dranken die onder hoofdstuk 22 kunnen worden ingedeeld. De grief van eiseres faalt derhalve.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.