Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1762

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
HAA - 15 _ 5765 en HAA - 15 _ 5766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door eiser aan partner gedane betalingen zijn deels aan te merken als aftrekbare onderhoudsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0659 met annotatie van Nicole Gubbels
V-N 2017/29.16.17
V-N Vandaag 2017/543
Belastingadvies 2017/7.5
EB 2017/54
FutD 2017-0599 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/905 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
FJR 2019/66.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/5765 en HAA 15/5766

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2017 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Zaak 15/5765

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.681 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.727. Hierbij is tevens bij beschikking € 956 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Zaak 15/5766

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.828 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.834. Hierbij is tevens bij beschikking € 1.014 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Beide zaken

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting in beide zaken nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft voor beide zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 13 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door [A] (hierna: [A] ). Namens verweerder zijn verschenen mr. X. Verberkmoes en mr. J.H. van Wier.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft sinds december 2005 een relatie met [A] . Op 21 december 2010 zijn zij met elkaar getrouwd.

2. Eiser en [A] hebben samen een zoon, geboren op [# 1] .

3. Het feitelijke woonadres van eiser in 2009 en 2010 was [adres 1] . [A] woonde - in 2009 en in 2010 - op het woonadres [adres 2] . De woonadressen van eiser en van [A] betreffen twee boven elkaar gesitueerde woningen met ieder een eigen ingang. Ook na hun huwelijk zijn eiser en [A] niet gaan samenwonen.

4. Eiser heeft een op 1 januari 2009 gedagtekende overeenkomst met [A] overgelegd. Deze overeenkomst bepaalt het volgende:

“Verplichting tot betalen van de kosten van levensonderhoud

Hierbij komen ondergetekenden [X] . geboren [geboortedatum 1] te [B] en wonende te [Z] en [A] . geboren [geboortedatum 2] te [C] en wonende te [Z] het navolgende overeen.

Overwegende dat

- [A] niet in haar levensonderhoud kan voorzien,

- dat zij zwanger is van een kind van [X] .

- dat [X] (mede) op grond hiervan verplicht is te voorzien in haar levensonderhoud en in al de kosten die zij hiertoe moet maken, waaronder expliciet begrepen de kosten van gezondheidszorg in de ruimste betekenis hiervan en in (studie-)kosten teneinde uiteindelijk wel te kunnen voorzien in eigen levensonderhoud.

Aldus wordt overeengekomen:

- kosten van levensonderhoud voor [A] 1300 euro per maand (prijsniveau 2009)

- te verhogen met vergoedingen in natura voor

energierekening en, eventueel, andere nutsbedrijven

telefoonkosten naar [C] , waarbij [A] zich verplicht gebruik te maken van de goedkoopst mogelijke aanbieder

Indien [X] in gebreke blijft zullen alle kosten, in en buiten gerecht. die [A] redelijkerwijs moet maken eveneens door eerstgenoemde, dat is [X] , onverkort en onmiddellijk vergoed worden.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend.

te [Z] . 1 januari 2009.

[X] [A] ”

5. Met dagtekening 10 december 2011 heeft eiser aan verweerder in het kader van de aanslagregeling ib/pvv 2009 een brief gestuurd. De brief vermeldt na de handtekening:

“ Bijlagen:

- overeenkomst tot verplichting tot betalen van de kosten van levensonderhoud (1 pagina)

- (...) (3 pagina’s)

- (...), 4 pagina’s

- (...), 6 x a 4 pagina’s

- (...) 12 x a 2 pagina’s”

6. Bij het opleggen van de aanslag ib/pvv 2009, dagtekening 4 juli 2012, heeft verweerder de in de aangifte over dat jaar opgevoerde post kosten levensonderhoud ad € 23.527 niet in aftrek toegelaten.

7. Bij het opleggen van de aanslag ib/pvv 2010, dagtekening 5 december 2013, heeft verweerder de in de aangifte over dat jaar opgevoerde post kosten levensonderhoud ad € 24.525 niet in aftrek toegelaten.

Geschil
8. In geschil is of de door eiser in de aangiftes ib/pvv 2009 en 2010 opgenomen bedragen als aftrekbare onderhoudsverplichtingen in de zin van in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) kunnen worden aangemerkt.

9. Eiser neemt in beroep het standpunt in dat hij recht heeft op aftrek voor een bedrag van € 22.805 (jaar 2009) respectievelijk van € 24.422 (jaar 2010) voor onderhoudsverplichtingen. Deze bedragen komen overeen met de in de beroepschriften opgevoerde kosten voor levensonderhoud, beide jaren verminderd met € 1.800 (12 * € 150) wegens kosten levensonderhoud voor de zoon. Verweerder betwist dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan.

10. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

11. Artikel 3.100, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 bepaalt dat belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen.

12. Artikel 3.101, eerste lid, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001, bepaalt:

“1. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die:

c. in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel de genieter behoort tot het huishouden van de schuldenaar;”

13. Artikel 6.3 eerste lid, aanhef en letter f, van de Wet IB 2001 luidt:

“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

(…).”

14. Artikel 6:3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt als volgt:

“1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare verbintenis.

2. Een natuurlijke verbintenis bestaat:

a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt;

b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.”

Algemeen

15. Uit de tekst van artikel 6.3, eerste lid en letter f, van de Wet IB 2001 volgt dat aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan voor een recht op aftrek (cumulatieve eisen):

- in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen

- die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

16. De rechtbank stelt voorop dat om in aanmerking te komen voor aftrek van de in 2009 en 2010 gedane betalingen als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, eiser aannemelijk dient te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

Rechtens afdwingbaar

17. Eiser heeft gesteld dat sprake is van een rechtens afdwingbare overeenkomst gelet op de schriftelijke overeenkomst van 1 januari 2009. In dit verband heeft hij gesteld dat die overeenkomst al eerder mondeling was overeengekomen. Een notaris had eiser verteld dat het niet noodzakelijk was dit schriftelijk vast te leggen en daarom had hij dat, ondanks twijfel hierover, niet gedaan. Op 1 januari 2009 had eiser een gesprek met zijn zus. Dat gesprek ging over de afhandeling van de erfenis van zijn vader door zijn zus en een lening die zijn vader aan eiser had verstrekt. Zij vertelde dat zij problemen met de Belastingdienst wilde voorkomen en daarom die lening schriftelijk wilde gaan vastleggen. Eiser heeft daarop ook de overeenkomst met [A] alsnog schriftelijk vastgelegd. Eiser heeft hierover ter zitting het volgende aangevoerd. Nadat hij in de nacht van 1 januari 2009 was teruggekeerd van familiebezoek, heeft hij direct de schriftelijke overeenkomst opgesteld. Deze overeenkomst is vervolgens direct ondertekend door eiser en [A] . De overeenkomst is bij brief van 10 december 2011 aan verweerder toegezonden. In een eerdere beroepsprocedure over de aftrek van onderhoudsverplichtingen bij de aanslagregeling ib/pvv over 2008 heeft eiser het stuk van 1 januari 2009 wel een keer genoemd, zij het niet met zodanige nadruk dat dit in processen-verbaal is opgenomen. Eiser ging er van uit dat het niet relevant was omdat het van na 2008 was.

18. Verweerder heeft hierover het volgende verklaard. Van de door eiser genoemde schriftelijke overeenkomst is voor het eerst door hem kennis genomen via de brief van eiser van 21 april 2014. Bij de brief van 10 december 2011 waren geen bijlagen gevoegd. Gedurende de procedure over de aanslag ib/pvv 2008 heeft eiser van deze overeenkomst bij zowel rechtbank als gerechtshof geen melding gemaakt. Eiser heeft in de vorige procedure altijd gezegd dat er uitsluitend een mondelinge overeenkomst, een belofte, was en die procedure betrof dezelfde problematiek als deze zaak. Het vermoeden is dat de overeenkomst is geantedateerd. Tijdens de hoorzitting had eiser verklaard dat hij in de ochtend van 1 januari 2009 de overeenkomst heeft getekend.

19. De rechtbank acht aannemelijk dat op 1 januari 2009 de door eiser ingebrachte schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank baseert zich op de geloofwaardige verklaring ter zitting van eiser. Deze stemt ook overeen met hetgeen eiser in bezwaar en beroep heeft geschreven. Ook wordt zijn verklaring ondersteund door de door hem ingebrachte stukken. De rechtbank wijst op een e-mailbericht van 7 januari 2009 van de zus van eiser over de erfenis van zijn vader, een e-mailbericht van 13 januari 2009 van zijn zus met daarbij een concept-schuldbekentenis ten name van eiser, een brief van 13 mei 2013 van [D] Notarissen betreffende contact met eiser in 2006 over het eventuele opstellen van een akte “verplichting tot onderhoud” en een verklaring van 18 juni 2016 van de zus dat zij op 1 januari 2009 een gesprek met eiser had gehad over de schriftelijke vastlegging van een lening van eiser van zijn vader. Verder heeft verweerder niet met een gespreksverslag onderbouwd dat eiser een andersluidende verklaring heeft afgelegd op de hoorzitting. Het ontbreken van een dergelijk verslag komt voor verweerders rekening. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat in de brief van 10 december 2011 een overeenkomst is vermeld die op dat moment niet bestond. Het vormt dus een aanwijzing dat de overeenkomst op dat moment wel bestond. Dat wordt verder ondersteund doordat in de brief staat dat de overeenkomst één pagina betreft en dit overeenstemt met de thans ingebrachte overeenkomst van 1 januari 2009. Dat laat verder onverlet de mogelijkheid dat de bijlagen bij die brief niet waren bijgesloten en verweerder de overeenkomst dus later heeft ontvangen.

20. Gezien de door eiser en [A] gesloten overeenkomst is aannemelijk dat zij beoogd hebben een rechtens afdwingbare verbintenis aan te gaan en dat die verbintenis op 1 januari 2009 tot stand is gekomen. Er is in de in geschil zijnde jaren dan ook sprake van een rechtens afdwingbare vordering van [A] op eiser.

Dringende morele verplichting

21. Gelet op de parlementaire geschiedenis betreffende artikel 45, eerste lid, letter d (voorheen: letter c) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dient het begrip dringende morele verplichting te worden opgevat als natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, aanhef en letter b, van het BW. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of van een morele verplichting als bedoeld in artikel 6:3 van het BW sprake is, worden beantwoord naar objectieve maatstaven en niet naar subjectief inzicht (vergelijk Hoge Raad 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808). Bepalend is niet alleen de mate waarin iemand zich moreel of fatsoenshalve tot iets gebonden acht, maar ook of naleving ervan naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de wederpartij toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het oordeel of sprake is van een dringende morele verplichting niet alleen moet worden gezien vanuit degene die de betalingen verricht, maar ook vanuit de ontvanger, waarbij het er dan om gaat of deze naar maatschappelijke opvattingen een aanspraak op de betalingen heeft.

22. Eiser heeft gesteld dat sprake is van een dringende morele verplichting vanwege de omstandigheden van hun geval en de maatschappelijke opvattingen hierover. In dit verband heeft eiser gewezen op een krantenartikel van 18 maart 2015 hierover.

23. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een morele verplichting als bedoeld in artikel 6:3 van het BW tot voorziening in het levensonderhoud van de partner. Daarbij merkt de rechtbank op dat in beginsel naar maatschappelijke opvattingen bij een LAT-relatie het gangbaar is dat partners in hun eigen onderhoud voorzien, zodat bijdragen over en weer daarvoor niet aftrekbaar zijn. Echter, in de onderhavige relatie is de situatie van [A] dusdanig bijzonder dat eiser zich naar objectieve maatstaven dringend moreel gedwongen kon voelen om in haar levensonderhoud te voorzien. De rechtbank baseert zich daarbij op de feiten, in het bijzonder dat eiser sinds 2005 een LAT-relatie met [A] heeft en zij sinds [# 1] een kind hebben. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij [A] in 2005 in Nederland heeft leren kennen. Zij was hier toen voor een tijdelijk verblijf. Ze had in [C] een goede baan en familie en wilde terug. Zij wist dat wonen in Nederland voor haar moeilijk zou zijn. Ze kon namelijk hier niet in haar levensonderhoud voorzien, onder meer vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning, het taalverschil en verschillen in diploma’s. Uiteindelijk is ze op verzoek van eiser toch gebleven. Daarom heeft eiser haar vanaf december 2005 een bijdrage voor levensonderhoud gegeven. Eiser en [A] wilden en willen om persoonlijke motieven niet samenwonen, aldus eiser ter zitting. Verweerder heeft deze verklaring niet bestreden, zodat de rechtbank van de juistheid van het gestelde uitgaat.

24. De omstandigheid dat eiser en [A] niet samenwonen en ook niet hebben samengewoond doet hier niet aan af. Ook het feit dat de relatie niet is beëindigd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank vindt steun hiervoor in het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0287, en in hoofdstuk 4 van de conclusie van advocaat-generaal Groeneveld van 24 januari 2002 voorafgaand aan dat arrest, ECLI:NL:PHR:2002:AE0287. De rechtbank ziet ook anders dan verweerder niet in waarom de omstandigheid dat de woningen van eiser en [A] boven elkaar liggen tot een ander oordeel zou moeten leiden.

Tussenconclusie

25. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen rust op eiser een afdwingbare dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

Omvang van de aftrekbare verplichtingen

26. Eiser heeft bankstukken uit 2009 verstrekt waaruit volgt dat in dat jaar € 22.329 aan [A] is voldaan. Voor 2010 zijn geen bankstukken verstrekt. Van kosten met betrekking tot Nuon, water, “ [# 2] ”, KPN, UPC-TV en internet behoort een overzicht tot het dossier (hierna: het overzicht). Niet in geschil is dat de betalingen door eiser aan [A] mede betrekking hebben op de kosten in het overzicht. Ook blijkt uit de bankstukken dat de betalingen in 2009 mede betrekking hebben op ziekte-, kraam- en studiekosten.

27. De tussen eiser en [A] overeengekomen vergoedingen in natura (vergoeding van kosten voor energie en andere nutsbedrijven en telefoonkosten) zijn volgens de rechtbank aan te merken als een verstrekking in de zin van artikel 3.101, eerste lid, letter c, van de Wet IB 2001. Voor het aannemen van periodieke verstrekkingen is niet vereist dat de hoogte ervan vast en gelijkmatig is (vergelijk Hoge Raad 6 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8335). Verder is geen reden om aan te nemen dat geen sprake is van rechtens afdwingbare verplichtingen, aangezien ze genoemd zijn in de overeenkomst van 1 januari 2009. Aangezien ziekte-, kraam- en studiekosten niet in die overeenkomst worden genoemd, komen de vergoedingen daarvan niet voor aftrek in aanmerking.

28. Verweerder heeft verklaard dat de door eiser betaalde vaste maandelijkse bedragen ad € 1.300 in 2009 en in 2010 door eiser in aftrek op zijn inkomen kunnen worden gebracht, beide jaren te verminderen met € 1.800 (12 * € 150) wegens kosten levensonderhoud voor de zoon. De rechtbank gaat hier van uit. Dat in een deel van 2009 per maand hogere vaste bedragen zijn overgemaakt, namelijk € 1.450 per maand, is voor de rechtbank geen reden om uit te gaan van een hoger bedrag voor de kosten van levensonderhoud. Niet uit te sluiten is immers dat die bijdragen betrekking hebben op vergoedingen voor voornoemde kosten voor energie en dergelijke. Een aansluiting tussen de betaalde bedragen in 2009 en het overzicht is verder niet te maken. Bij gebrek aan bankstukken over 2010 is dat niet vast te stellen voor dat jaar.

29. Gelet op het voorgaande en aan de hand van het overzicht berekent de rechtbank de aftrekbare kosten van levensonderhoud als volgt.

2009

kosten levensonderhoud conform overeenkomst: 12 * 1.300 € 15.600

af: deel hiervan bestemd voor zoon: 12 * 150 € 1.800

€ 13.800

bij: water € 177

bij: Nuon (1529,44 -/- 79,49 -/- 25,50) € 1.424

bij: [# 2] € 112

bij: KPN (1.675,17 -/- 205,86) € 1.469

€ 3.182

€ 16.982

vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aanslag € 137.681

af: onderhoudsverplichting € 16.982

nieuw vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 120.699

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 5.727 (onveranderd).

2010

kosten levensonderhoud conform overeenkomst: 12 * 1.300 € 15.600

af: deel hiervan bestemd voor zoon: 12 * 150 € 1.800

€ 13.800

bij: water € 206

bij: Nuon (1.191,78 -/- 12,75 +202,22) € 1.381

bij: [# 2] € 46

bij: KPN (1.328,29 -/- 228,37) € 1.100

€ 2.733

€ 16.533

vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aanslag € 138.828

af: onderhoudsverplichting € 16.533

nieuw vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 122.295

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 7.834 (onveranderd).

Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. In de zaak HAA 15/5766 is geen griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:

- in de zaak 15/5765:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.699 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.727, vermindert de beschikking heffingsrente overeenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

- in de zaak 15/5766:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.295 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.834, vermindert de beschikking heffingsrente overeenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.