Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1709

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5358
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting. Geen sprake van een nietig besluit tot dividenduitkering

Wetsverwijzingen
Wet op de dividendbelasting 1965 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/37.20 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/551
FutD 2017-0615
NTFR 2017/1225 met annotatie van mr. M. de Jonge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/5358

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2017 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.P. Egberts),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft een aangifte dividendbelasting gedaan, waarbij een bedrag van € 37.500 aan dividendbelasting is aangegeven ter zake van een op 23 december 2014 beschikbaar gesteld dividend van € 250.000. De dividendbelasting is afgedragen op 22 januari 2015. Tegen deze afdracht heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen drs. [A] (hierna: [A] ) en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H.W. Bruggemans-Driessen en D. Scheerder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 5 januari 2015 aangifte dividendbelasting gedaan. Daarbij is een dividenduitkering aangegeven van € 250.000 die op 23 december 2014 ter beschikking is gesteld. De hierover verschuldigde dividendbelasting van € 37.500 is op 22 januari 2015 afgedragen. De aangifte is ondertekend door [A] , de directeur en enig aandeelhouder van eiseres.

2. [A] heeft een auto-ongeval gehad ten gevolge waarvan hij vanaf 8 maart 2014 voor 80-100% arbeidsongeschikt is. In een rapport van 21 november 2014 betreffende arbeidskundig advies van [A BEDRIJF] in opdracht van [B BEDRIJF] is onder meer vermeld:

“Verzekerde is een [GETAL] -jarige tandarts die vanaf 08-03-2014 voor 80-100% arbeidsongeschikt is vanwege diverse klachten veroorzaakt door een auto-ongeval. (…) Verzekerde heeft vooralsnog concentratieproblemen, is snel vermoeid, vergeetachtig, kan moeilijk uit zijn woorden komen en heeft regelmatig hoofdpijn en nekklachten.”

3. Ter zake van de in de aangifte vermelde dividenduitkering zijn geen gelden overgemaakt aan [A] .

4. De balansen van eiseres per 31 december 2013 en 31 december 2014 zien er volgens de per 21 juli 2015 opgemaakte jaarstukken 2014 als volgt uit (verkort weergegeven):

Activa

31 december 2014

31 december 2013

Vaste activa

376.474

225.714

Vlottende activa

- Voorraden

10.000

15.000

- Vorderingen/overlopende activa

301.984

347.614

- Liquide middelen

344.491

294.132

1.032.949

882.460

Passiva

31 december 2014

31 december 2013

- Geplaatst en gestort aandelenkapitaal

18.0000

18.000

- Overige reserves

555.710

627.952

Eigen vermogen

573.710

645.952

Voorzieningen

104.384

98.475

Kortlopende schulden en overlopende passiva

354.855

138.033

1.032.949

882.460

5. In de statuten van eiseres (van 17 september 2010) is onder meer opgenomen:

“Winstbestemming

Artikel 20

1. De winst staat ter vrije beschikking van de algemene vergadering.

2. De vennootschap kan aan de aandeelhouders en andere gerechtigden tot de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet moeten worden aangehouden.

3. Uitkering van winst geschiedt na de vaststelling van de jaarrekening waaruit blijkt dat zij geoorloofd is.

(…)

6. De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen doen, indien aan het vereiste van lid 2 is voldaan.

Dividend

Artikel 21

Het dividend staat vanaf een (1) maand na de vaststelling ter beschikking van de aandeelhouders, tenzij de algemene vergadering een andere termijn vaststelt.”

Geschil
6. In geschil is of het besluit om dividend uit te keren nietig is en of op die grond geen dividendbelasting verschuldigd is.

7. Eiseres beroept zich op nietigheid van het besluit tot dividenduitkering, waarbij zij aanvoert dat:

- het besluit tot uitkering niet formeel is vastgesteld in notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava);

- eiseres met de uitkering verplichtingen schendt die zij met de bank is aangegaan in 2014;

- eiseres de zogenoemde balanstest (artikel 2:216, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek; hierna: BW) en uitkeringstest (artikel 2:216, lid 2, van het BW) schendt, omdat zij na uitkering niet meer kan voldoen aan haar verplichtingen jegens schuldeisers

Voorts stelt eiseres dat [A] de gevolgen van de dividenduitkering niet kon overzien als gevolg van het auto-ongeluk. Er is daarom sprake van een wilsgebrek, op grond waarvan het besluit tot dividenduitkering nietig is. Het dividend is niet uitbetaald aan [A] en gelet op de nietigheid is de dividenduitkering ook niet verwerkt in de jaarstukken van eiseres, aldus nog steeds eiseres.

8. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat het dividend op 23 december 2014 direct opeisbaar is geworden en in de beschikkingsmacht van de aandeelhouder gekomen, zodat daarover dividendbelasting verschuldigd is. Dat het dividend feitelijk niet is uitbetaald, doet niet af aan de verplichting tot inhouding en afdracht van dividendbelasting. Eiseres had in haar jaarrekening een schuld op [A] moeten opnemen ter grootte van het netto dividend, dan wel de uitkering moeten verrekenen met de rekening-courant vordering op [A] . Dat geen formele vaststelling van het dividend heeft plaatsgevonden en dat met de uitkering verplichtingen tegenover de bank worden geschonden en civielrechtelijke bepalingen worden geschonden doet voor de heffing van dividendbelasting niet ter zake, stelt verweerder voorts. Ultimo 2014 zijn er bovendien voldoende reserves aanwezig bij eiseres om de dividenduitkeringen te kunnen dekken. De stelling dat [A] niet kon overzien wat de gevolgen waren, is onvoldoende onderbouwd en leidt er bovendien niet toe dat geen dividendbelasting verschuldigd is. Daarbij geldt voorts dat [A] zich ter zake van de dividenduitkering heeft laten adviseren door een professionele adviseur.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

9. Op de voet van artikel 2 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet) wordt dividendbelasting geheven naar de opbrengst van (onder meer) aandelen. Tot de opbrengst behoren ingevolge artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan. De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld (artikel 7, leden 1 en 3, van de Wet).

Lid 1 en lid 2 van artikel 2:216, van het BW (tekst vanaf 1-1-2012) luiden als volgt:

“1. De algemene vergadering is bevoegd tot bestemming van de winst die door de vaststelling van de jaarrekening is bepaald en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. De statuten kunnen de bevoegdheden, bedoeld in de eerste zin, beperken of toekennen aan een ander orgaan. Voor de vaststelling van het eigen vermogen en de reserves is de laatst vastgestelde jaarrekening bepalend.

2. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Het bestuur weigert slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.”

Nietigheid van het besluit tot dividenduitkering?

10. Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres op 23 december 2014 een dividend betaalbaar heeft gesteld aan haar aandeelhouder ( [A] ). In beginsel dient er dan ook vanuit te worden gegaan dat [A] per die datum een direct opeisbare vordering op eiseres heeft verkregen ter zake van het (netto) dividend en dat sprake is van een onmiddellijke winstuitdeling (opbrengst) in de zin van artikel 3 van de Wet.

11. Het standpunt van eiseres komt er kennelijk op neer dat alhoewel het dividend op 23 december 2014 ter beschikking is gesteld, er achteraf vanuit moet worden gegaan dat [A] nooit recht heeft gehad op het (feitelijk niet uitbetaalde) dividend, gelet op de nietigheid van het besluit tot dividenduitkering.

Het betoog faalt reeds op grond van het navolgende. De stelling van eiseres dat het niet vastgelegd zijn in notulen van de ava van het besluit tot uitkering van het dividend leidt tot nietigheid, is onjuist. Een dergelijke vastlegging is niet vereist voor een rechtsgeldige dividenduitkering door eiseres. Gezien de hiervoor onder 4 vermelde balansen waren het eigen vermogen en de vrije reserves (eiseres hield geen wettelijke of statutaire reserves aan) voldoende om een dividend van € 250.000 uit te keren zonder in strijd te komen met artikel 2:216, lid 1, van het BW, dan wel met de statuten van eiseres. Aldus valt ook niet in te zien dat op die grond sprake zou zijn van nietigheid van het besluit tot uitkering. Voorts geldt dat ter zitting is vastgesteld dat (naar het oordeel van de rechtbank terecht) niet in geschil is dat [A] als bestuurder heeft ingestemd met de dividenduitkering. Dit volgt ook uit de ondertekening van de aangifte dividendbelasting door [A] . Dat betekent dat ook op de voet van artikel 2:216, lid 2, van het BW geen sprake is van een nietig besluit. De stelling van eiseres dat zij door de dividenduitkering in betalingsmoeilijkheden is gekomen (of zou zijn gekomen, aangezien het dividend feitelijk (nog) niet is betaald) doet daaraan niet af, wat daarvan verder ook zij. Het verlenen van goedkeuring door de bestuurder van een dividenduitkering, terwijl de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, leidt niet tot nietigheid van het besluit tot uitkering. Overigens heeft eiseres met haar stellingen over betalingsmoeilijkheden geenszins aannemelijk gemaakt dat zij na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. De overgelegde jaarstukken bieden daarvoor ook geen aanknopingspunt.

De stelling van eiseres dat een afspraak met de bank zou zijn geschonden door de dividenduitkering kan, indien van de juistheid van die stelling wordt uitgegaan, niet leiden tot nietigheid van het besluit, zodat ook die stelling haar doel mist.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een nietig besluit tot uitkering van dividend, waarbij derhalve in het midden kan blijven of nietigheid van dat besluit er al toe zou leiden dat achteraf bezien geen sprake zou zijn van opbrengst in de zin van artikel 3 van de Wet.

12. Voor zover de gemachtigde van eiseres heeft betoogd dat bij [A] sprake was van een wilsgebrek, omdat hij de consequenties van de dividenduitkering niet kon overzien, leidt dat niet tot een ander oordeel. Nog los van het feit dat een eventuele dwaling (zoals de gemachtigde kennelijk bepleit) niet leidt tot nietigheid, is niet aannemelijk geworden dat daarvan bij [A] sprake was. De verwijzing naar het onder 2 genoemde rapport acht de rechtbank daartoe onvoldoende. [A] heeft volgens de gemachtigde van eiseres besloten tot uitkering van het dividend op advies van zijn toenmalige accountant. De stelling dat dat (opgevolgde) advies niet juist zou zijn geweest, zoals de gemachtigde betoogt, kan er ook niet toe leiden dat geen dividendbelasting verschuldigd is over de opbrengst.

13. Voor zover eiseres stelt dat geen dividendbelasting verschuldigd is, omdat het dividend feitelijk (nog) niet is uitbetaald en het dividend niet is verwerkt in de jaarrekening voor het jaar 2014, faalt die stelling. Deze feiten doen niet af aan de omstandigheid dat het dividend ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 7, lid 3, van de Wet en dat [A] per 23 december 2014 een opeisbare vordering ter zake van het (netto) dividend op eiseres heeft gekregen.

14. Het op 23 december 2014 ter beschikking gestelde dividend is aan te merken als opbrengst in de zin van artikel 3 van de Wet en ter zake daarvan is terecht door eiseres dividendbelasting ingehouden en afgedragen. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017. De voorzitter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. In haar plaats ondertekent de oudste rechter.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.