Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1616

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
15/800447-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling mishandelingen, vernieling, beschadiging, bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Afwijzing beroep op noodweer wegens het ontbreken van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding nu verdachte naar de slachtoffers is toegelopen.

ISD-maatregel met tussentijdse toets na 9 maanden.

De rechtbank ziet aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt, dat bij de oplegging van de ISD-maatregel geen aftrek wordt toegepast, af te wijken overeenkomstig artikel 38n Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de voorlopige hechtenis in de oude zaken van 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800447-16, 15/800332-15 [inclusief 15/800532-15] (ttzgev), 15/703443-13 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 31 januari 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 januari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 15/800447-16

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] een of meerdere keren (met kracht) op/tegen diens gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of met zijn, verdachtes, (rechter)hand in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gegrepen en heeft getracht diens ogen in te drukken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 1 subsidiair

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een of meerdere keren (met kracht) op/tegen diens gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of met zijn, verdachtes, (rechter)hand in het gezicht van die [slachtoffer 1] te grijpen;

Feit 2

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een of meer ke(e)r(en) op/tegen diens gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen;

Feit 3

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, die scooter vastgepakt en vervolgens omgegooid;

Feit 4

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ambtenaar van politie [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je vermoorden ik ga je fileren en je kankerkinderen ook en je moeder. Ik zoek je op en dit zeg ik niet zomaar ik doe het echt. Ik ga je dan echt vermoorden ik weet je te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 5

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ambtenaar van politie [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik weet waar jouw kinderen op school zitten. Ik ga naar die school en maak jouw kinderen af, ik fileer ze. Ik voer het uit, jouw kinderen worden gefileerd. Je moeder is een kankerhoer en jij bent de duivel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer 15/800332-15

Feit 1 (parketnummer 15/800332-15)

hij op of omstreeks 08 augustus 2015 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een voordeur van een woning aan de [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een steen door voornoemde ruit gegooid;

Feit 2 (parketnummer 15/800532-15)

hij op of omstreeks 23 november 2015 in de gemeente Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel gelegen aan de Grote Beer heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Dekamarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder parketnummer 15/800447-16 onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van alle overige ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken (c.q. te ontslaan van alle rechtsvervolging) van de onder parketnummer 15/800447-16 ten laste gelegde feiten 1 (primair en subsidiair), 2 en 3.

Ten aanzien van de feiten 1 (primair en subsidiair) en 2 heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer omdat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ niet kan worden bewezen. Verdachte werd beide keren aangevallen en heeft vervolgens een klap uitgedeeld ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf. Die geweldshandelingen van verdachte voldeden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte verklaard dat de scooter is omgevallen toen [slachtoffer 2] deze neer wilde zetten. De raadsman wijst erop dat slechts aangever spreekt van het omgooien van de scooter door verdachte, terwijl [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte de scooter omver heeft geschopt.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder parketnummer 15/800447-16 ten laste gelegde feiten 4 en 5 en ten aanzien van de onder parketnummer 15/800332-15 ten laste gelegde feiten 1 en 2.

3.3.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair (parketnummer 15/800447-16) ten laste gelegde feit.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 15/800447-16 ten laste gelegde feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 en de onder parketnummer 15/800332-15 ten laste gelegde feiten 1 en 2.

Parketnummer 15/800447-16

Feit 1 subsidiair

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling op 26 oktober 2016 op de Gedempte Turfhaven te Hoorn. Omstreeks 18.30 uur ziet aangever dat een man enorm te keer gaat terwijl hij bij zijn fiets staat op de hoek van de Mosterdsteeg en het Dal. Op een gegeven moment kijkt de man naar aangever en begint tegen hem te schelden. Aangever zegt: “doe kalm, doe rustig”. Als door de brand gestoken rent de man in de richting van aangever, trekt al rennend zijn jas uit en vliegt op aangever af. Vervolgens ziet en voelt aangever dat de man hem met zijn rechtervuist midden op zijn gezicht slaat. De man raakt aangever op zijn rechteroog en aan de rechterzijde van zijn neus. Aangever voelt gelijk pijn aan zijn oog en neus en zijn neus begint te bloeden. Aangever ziet en voelt dat de man hem slaat en vervolgens ook schopt. De man drukt aangever achterover tegen het hek van het plantsoentje. Jongens, die bij Ömer Döner vandaan kwamen, trekken de man bij aangever vandaan. Aangever heeft pijn aan zijn oog, jukbeen en neus aan de rechterzijde van zijn gezicht. Ook heeft hij pijn aan zijn kaak en kin.2

Verdachte heeft verklaard dat hij aan de overkant op een afstand van 50 meter een man tegen hem hoorde schreeuwen. Verdachte is naar de man toegelopen en heeft hem een klap op zijn neus gegeven nadat de man had uitgehaald en verdachte op zijn oog had geraakt. Door de klap kreeg de man een bloedneus.3

Bewijsverweer

Een beroep op noodweer zou kunnen slagen als er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank is van oordeel dat zo’n ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in dit geval niet aannemelijk is geworden nu niet alleen aangever [slachtoffer 1] maar ook verdachte zelf heeft verklaard dat hij naar [slachtoffer 1] is toegelopen. Verdachte heeft de confrontatie zelf opgezocht. Het beroep op noodweer wordt reeds daarom verworpen.

Feit 2

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van mishandeling op 26 oktober 2016 op de Gedempte Turfhaven te Hoorn. Omstreeks 19.00 uur loopt een man, die aangever kent als “ [bijnaam verdachte] ” naar hem toe en zegt: “moet je ook een pak slaag”?4 Ook [slachtoffer 1] ziet dat verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] had geslagen, op een jongen afvliegt die op een brommer aan komt rijden.5 Aangever [slachtoffer 2] ziet dat [bijnaam verdachte] hem met zijn rechtervuist slaat en voelt dat deze klap zijn bovenlip raakt. Door de klap springt de binnenkant van zijn bovenlip open. Vervolgens ziet aangever dat [bijnaam verdachte] hem op zijn achterhoofd slaat met zijn rechter gebalde vuist. Door de harde klap voelt aangever direct pijn op de plek waar hij geraakt is. Werknemers van de Ömer Döner hebben [bijnaam verdachte] tegengehouden.6

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever een rechtse, recht op zijn bek, heeft gegeven omdat hij zich geïntimideerd voelde.7

Bewijsverweer

De rechtbank is van oordeel dat ook bij dit feit het beroep op noodweer niet slaagt. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] had mishandeld, op de jongen op een brommer afvloog. Ook hier heeft verdachte de confrontatie zelf opgezocht, zodat het beroep op noodweer reeds daarom wordt verworpen.

Feit 3

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn scooter, een zwarte Piaggio Zip, op 26 oktober 2016 op de Gedempte Turfhaven te Hoorn. Aangever parkeert zijn scooter vlak voor de lantaarnpaal ter hoogte van de parkeervlakken aan de zijkant van de weg en ziet verdachte aan komen rennen. Verdachte loopt naar de scooter, pakt deze met twee handen bij het zadel vast en gooit deze omver, waardoor de scooter op de linkerzijde valt. De scooter heeft door de val schade opgelopen, te weten een kapotte linker zijspiegel, een kras op het windscherm en meerdere krassen op de kappen aan de linkerzijde.8 [slachtoffer 1] heeft gezien dat verdachte de scooter omver heeft geschopt.9 Verbalisant [V.] heeft de schade aan het zadel, de spiegel en de kappen gefotografeerd.10

Feit 4

[slachtoffer 4] , werkzaam als operationeel coördinator van het Basisteam Hoorn, heeft namens [slachtoffer 3] aangifte gedaan van bedreiging op 26 oktober 2016 omstreeks 18.45 uur in Hoorn.11 Na een melding dat een agressief persoon in een trainingspak met oranje strepen meerdere personen zou hebben geslagen, is zij met haar collega, verbalisant [P.] , ter plaatse gegaan. In de Mosterdsteeg treft zij de persoon – haar ambtshalve bekend - met genoemd signalement aan. Wanneer [slachtoffer 3] tijdens de aanhouding verdachte te kennen geeft dat hij moet meewerken aan het aanleggen van transportboeien, kijkt verdachte haar aan en zegt hij: “Ik ga je vermoorden, ik ga je fileren en je kankerkinderen ook en je moeder”. “Ik zoek je op en dit zeg ik niet zomaar, ik doe het echt”. “Ik ga je dan echt vermoorden, ik weet je te vinden”. [slachtoffer 3] voelt zich door deze woorden bedreigd en in haar eer en goede naam aangetast.12 Verbalisant [P.] ziet ook dat verdachte zich tot [slachtoffer 3] wendt, naar haar wijst en roept: “Kankerhoer, ik ga je vermoorden! Ik ga je fileren! Ik ga jou en je kinderen vermoorden! En ook je kankerkinderen en je moeder ook!” Als zij verdachte aanhouden ziet [P.] dat verdachte zijn hoofd afwendt in de richting van collega [slachtoffer 3] en hoort hij hem roepen: “Jij bent het altijd, ik ga dit onthouden en ik ga jou vermoorden, ik fileer je!” Tijdens het schreeuwen heeft verdachte een waanzinnige blik in zijn ogen.13 Ook verbalisant [S.] hoort verdachte tegen collega [slachtoffer 3] schreeuwen: “vuile kankerhoer, jij weer he. Ik maak je dood. Ik ga je fileren en ook jouw moeder en kinderen. Ik maak ze allemaal dood. Kankerhoer.” Verdachte schreeuwt zo hard dat het voor de in de nabijheid aanwezige burgers hoorbaar is.14

Overige feiten

Nu verdachte ten aanzien van feit 5 (parketnummer 15/800447-16) en de feiten 1 en 2 (parketnummer 15/800332-15) heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 5

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 37 en 38.

Parketnummer 15/800332-15

Feit 1

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [M.D.] namens [slachtoffer 5] , p. 4 en 5;

  • -

    twee geschriften, zijnde foto’s van de kapotte ruit en de vernielde deur, p. 6 en 8.

Feit 2 (parketnummer 800532-15)

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    proces-verbaal van aangifte van [O.] namens Dekamarkt, p. 24 t/m 26.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 (van parketnummer 15/800447-16) en de onder 1 en 2 (van parketnummer 15/800332-15) ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Parketnummer 15/800447-16

Feit 1 subsidiair

hij op 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meerdere keren met kracht tegen diens gezicht te slaan en tegen het lichaam te schoppen;

Feit 2

hij op 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen diens gezicht en op diens hoofd te stompen;

Feit 3

hij op 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd, immers heeft hij, verdachte, die scooter vastgepakt en vervolgens omgegooid;

Feit 4

hij op 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ambtenaar van politie [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je vermoorden ik ga je fileren en je kankerkinderen ook en je moeder. Ik zoek je op en dit zeg ik niet zomaar ik doe het echt. Ik ga je dan echt vermoorden ik weet je te vinden”;

Feit 5

hij op 26 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ambtenaar van politie [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik weet waar jouw kinderen op school zitten. Ik ga naar die school en maak jouw kinderen af, ik fileer ze. Ik voer het uit, jouw kinderen worden gefileerd. Je moeder is een kankerhoer en jij bent de duivel";

Parketnummer 15/800332-15

Feit 1 (parketnummer 15/800332-15)

hij op 8 augustus 2015 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een voordeur van een woning aan de [adres] ), toebehorende aan [slachtoffer 5] , heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, een steen door voornoemde ruit gegooid;

Feit 2 (parketnummer 800532-15)

hij op 23 november 2015 in de gemeente Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel gelegen aan de Grote Beer heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, toebehorende aan de Dekamarkt.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 (van parketnummer 15/800447-16) en onder 1 en 2 (van parketnummer 15/800332-15) meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 15/800447-16

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

telkens: mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

Ten aanzien van feiten 4 en 5:

telkens: bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

Parketnummer 15/800332-15

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 15/800532-15):

diefstal

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft nadrukkelijk verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Verdachte is niet vergelijkbaar met de gemiddelde ISD-klant, die veelvuldig strafbare feiten pleegt. Verdachte heeft tussen 23 november 2015 (de winkeldiefstal) en de zaken van 26 oktober 2016 geen andere lopende zaken staan, noch andere veroordelingen, alleen drie sepots. Verdachte pleegt niet aan de lopende band strafbare feiten.

Voorts kan uit de weigerachtige houding van verdachte ten aanzien van de reclassering en hulpverlening (impliciet) worden afgeleid dat verdachte niet ontvankelijk is voor interventies. Het is dan de vraag wat een ISD-maatregel te bieden heeft boven een kale gevangenisstraf. De raadsman verwijst naar een artikel van mr. M.J. Borgers15 waarin wordt gesteld dat de oplegging en tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel dan wel tot bescherming van de maatschappij leidt, maar dat van een (structurele) bijdrage aan de beëindiging van de recidive dan geen sprake is.

Verder wijst de raadsman erop dat de ISD-maatregel hoge kosten met zich meebrengt terwijl uit de cijfers16 blijkt dat 72% binnen twee jaar na uitstroom uit de ISD opnieuw met justitie in aanraking komt wegens een strafbaar feit.

De raadsman verzoekt primair verdachte een (wellicht wat hogere) gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair verzoekt de raadsman verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen onder de algemene voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd van twee jaren geen strafbare feiten pleegt. Meer subsidiair pleit de raadsman om bij het opleggen van de ISD-maatregel een termijn van 1 jaar te bepalen, of anders in ieder geval een tussentijdse toets in te lassen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft voorbijgangers de stuipen op het lijf gejaagd door hen zonder enige aanleiding agressief te benaderen en te mishandelen. Verdachte gooide ook de scooter van een van de voorbijgangers om, waardoor de scooter aanzienlijke schade heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte bij zijn aanhouding en op het politiebureau verbalisanten en hun gezinnen met de dood bedreigd. Verder heeft verdachte omstreeks kwart voor zes in de ochtend een ruit in een voordeur vernield. Verdachte wilde de woning in om bier uit de koelkast te halen. Toen hem door de wakker geworden bewoner de toegang tot de woning werd ontzegd, heeft hij een kei door het raam gegooid. Tenslotte heeft verdachte meerdere pakken vlees bij de Dekamarkt gestolen.

De vernielingen en de diefstal zijn ergerlijke feiten. Eigenaren moeten erop kunnen vertrouwen dat anderen van hun eigendommen afblijven. Het doen van aangifte en het (laten) herstellen van de schade kost daarnaast ook nog eens veel tijd en geld. Vernieling van een ruit van een woning in de vroege ochtenduren brengt bovendien gevoelens van onveiligheid mee voor zowel de bewoner als de woonomgeving.

Maar met name de mishandelingen en de bedreigingen rekent de rechtbank verdachte zeer aan. Zonder enige aanleiding heeft verdachte zich bijzonder agressief en dreigend opgesteld tegenover willekeurige slachtoffers en verbalisanten. Dergelijke gedragingen brengen niet alleen bij de slachtoffers en verbalisanten, maar ook bij omstanders en in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 14 januari 2016 van [naam] als reclasseringswerkster verbonden aan Tactus Reclassering Flevoland. In het rapport is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld.

Betrokkene is een 28-jarige verdachte die niet wil meewerken aan een gesprek met de reclassering. Het niet bereid zijn mee te werken aan onderzoeken (in het kader van reclasseringsadviezen en Pro Justitia) lijkt een patroon te zijn. Er is meermalen gepoogd in de vorm van een reclasseringsadvies of onderzoek Pro Justitia om de problematiek van betrokkene duidelijk te krijgen. Door toedoen en de houding van betrokkene is er vooralsnog weinig informatie over betrokkene bekend. Meerdere malen is een reclasseringstoezicht opgelegd, waarbinnen is gepoogd betrokkene te begeleiden en toe te leiden naar zorg. Deze pogingen zijn gestrand en resulteerden in een voortijdige negatieve beëindiging van het reclasseringscontact. Tot heden is ontvankelijkheid en responsiviteit voor behandeling / begeleiding afwezig gebleven.

De combinatie van de delictfrequentie, de afwezige motivatie, de negatieve houding tegenover de reclassering, het negatieve verloop van eerdere toezichten, wijst op de noodzaak en wenselijkheid van een ISD-maatregel. Betrokkene voldoet aan de criteria die eraan gesteld worden om een ISD-maatregel op te leggen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 3 januari 2017 van [naam] als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ Reclassering Palier te Haarlem. In het rapport is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld.

Betrokkene, thans 29 jaar, staat geregistreerd als zeer actieve veelpleger. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van vermogens- en geweldsdelicten. Het huidige delict maakt onderdeel uit van dit patroon.

Ten aanzien van zijn huidige leefomstandigheden ontbreekt het de reclassering aan informatie. Er zijn vermoedens van middelenproblematiek en psychische problematiek, maar het ontbreekt aan een actuele diagnose. Betrokkene is een zorgwekkende zorgmijder en heeft tot op heden een weigerende houding ten aanzien van hulpverlening en ten aanzien van reclasseringscontacten. Alle toezichten binnen een voorwaardelijk kader zijn negatief geretourneerd en sinds maart 2015 weigert betrokkene elk gesprek met de reclassering. Hierdoor is de reclassering niet in staat binnen het reguliere voorwaardelijke kader om het zeer hoog recidive- en gevaarsrisico, waarbij er een grote kans is op letselschade, te verminderen. In de visie van de reclassering zou alleen nog een onvoorwaardelijk ISD-kader een mogelijkheid zijn om betrokkene te bewegen richting gedragsverandering en de noodzakelijke hulpverlening een kans van slagen te geven.

Geadviseerd wordt om betrokkene een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen de ISD-maatregel zal diagnostiek als eerste verkregen dienen te worden, waarna betrokkene toegeleid kan worden naar een passende forensische behandeling/kliniek. In de praktijk blijkt dat veelplegers binnen de maatregel wél passende hulp accepteren die eerder vermeden werd.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam] het advies onderschreven. Binnen de ISD kunnen de casemanager en hulpverlening verdachte stimuleren voor een behandeling, eventueel in een klinische setting. Wel vaker wordt gezien, dat in aanvang niet gemotiveerde betrokkenen naar verloop van tijd wel ontvankelijker zijn voor behandeling.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij levensmoe is. Als hij niet gedetineerd is, verblijft hij bij zijn schoonzus in Wieringerwaard of in het bos bij Scharwoude. Daar trekt hij zich terug, heeft hij verdriet, drinkt hij biertjes en rookt hij jointjes.

Uit het vorenstaande maakt de rechtbank op dat verdachte wel bij hulpinstanties in beeld komt, maar dat het de diverse instanties – gelet op verdachtes zorgmijdende houding - niet lukt hem de nodige zorg te verlenen. Uit het sfeerproces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (parketnummer 15/800447-16, p. 49 e.v.) blijkt, dat verdachte door verschillende instanties wordt betiteld als ‘een lopende tijdbom’. Zijn ernstige, agressieve, overlast gevende, ongewenste gedragingen, verdovende middelengebruik en strafrechtelijk gedrag geven een uiterst onacceptabele en soms gevaarlijke situatie weer.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt weliswaar dat verdachte tussen 23 november 2015 (de winkeldiefstal) en de zaken van 26 oktober 2016 niet is vervolgd voor strafbare feiten, maar dat neemt niet weg dat er wel politiecontacten zijn geweest, die evenwel niet tot vervolging hebben geleid. Niet alle zaken zijn geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Er is ook een sepot omdat de verhouding tot de benadeelde is geregeld (28 januari 2016). Al met al gaat het niet steeds om strafbare feiten waarvoor verdachte vervolgd wordt, maar het is wel een teken dat er steeds wat aan de hand is.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dringend hulp nodig heeft, voor zichzelf om weer hoop voor de toekomst te krijgen, en voor de maatschappij om de overlast die verdachte veroorzaakt te stoppen. Een succesvolle hulpverlening heeft, gezien verdachtes zorgmijdende houding, naar het oordeel van de rechtbank alleen kans van slagen tijdens het traject van de ISD-maatregel.

De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de afgelopen vijf jaren meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan, er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen/goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd.

De rechtbank acht een voorwaardelijke ISD-maatregel niet aangewezen nu is gebleken dat de proeftijd waarin verdachte liep (parketnummer 15/703443-13) en de schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden (parketnummer 15/800532-15), verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het wettelijk uitgangspunt is dat bij de oplegging van de ISD-maatregel geen aftrek wordt toegepast. Verdachte heeft echter ook in de zaken uit 2015 in voorlopige hechtenis gezeten. De rechtbank ziet daarin aanleiding om overeenkomstig artikel 38n Wetboek van Strafrecht van voormeld uitgangspunt af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in de zaken uit 2015 (parketnummers 15/800332-15 en 15/800532-15) in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (in totaal 45 dagen), hierop in mindering dient te worden gebracht.

De rechtbank gaat ervan uit dat binnen de ISD-instelling zo snel mogelijk een diagnostisch onderzoek zal plaatsvinden en een behandelplan zal worden opgesteld en dat verdachte – voor zijn eigen bestwil – daaraan meewerkt. De rechtbank zal daarom bepalen dat na negen maanden een tussentijdse toetsing van de maatregel dient plaats te vinden om daarover te worden geïnformeerd.

Gezien het vorenstaande en de te nemen beslissing, is opheffing van de voorlopige hechtenis zoals door de raadsman verzocht niet aan de orde. De rechtbank zal wel het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis, gegeven in de zaak met parketnummer 15/800532-15 (= feit 2 parketnummer 15/800332-15) opheffen.

7 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 413,77 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit (parketnummer 15/800447-16) zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 13,77 aan reiskosten naar Slachtofferhulp en een bedrag van € 400,00 ter vergoeding van de immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht het gehele bedrag toe te wijzen.

De raadsman heeft primair verzocht – gelet op de door hem bepleite vrijspraak - de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vergoeding aan immateriële schade te matigen en heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verzochte vergoeding van de reiskosten.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 subsidiair (parketnummer 15/800447-16) bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 300,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Dat bedrag is in overeenstemming met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 313,77 vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.610,03 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten (parketnummer 15/800447-16) zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    € 832,67 schade aan de scooter

  • -

    € 477,36 schade aan de jas

  • -

    € 300,00 immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde vergoeding wegens schade aan de scooter en wegens immateriële schade toe te wijzen. De benadeelde partij dient ten aanzien van de gevorderde schade aan de jas niet ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Bovendien blijkt de schade aan de jas niet uit de aangifte.

De raadsman heeft primair verzocht – gelet op de door hem bepleite vrijspraak - de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vergoeding aan immateriële schade te matigen tot € 150,00 of € 200,00. Voorts komt de schade aan de spiegel en het windscherm voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij dient voor het overige niet ontvankelijk te worden verklaard nu het onderzoek naar de overige schade aan de scooter en aan de jas een te grote belasting voor het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan desgewenst bij de civiele rechter een vordering instellen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade aan de achterbodycover, voorkap, onderspoiler, windscherm en spiegel rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 (parketnummer 15/800447-16) bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de schade aan het zadel en de jas onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 2] was niet ter terechtzitting aanwezig om een mondelinge toelichting te geven op deze gevorderde schade.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade, voortvloeiend uit het onder 2 (parketnummer 15/800447-16) bewezen verklaarde feit, tot een bedrag van € 300,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Dat bedrag is in overeenstemming met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen.

Totaal zal worden toegewezen:

  • -

    Achterbodycover € 248,84

  • -

    Voorkap 196,50

  • -

    Onderspoiler 33,54

  • -

    Windscherm 115,00

  • -

    Spiegel 12,45

  • -

    2 uur arbeidsloon 115,00

  • -

    Immateriële schade 300,00

Totaal € 1.021,33

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder de feiten 1, 2 en 3 (parketnummer 15/800447-16) bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: tweemaal mishandeling en vernieling] aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 16 januari 2014 (op tegenspraak, gemachtigd advocaat) in de zaak met parketnummer 15/703443-13 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland te Alkmaar verdachte ter zake van poging diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 7 september 2015 opgesteld.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 14 april 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen gezien de verzochte ISD-maatregel.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op haar beslissing in de hoofdzaken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 38m, 38n, 57, 285, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair (parketnummer 15/800447-16) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 (parketnummer 15/800447-16) en de onder 1 en 2 (parketnummers 15/800332-15 en 15/800532-15) ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.5. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in bovenstaande zaken onder parketnummers 15/800332-15 en 15/800532-15 (45 dagen) in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, hierop in mindering dient te worden gebracht.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 313,77 (zegge: driehonderddertien euro en zevenenzeventig cent), bestaande uit € 13,77 voor de materiële en € 300,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 313,77 (zegge: driehonderddertien euro en zevenenzeventig cent), bestaande uit materiële schade (€ 13,77) en immateriële schade (€ 300,00), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.021,33 (zegge: eenduizend eenentwintig euro en drieëndertig cent), bestaande uit € 721,33 voor de materiële en € 300,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de wettelijk vertegenwoordigers van [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.021,33 (zegge: eenduizend eenentwintig euro en drieëndertig cent), bestaande uit materiële schade (€ 721,33) en immateriële schade (€ 300,00), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 16 januari 2014 in de zaak met parketnummer 15/703443-13 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte in de zaak met parketnummer 15/800532-15 (= feit 2 van parketnummer 15/800332-15).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. H.E. van Harten en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2016.

Mr. Tuijp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in het vonnis als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 P-v aangifte [slachtoffer 1] met bijlagen (2 foto’s), p. 28 t/m 31.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

4 P-v aangifte [slachtoffer 2] , p. 32 en 33.

5 P-v aangfite [slachtoffer 1] , p. 29.

6 P-v aangifte [slachtoffer 2] , p. 33 en een geschrift, zijnde een foto van de binnenkant van de lip van [slachtoffer 2] , p. 16.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

8 P-v aangifte van [slachtoffer 2] , p. 32 en 33.

9 P-v aangifte van [slachtoffer 1] , p. 29.

10 P-v bevindingen p. 15 met als bijlagen geschriften, te weten een zevental foto’s, p. 17 t/m 23.

11 P-v aangifte van [slachtoffer 4] , p. 35 en 36.

12 P-v bevindingen [slachtoffer 3] , p. 5 en 6.

13 P-v bevindingen [P.] , p. 11 en 12.

14 P-v bevindingen [S.] , p. 8.

15 Delikt & Delinkwent 2005, nr. 5, p. 467-489.

16 WODC 2012: Effecten van de ISD-maatregel.