Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:161

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3944
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verzoeken van eisers om planschade terecht afgewezen nu sprake was van voorzienbaarheid. De beroepen worden ongegrond verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/3944, 15/3945, 15/3946 en 15/3947

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2017 in de zaken tussen

1 [eisers 1] , te [woonplaats 1] , (HAA 15/3944)

(gemachtigde: mr. R. Visser),

2 [eisers 2] , te [woonplaats 2] , (HAA 15/3945)

(gemachtigde: mr. R. Visser),

3 [eisers 3] , te [woonplaats 3] , (HAA 15/3946)

(gemachtigde: mr. R. Visser),

4 [eiser] , te [woonplaats 4] , (HAA 15/3947)

(gemachtigde: mr. R. Visser),

Samen te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder

(gemachtigden: T.H.M.J. van der Geest-Beentjes en M.S. de Jonge).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder het verzoek van [eisers 1] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten van 13 februari 2015 (de primaire besluiten II, III en IV) heeft verweerder de verzoeken van [eisers 2] , [eisers 3] en [eiser] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juli 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eisers, met uitzondering van [eisers 1] , zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en mr. [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van [naam 2] , werkzaam bij [naam 4] . Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers [eisers 1] wonen aan de [adres 1] . Op 5 juni 1999 hebben zij hun appartement gekocht. Eisers [eisers 2] wonen aan de [adres 2] . Zij hebben hun appartement gekocht op 13 april 1999. Eisers [eisers 3] wonen aan de [adres 3] . Zij hebben op 24 maart 2006 hun appartement gekocht. Eiser [eiser] woont aan de [adres 4] . Hij heeft op 8 april 1999 zijn appartement gekocht.

2. Eisers hebben verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de door verweerder bij besluit van 22 januari 2009 verleende bouwvergunning eerste fase en vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het oprichten van een appartementencomplex op het perceel [adres 5] . Het besluit is op 11 februari 2011 onherroepelijk geworden. In het appartementengebouw worden zeven appartementen gerealiseerd. Het gebouw krijgt drie bouwlagen met twee appartementen per laag en een vierde bouwlaag met een penthouse. Eisers wonen in de directe omgeving van het perceel [adres 5] . Zij geven in hun aanvragen aan dat ze als gevolg van deze nieuwbouw schade ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun woning. De schade en hinderfactoren betreffen aantasting van het uitzicht, beperking van de lichtinval, verlies van privacy, intensivering van het leef- en verblijfsklimaat, het inboeten van situeringswaarde en overlast door verkeer en parkeren.

3.1

Ter beoordeling van de onderhavige verzoeken om een tegemoetkoming in planschade heeft verweerder de verzoeken ter advisering voorgelegd aan het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur, thans genaamd [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 4] heeft in de adviezen van 9 januari 2015 geadviseerd een tegemoetkoming in de planschade af te wijzen. In zijn adviezen komt [naam 4] tot de conclusie dat de inwerkingtreding van het nieuwe planregime voor eisers nadelen heeft meegebracht in de vorm van een gering uitzichtverlies, enigszins verminderde zonlichttoetreding, een beperkt verminderde privacy en een enigszins verminderde situeringswaarde.

3.2

De adviseur concludeert vervolgens dat dit planologische nadeel voor eisers ten tijde van de aanschaf van hun appartement voorzienbaar was, zodat een hieruit voortvloeiende waardevermindering voor hun eigen rekening behoort te blijven. Uit de structuurschets, de notitie “Uitgangspunten bebouwing locaties 1/14” en het bestemmingsplan “Centrum Heemskerk”, dat op 31 oktober 1991 is vastgesteld door de raad, is duidelijk een toekomstige ontwikkeling in de vorm van woonbebouwing af te leiden. Ook met het verlenen van de vrijstelling van 3 maart 1998 (waarmee de bouw van het appartementencomplexen waarin eisers wonen mogelijk is gemaakt) wordt dit beleidsvoornemen ten aanzien van onderhavige locatie herhaald en bekrachtigd. Eisers hadden ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van hun appartementen (op 8 april 1999, 13 april 1999, 5 juni 1999 en 24 maart 2006, de zogenoemde peildata) rekening moeten houden met de kans dat de planologische situatie in nadelige zin voor hen zou kunnen wijzigen. Nu de mogelijkheid voor woningbouw op de betreffende bouwlocatie met gebruikmaking van de geldende wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan is opgenomen en openbaar is gemaakt, is dat voldoende om voorzienbaarheid aan te kunnen nemen.

4. Verweerder heeft de verzoeken onder verwijzing naar het advies van [naam 4] afgewezen, nu de schadeoorzaak voorzienbaar was, zoals bedoeld in artikel 6:3 van de Wet ruimtelijke ordening. De afwijzing van de verzoeken is in bezwaar gehandhaafd. Voorts wijst verweerder op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 juli 2015 in de zaak [naam 5] (ECLI:NL:RVS:2015:2061). In deze zaak heeft de Afdeling de afwijzing van het verzoek van [naam 5] om een tegemoetkoming de planschade in stand gelaten. De parallellen tussen de zaak [naam 5] en de onderhavige zaken zijn dusdanig dat verweerder van mening is dat op basis van deze uitspraak ook kan worden geconcludeerd dat het planologisch nadeel voor eisers voorzienbaar was. Verweerder geeft aan dat de vrijstellingen voor de appartementencomplexen van eisers en [naam 5] in 1998 zijn verleend en dat de verzoeken om tegemoetkoming in planschade betrekking hebben op dezelfde wijzigingslocatie.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de voorzienbaarheid van een planologische wijziging beoordeeld dient te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft of dat vaststaat dat die planologische ontwikkeling zal worden gerealiseerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:757).

6.1.

Eisers stellen dat van voorzienbaarheid geen sprake is. Zij wijzen allereerst op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2014 in de zaak [naam 5] . Deze uitspraak is door de Afdeling vernietigd in de hierboven genoemde uitspraak van 1 juli 2015. Eisers kunnen zich niet vinden in deze uitspraak van de Afdeling. Het betrof in die zaak volgens eisers een andere ruimtelijke ontwikkeling, namelijk de Regenboog-locatie aan de [straat 1] . Eisers zijn van mening, in lijn met de uitspraak van de rechtbank van 30 juni 2014, dat van voorzienbaarheid geen sprake was.

6.2.

Met de uitspraak van 1 juli 2015 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2014 vernietigd. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om aan de uitspraak van de Afdeling voorbij te gaan. De rechtbank kan eisers dan ook niet volgen in hun stellingen voor zover deze zijn gebaseerd op de uitspraak van de rechtbank van 30 juni 2014.

7.1.

Eisers stellen dat geen sprake is van een concreet beleidsvoornemen waaruit zij konden opmaken dat ze met het forse bouwplan op het naastgelegen perceel rekening moesten houden. Als al een concreet beleidsvoornemen uit de stukken zou blijken dan ziet deze ontwikkeling op de [straat 1] maar niet op de [straat 2] . De mogelijkheid tot woningbouw is volgens eisers reeds in 1998 benut.

7.2.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stelling dat het in de structuurvisie of bij de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan “Centrum Heemskerk” uitsluitend ging om de [straat 1] en niet om de [straat 2] . Uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt ondubbelzinnig dat het gaat om het gehele gebied tussen de [straat 2] en de [straat 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de plaatsing van het cijfer 4 op de plankaart van het bestemmingsplan niet worden afgeleid dat deze wijzigingsbevoegdheid niet geldt voor de [straat 2] . Uit de plankaart blijkt duidelijk dat het perceel aan de [straat 2] ook binnen de grens van de wijzigingsbevoegdheid valt.

8.1.

Eisers stellen dat zij in geen enkel opzicht rekening hoefden te houden met hoogbouw op het naast hun appartement gelegen perceel. Voordat zij hun appartement hebben gekocht hebben zij het bestemmingsplan geraadpleegd en hieruit bleek dat door vernietiging van de wijzigingsbevoegdheid er geen grondslag voor een ruimtelijke ontwikkeling aanwezig was. Nergens in de “structuurschets” wordt gesproken over hoogbouw. Uit de visie van de gemeenteraad volgt juist dat aansluiting gezocht diende te worden bij bestaande verspreid gelegen woonbebouwing. Ten tijde van het schrijven van deze “structuurschets” was aan de [straat 2] nog geen sprake van hoogbouw. Met het oprichten van het appartementencomplex in 1998 aan de [straat 1] is 90% van de

2000 m² maximaal mogelijke oppervlakte aan bebouwing gebouwd. Eisers hoefden dan ook geen rekening te houden met verdere nadelige ontwikkelingen. Dat zij geen rekening hoefden te houden met hoogbouw blijkt ook uit de aanwezigheid van een zeer karakteristieke woning en een monumentale boom op het perceel [adres 5] . Zij hoefden alleen rekening te houden met hoogbouw (frontvorming) aan de zijde van de [straat 1] .

8.2.

Dit betoog faalt. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het aannemen van voorzienbaarheid niet is vereist dat een planologische verandering in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:763). Beslissend is of op het moment van investering, de aankoop van de woning, de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening moest worden gehouden. In de toelichting van het bestemmingsplan “Centrum Heemskerk” staat dat voor het gehele gebied tussen de [straat 2] en [straat 1] is afgezien van de systematiek van het globale eindplan voor beide locaties vanwege het ontbreken van een eindbeeld. In de structuurschets wordt aangegeven dat de zijde aan de [straat 2] zich bij een nadere uitwerking goed zou lenen voor een bebouwingsvorm die verwantschap vertoont met de bestaande verspreid gelegen woonbebouwing en dat langs de [straat 1] enige frontvorming voor de hand ligt. Anders dan eisers vermag de rechtbank niet in te zien dat met de bouw van het in geding zijnde appartementencomplex wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan deze beleidsvoornemens, te minder nu de bouw van het in geding zijnde appartementencomplex past in het straatbeeld ter plekke en sterke gelijkenis vertoont met het naastgelegen appartementencomplex van eisers [eisers 1] en [eisers 2] zelf. Ten tijde van de aankoop van hun appartementen was derhalve al geen sprake meer van uitsluitend laagbouw in de [straat 2] .

8.3.

In artikel 19, zevende lid, onder b van de planregels van het bestemmingsplan “Centrum Heemskerk” is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hierin staat als voorwaarde voor de wijziging van de bestemming dat de oppervlakte van de bouwvlakken niet meer mag bedragen dan 2000 m². De stelling van eisers dat reeds in 1998 90% van de 2000 m² was bebouwd kan de rechtbank niet volgen. Ter zitting heeft derde-partij een berekening laten zien van de totale oppervlakte van de gerealiseerde bebouwing in 1998 in het gebied waarvoor de wijzigingsbevoegdheid van artikel 19, zevende lid, onder b van de planregels geldt. Nu eisers hun stelling niet hebben onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze berekening te twijfelen. Ten tijde van de aankoop van hun woning konden eisers er daarom niet van uitgaan dat er niet voldoende bouwvlak meer over was voor het bouwen van een appartementencomplex zoals nu is gerealiseerd op het perceel [adres 5] .

9.1.

Eisers [eisers 2] stellen dat zij voorafgaand aan het tekenen van de koopovereenkomst van hun appartement in 1999 bij de gemeente hebben geïnformeerd naar de ontwikkelingen in het gebied. De ambtenaar van de bouwkundige dienst die hun te woord stond heeft hun verzekerd dat de laagbouwwoning op het perceel [adres 5] niet zou verdwijnen, omdat dit zou passen in het beeld van de [straat 2] . Zij hebben vervolgens besloten om het appartement te kopen. Zij hebben zich erg overvallen gevoeld door het besluit het perceel [adres 5] te bebouwen.

9.2.

De rechtbank vat het betoog van eisers [eisers 2] op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Eisers [eisers 2] hebben geen stukken overgelegd waarmee zij hun stelling onderbouwen dat de genoemde ambtenaar de door hen gestelde toezeggingen heeft gedaan. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in het geval deze ambtenaar de gestelde toezeggingen zou hebben gedaan maar hij daartoe niet beslissingsbevoegd was, verweerder niet gebonden zou zijn aan deze toezegging. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

10. Eisers [eisers 3] hebben hun woning in 2004 gekocht, een aantal jaren later dan de overige eisers. Voor zover zij hebben betoogd dat uit de Structuurvisie Heemskerk uit 2003 en de Centrumvisie 2004 zou volgen dat op het perceel [adres 5] niet zou worden gebouwd, kan de rechtbank dit niet volgen. De rechtbank leest in deze documenten nergens dat woningbouw op het perceel [adres 5] is uitgesloten. In de Centrumvisie 2004 is opgenomen dat bij nieuwbouw moet worden aangesloten bij de bebouwingshoogte in de omgeving. Dit wil zeggen hooguit één laag extra ten opzichte van omliggende bebouwing. Het appartementencomplex dat gebouwd is op het perceel [adres 5] heeft een laag meer (het penthouse) dan het appartementencomplex waarin eisers wonen. Het bouwplan voor [adres 5] wijkt in die zin ook niet af van deze Centrumvisie.

11. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat indien een planologische ontwikkeling geheel voorzienbaar is, de omvang van de schade niet hoeft te worden bepaald en de vraag of de eventuele schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort, niet beantwoord hoeft te worden (ECLI:NL:RVS:2016:2582). Nu de rechtbank van oordeel is dat de planologische ontwikkeling voor eisers geheel voorzienbaar was, zal de rechtbank de beroepsgronden van eisers die betrekking hebben op het normaal maatschappelijk risico en de omvang van de schade buiten bespreking laten.

12. De beroepen zijn ongegrond. Voor proceskostenveroordelingen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en mr.drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.