Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1589

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
252048 KG ZA 16-947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Partijen ieder 50% aandelen in BV. Nier aannemelijk overeenkomst levering aandelen. Aanbod en aanvaarding art. 6:221 BW. Wel bijdrageplicht in maandelijkse lasten BV uit hoofde aandeelhoudersovereenkomst en gedaagde aandeelhouder is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0091
AR 2017/1386

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/252048 / KG ZA 16-947

Vonnis in kort geding van 7 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E. Hoekstra te Alkmaar ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.V. Vermeij te Alkmaar .

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

  • -

    de brief van mr. Hoekstra van 24 januari 2017, waarin wordt meegedeeld dat de onderhandelingen tussen partijen niet tot overeenstemming hebben geleid en zij daarom eenstemmig verzoeken om het wijzen van vonnis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] houden ieder beide 50% van de aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [gedaagde] & [eiser] Vastgoed B.V., gevestigd in Alkmaar (hierna: de vennootschap).

2.2.

De vennootschap is eigenaar van een wooncomplex aan de Toussainstraat 17, 19, 19 A en Prins Hendrikstraat 7A in Alkmaar en een stuk grond aan de Edisonweg in Alkmaar .

2.3.

Partijen zijn tevens gezamenlijk aandeelhouders geweest van de besloten vennootschap Aannemersbedrijf [gedaagde] & [eiser] B.V., gevestigd in Alkmaar (hierna: het aannemersbedrijf). Ook in bedrijf waren zij ieder voor 50% aandeelhouder.

2.4.

In 2013 hebben partijen besloten om de zakelijke banden te verbreken. Op 30 december 2013, heeft [eiser] de aandelen van [gedaagde] in het aannemersbedrijf

overgenomen.

2.5.

Eind 2014 zijn de onderhandelingen gestart met betrekking tot de koop en verkoop van de aandelen in de vennootschap.

2.6.

Op 6 april 2016 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen partijen.

[gedaagde] heeft (om 17:35 uur) geschreven: “Ik heb even overleg gehad met Pascal en wat we vergeten zijn is dat er ook winst is gemaakt in Q1 van 2016 en daar is al in afgelost voor de grond, dus wil ik graag het volgende voorstellen zodat het eerlijk verloopt. We laten de winst voor dit kwartaal buiten beschouwing maar dan wil ik de winst van vorig jaar delen, dus dan wordt het overname bedrag € 4.000.

Ik hoop dat jij je hier in kan vinden.”

Om 19:26 uur heeft [eiser] geantwoord: “ Ik ben van mening dat wat we gisteren hebben afgesproken een duidelijk gemaakte afspraak is. Maar goed ik wil het op een goede manier afsluiten dus wil het verschil delen en het op € 3.000,00 afmaken.”

Om 20:06 uur heeft [gedaagde] geantwoord: “ ik wil het ook op een goede manier afsluiten, daarom wil ik ook de winst van dit jaar laten zitten. Net als de aflossing van de grond van vorig jaar. Het overname bedrag blijft dan € 4.000,-- en de te maken kosten zijn voor de koper.

Om 20:43 uur heeft [eiser] geantwoord: “ Ik ga akkoord met het voorstel. Ik ga er vanuit dat je het geen probleem zal vinden als ik al werkzaamheden ga uitvoeren op het stuk grond Voordat de overdracht heeft plaats gevonden. Graag je akkoord op dit definitieve voorstel.”

Om 21:31 uur heeft [gedaagde] geschreven: “ Dan hebben we een deal! Prima als je eerder begint.”

2.7.

In de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 25 april 2016 is gekomen tot aanvaarding van het ontslag van [gedaagde] als bestuurder van de vennootschap. [gedaagde] is daarop uitgeschreven als bestuurder van de vennootschap. Ook is [gedaagde] door de Rabobank ontslagen van zijn verplichtingen uit hoofde van de financiering die door de Rabobank aan de vennootschap is verstrekt.

2.8.

Op 4 juni 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde] een concept-aandelenkoopovereenkomst gestuurd. In artikel 3.6. is opgenomen: “Niettegenstaande het bepaalde in lid 5 komen Koper, Verkoper en Mede-eigenaar overeen, dat zij gezamenlijk (naast de Vennootschap) verantwoordelijk blijven voor garantieaanspraken die voortvloeien uit de reeds opgeleverde projecten ‘Lindenlaan’ en ‘Emmastraat’(…).”

In artikel 4.7. is opgenomen: “ Wat betreft de garanties met betrekking tot fiscale claims, naheffingen etc., komen partijen overeen, dat eventuele fiscale claims en naheffingen die (nog) aan de Vennootschap worden opgelegd over de periode van voor de datum van levering tezamen door Verkoper en Koper zullen worden gedragen (…)”.

2.9.

Bij e-mails van 9 juni 2016 en 19 juni 2016 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven –samengevat – dat hij niet akkoord gaat met de inhoud van de concept-aandelenovereenkomst, zolang de artikelen 3.6. en 4.7. daarvan onderdeel uitmaken.

2.10.

Bij e-mail van 30 juni 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven: “De overeenstemming op de prijs van € 4.000- was uiteraard met in het achterhoofd dat wij dan nog wel samen verantwoordelijk bleven voor de garantie op de ontwikkeling en bepaalde fiscale (mogelijke) claims. (…). Dan heb ik liever dat het blijft zoals het is. (…)”.

2.11.

Bij e-mail van 28 juli 2016 heeft [gedaagde] aan [eiser] geantwoord: “Hieruit concludeer ik dat we niet tot een overeenstemming zijn gekomen. Ik zal uitzoeken of ik met een nieuw voorstel kan komen.”

2.12.

Bij e-mail van 17 oktober 2016 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] een concept-aandelenovereenkomst gestuurd, waarin de bepalingen 3.6. en 4.7. zijn verwijderd. [gedaagde] is verzocht deze overeenkomst te komen ondertekenen ten overstaan van de notaris. [gedaagde] heeft dit geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

primair:

I. [gedaagde] te veroordelen over te gaan tot levering van de door hem gehouden aandelen in de vennootschap aan [eiser] tegen een koopprijs van € 4.000,00 en om in dat verband op eerste afroep van [eiser] en/of de door [eiser] in te schakelen notaris, voor deze notaris te verschijnen, teneinde medewerking te verlenen aan het passeren van de daartoe op te stellen akte;

II. [gedaagde] daarbij tevens te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot ondertekening van de schriftelijke koopovereenkomst;

III. te bepalen dat [gedaagde] , overeenkomstig artikel 3:300 BW, gehouden is tot de hiervoor omschreven aandelenoverdracht en dat dit vonnis in de plaats zal treden van de koopovereenkomst, indien [gedaagde] weigert zijn medewerking te verlenen;

IV. [gedaagde] te veroordelen in het bovenstaande op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 25.000,- per dag;

V. te bepalen dat de kosten verbonden aan de overdracht voor rekening van [gedaagde] zullen komen;

subsidiair:

VI. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis aan de vennootschap, dan wel [eiser] te betalen een bedrag van € 5.186,-- tot de dag van algehele voldoening;

VII. [gedaagde] daarnaast te veroordelen om maandelijks aan de vennootschap, dan wel [eiser] te betalen, met ingang van 1 december 2016 en vervolgens iedere opeenvolgende maand, een bedrag van € 864,50 en een bedrag van € 350,00 tot de dag van algehele voldoening;

meer subsidiair;

VIII. het stemrecht van [gedaagde] , dat verbonden is aan de door hem gehouden aandelen in de vennootschap, met ingang van de datum van dit vonnis te schorsen, althans hem dit stemrecht te ontnemen;

overig:

IX. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 525,00 en in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2.

Over de primaire vordering van [eiser] overweegt de voorzieningenrechter dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding van dat aanbod. Een aanbod vervalt doordat het wordt verworpen (art. 6:221 Burgerlijk Wetboek).

4.3.

De vraag is of er tussen partijen een overeenkomst als door [eiser] gesteld tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Partijen leken op 6 april 2016 “een deal” te hebben over de verkoop van de aandelen van [gedaagde] aan [eiser] . Die deal moest daarna nog op papier moest worden gezet. Vervolgens is gebleken dat partijen op een meer dan ondergeschikt punt niet tot overeenstemming waren gekomen (dan wel niet in de onderhandelingen hebben betrokken), het punt van de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] voor garantieaanspraken. Het op 4 juni 2016 door [eiser] aan [gedaagde] gestuurde concept van de aandelenkoopovereenkomst is daarom te beschouwen als (nieuw) aanbod van [eiser] . [gedaagde] heeft bij e-mailberichten van 9 juni 2016 en 19 juni 2016 aan [eiser] meegedeeld zich niet te kunnen vinden in artikel 3.6 en 4.7. van de conceptovereenkomst en voorgesteld deze artikelen eruit te laten waarop de levering van de aandelen zou kunnen plaatsvinden. Dat aanbod van [gedaagde] heeft [eiser] bij e-mailbericht van 30 juni 2016 verworpen, waardoor dit aanbod van [gedaagde] is komen te vervallen. Er is derhalve geen koopovereenkomst tot stand gekomen.

4.4.

Dat [eiser] daarna bij monde van zijn advocaat alsnog akkoord is gegaan met het aanbod van [gedaagde] brengt aldus niet mee dat er een overeenkomst tot stand gekomen is. [gedaagde] heeft dit laatste aanbod van [eiser] immers niet aanvaard. Er is daarom geen grond voor toewijzing van het primair gevorderde. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.5.

Dan de subsidiaire vordering. Deze vordering heeft betrekking op de financiering die de vennootschap heeft bij de Rabobank. Tot april 2016 waren zowel [eiser] als [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk voor de vorderingen van de Rabobank op de vennootschap. Omdat de aflossingsverplichting van de vennootschap dusdanig hoog was, stortten partijen maandelijks een bedrag van circa € 350,- per persoon aan de vennootschap, zodat de vennootschap aan haar verplichtingen jegens de Rabobank kon voldoen. In verband met de voorgenomen verkoop van de aandelen door [gedaagde] aan [eiser] en vooruitlopend op te bereiken of vermeende overeenstemming over de verkoop van de aandelen, is de Rabobank akkoord gedaan dat [gedaagde] niet langer in privé aansprakelijk is voor de vordering van de Rabobank op de vennootschap. Naast de vennootschap is dat alleen [eiser] . In verband hiermee heeft de Rabobank bedongen dat de vennootschap maandelijks € 1.729,- extra aflost voor aflossing van de financiering van de Toussaintstraat en daarnaast € 700,- voor de financiering van de Edisonweg. [eiser] wil dat [gedaagde] daarin voor de helft bijdraagt. [gedaagde] verweert zich daartegen.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat de afspraak dat partijen maandelijks een bedrag aan de vennootschap betaalden is te beschouwen als afspraak die [eiser] en [gedaagde] hebben gemaakt in hun hoedanigheid van aandeelhouder in de vennootschap. Om die reden waren zij ook privé aansprakelijk jegens de Rabobank. Onbetwist staat vast dat in verband met het voorgenomen uittreden van [gedaagde] als aandeelhouder, bij de Rabobank is bewerkstelligd dat [gedaagde] niet langer persoonlijk aansprakelijk is voor de vordering van de Rabobank op de vennootschap. Nu is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de overname van de aandelen van [gedaagde] door [eiser] en ook niet te verwachten is dat die overeenstemming op korte termijn bereikt zal worden, kan [eiser] weer terugvallen op de oorspronkelijke afspraak dat beide aandeelhouders maandelijks een bedrag aan de vennootschap betaalden in verband met de verplichtingen van de vennootschap jegens de Rabobank. Nu de aflossingsverplichting van de vennootschap is toegenomen doordat [gedaagde] niet langer in privé aansprakelijk is, is het redelijk dat [gedaagde] als zijnde houder van de helft van de geplaatste aandelen daaraan de helft meebetaald. Onvoldoende betwist heeft [gedaagde] dat [eiser] vanaf mei 2016 tot december 2016

€ 10.372,- aan de vennootschap heeft bijgedragen. Hij kan daarom voor de helft van dat bedrag, € 5.186,-, [gedaagde] aanspreken. [gedaagde] zal dienovereenkomstig worden veroordeeld. Voorts zal [gedaagde] worden veroordeeld per 1 december 2016 maandelijks € 1.214,50 aan de vennootschap te betalen, dan wel, voor het geval [eiser] de betreffende bijdrage al voor [gedaagde] aan de vennootschap heeft betaald, aan [eiser] .

4.7.

Omdat voorshands niet aannemelijk is dat partijen alsnog op korte termijn tot overeenstemming komen over de verkoop van de aandelen van [gedaagde] en van [eiser] ten opzichte van zijn medeaandeelhouder niet gevergd kan worden dat hij alle extra lasten voor de Rabobank op zich neemt, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij deze vordering.

4.8.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen in eventueel gemaakte buitengerechtelijke kosten, nu onvoldoende is gebleken dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, anders dan die standaard in voorbereiding op een procedure plaatsvinden.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.796,31

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.186,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om met ingang van 1 december 2016 en vervolgens iedere opeenvolgende maand, een bedrag van € 864,50 en een bedrag van € 350,00 aan de [gedaagde] en [eiser] Vastgoed B.V. te betalen, en dit bedrag, dan wel een deel daarvan aan [eiser] te voldoen indien [eiser] het betreffende bedrag al voor [gedaagde] aan die vennootschap heeft betaald,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.796,31,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 7 februari 2017.