Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1585

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/800469-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak gijzeling. Veroordeling vrijheidsberoving en afpersing, meermalen gepleegd. Eendaadse samenloop. Gevangenisstraf 36 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800469-16 (P)

Uitspraakdatum: 28 februari 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 februari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag, Huis van Bewaring te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.H.S Vogel, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 04 november 2016 te Heiloo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten: het tekenen van contract, althans een document, en/of het aangaan van een schuld en/of het overmaken van een of meer girale geldbedragen immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] vastgehouden in een bedrijfspand aan de [straatnaam] en/of verhinderd dat [slachtoffer 2] dit bedrijfspand zou verlaten;

en/of

hij op of omstreeks 04 november 2016 te Heiloo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] vastgehouden in een bedrijfspand aan de [straatnaam] en/of verhinderd dat [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dit bedrijfspand zouden verlaten;


Feit 2

hij op of omstreeks 04 november 2016 te Heiloo tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot ondertekening van een contract, in elk geval het aangaan van een schuld, immers heeft verdachte en/of zijn mededader

- ( meermalen) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , en/of

- ( meermalen) een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp voor de ogen van [slachtoffer 2] gehouden en/of

- ( meermalen) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of

- woorden geroepen en/of gezegd als: "Nu tekenen. Je gaat nu tekenen" en/of "Het is menens. Geen geintjes. Ik krijg er voor betaald en ik vind het euk" en/of "Ik wil mijn geld" en/of "Wil je toekijken hoe ik haar overhoop knal" en/of "Als je niet betaalt, dan kan je toekijken hoe ik de ogen van je dochter er uit steek", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

In verband met een zakelijk geschil met zijn voormalige compagnons [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] is verdachte op vrijdagmiddag 4 november 2016 naar het pand aan de [straatnaam] te Heiloo gegaan. Hij had medeverdachte [medeverdachte] , die hij in het uitgaansleven van Amsterdam had ontmoet, meegenomen. In het pand aan de [straatnaam] treffen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet alleen de beide voormalige compagnons aan, maar ook [slachtoffer 2] , de 21-jarige dochter van een van de compagnons.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte al dan niet samen met medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 2] heeft gegijzeld met het oogmerk om de voormalige compagnons te dwingen een contract te tekenen en/of geld over te maken en/of er sprake is geweest van vrijheidsberoving van alle drie in het pand aan de [straatnaam] aanwezige personen. Voorts dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van afpersing door te dreigen met en gebruik te maken van geweld.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 ten laste gelegde gijzeling van [slachtoffer 2] vanwege het ontbreken van het oogmerk om haar te gijzelen. Volgens de verdediging is wel duidelijk dat de drie slachtoffers op een gegeven moment niet vrij waren om te gaan waar ze heen wilden gaan. Het niet vrij kunnen bewegen dient volgens de raadsman echter gekoppeld te worden aan de afpersing, zoals ten laste gelegd onder feit 2. Als er sprake is van bedreiging bij een afpersing, komt al gauw het element van vrijheidsbeneming om de hoek kijken, aldus de raadsman.

Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd, dan is er sprake van een eendaadse samenloop.

4.3.

Partiële vrijspraak feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is de onder feit 1 ten laste gelegde gijzeling niet wettig en overtuigend bewezen zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier, de beelden en het geluidsfragment is duidelijk geworden dat het door verdachte beoogde pittige gesprek steeds verder escaleert naarmate de tijd verstrijkt. Nadat beide compagnons het door verdachte voorgelegde contract hebben ondertekend, wil verdachte dat de compagnons geld naar hem overmaken. Op een gegeven moment houdt verdachte, nadat er al meerdere bedreigingen waren geuit en geweldshandelingen hebben plaatsgevonden, een puntig voorwerp voor het gezicht van [slachtoffer 2] en roept: “Ik steek in haar oog he, ik steek in haar oog. Blijf zitten. Je hebt vijf seconden. Vier. Daar naar toe. Overmaken. Drie …” (p. D.22). Daarna wordt [slachtoffer 2] gesommeerd om te gaan zitten en haar telefoon af te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gijzeling als bedoeld in artikel 282a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wegens het ontbreken van het oogmerk daartoe. De bedreiging van [slachtoffer 2] met een puntig voorwerp moet worden gezien in het licht van het hele scala van geweld en bedreigingen met geweld dat daaraan voorafgaat gedurende bijna een uur.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde vrijheidsberoving (tweede gedeelte van de alternatief/cumulatief geformuleerde tenlastelegging) en de onder 2 ten laste gelegde afpersing op grond van het volgende.

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft aangifte gedaan van gijzeling en afpersing op 4 november 2016. Omstreeks 17.30 uur wil [slachtoffer 1] met zijn dochter ( [slachtoffer 2] , hierna: [slachtoffer 2] ) en zijn compagnon ( [slachtoffer 3] , hierna: [slachtoffer 3] ) het pand aan de [straatnaam] te Heiloo verlaten. Bij de buitendeur ziet hij verdachte en een voor hen onbekend persoon (hierna: de medeverdachte). Verdachte is de ex-compagnon van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] van het bedrijf [X] Op indringende wijze zegt verdachte dat hij wil praten.2 Op het moment dat ze allen in het kantoor zijn, moet [slachtoffer 2] op een stoel gaan zitten en moet [slachtoffer 1] bij [slachtoffer 3] gaan staan. De medeverdachte gaat bij de deur staan zodat geen van de aanwezigen weg kan lopen. Verdachte gooit papieren op de bar en zegt: “Nu tekenen. Je gaat nu tekenen”. En verdachte zegt: “Kijk uit, want hij schiet hoor. Hij schiet echt.” Er wordt gedreigd dat maten van de verdachten bij de echtgenotes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] staan. Uiteindelijk tekenen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] de papieren. Verdachte zegt dat hij zijn maten terug zal roepen als [slachtoffer 1] hem nu geld geeft. Als [slachtoffer 1] achter de bar vandaan komt en naar de deur loopt, voelt hij dat verdachte hem een harde vuistslag tegen de rechterzijde van zijn gezicht en twee of drie keer een keiharde trap tegen zijn linker been geeft. [slachtoffer 2] raakt in paniek en gaat staan, waarna verdachte haar een trap tegen haar been geeft.

De medeverdachte heeft drie barkrukken voor de deur gezet en zegt: “Het is menens. Geen geintjes. Ik ben ingehuurd, ik krijg ervoor betaald en ik vind het leuk. Ik wil mijn geld”. [slachtoffer 3] biedt aan 5.000,- euro te betalen, maar verdachte wil meer geld. Na een ‘klik’ geluid haalt de medeverdachte een vuurwapen tevoorschijn en richt het wapen op het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] voelt de loop tegen zijn hoofd. De medeverdachte zegt: “Het is menens”. Vervolgens richt hij het wapen op [slachtoffer 2] en zegt: “Het is menens. Ik heb niets te verliezen. Wil je toekijken hoe ik haar overhoop knal”? [slachtoffer 1] ziet dat verdachte een priem in zijn hand heeft en met zijn andere hand het hoofd van [slachtoffer 2] vastpakt en de priem voor haar ogen houdt. Verdachte zegt: “Als je niet betaalt, kan je toekijken hoe ik de ogen van je dochter eruit steek”.

De medeverdachte loopt naar [slachtoffer 3] , geeft hem een harde klap in zijn gezicht en neemt hem in een nekklem/houdgreep. Als verdachte in de richting van [slachtoffer 3] en de medeverdachte loopt, weet [slachtoffer 1] naar het kantoor te vluchten en uit het raam te klimmen terwijl verdachte, die hem achtervolgde en daarbij een deur intrapte, aan zijn been trekt.3 [slachtoffer 1] komt op het platte dak van de buren terecht, zo’n vier à vijf meter boven de grond. Als hij van het platte dak springt, breekt hij zijn pols.4 Het getekende contract houdt in dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aan verdachte een bedrag van in totaal € 767.573,00 dienen te betalen.5

De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door die van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] .

Al bij binnenkomst geeft verdachte [slachtoffer 3] een trap tussen zijn benen.6 De medeverdachte is ervan op de hoogte dat [slachtoffer 3] dochters en een zoon heeft en zegt dat er lood in het huis van [slachtoffer 3] zal komen. Hij zegt dat hij twee maanden bezig is geweest het huis van [slachtoffer 3] te observeren en dat er nu twee auto’s voor zijn woning staan. Na ondertekening van het contract willen verdachten geld hebben. Verdachte wil dat [slachtoffer 3] inlogt op zijn bankrekening maar daar voelt [slachtoffer 3] niets voor. [slachtoffer 3] is wel bereid 5.000,- euro over te maken als verdachte beneden wacht. Maar verdachte wil 100.000,- euro. De medeverdachte houdt een zwart pistool voor het gezicht van [slachtoffer 3] . Even later richt hij het pistool ook op [slachtoffer 2] en op het hoofd van [slachtoffer 1] . Dat is een aantal keren gebeurd.7 Hij dreigt hen dood te schieten en bij [slachtoffer 2] te beginnen. Verdachte houdt een soort priem voor het hoofd van [slachtoffer 2] .8 Dat doet hij om [slachtoffer 1] zover te krijgen het geld over te maken. Op het moment dat verdachten doorkrijgen dat [slachtoffer 3] met zijn mobiele telefoon geluidsopnamen maakt, ontstaat er een handgemeen. De medeverdachte geeft [slachtoffer 3] met zijn vuist klappen in het gezicht en neemt [slachtoffer 3] in een nekgreep. Verdachte loopt naar [slachtoffer 3] en de medeverdachte toe. Op dat moment lukt het [slachtoffer 1] om via het kantoor te ontsnappen.9 [slachtoffer 2] gaat naar beneden.10 [slachtoffer 3] heeft zich zeer ernstig bedreigd gevoeld.11

[slachtoffer 2] ziet dat de medeverdachte een pistool op [slachtoffer 3] richt en dat verdachte met zijn vuist een harde klap op de linker kaak van [slachtoffer 1] geeft. [slachtoffer 2] moet op een stoel zitten en krijgt een harde trap van verdachte op haar linker bovenbeen. Vervolgens richt de medeverdachte het pistool op haar slaap en zegt dat haar vader moet lijden. [slachtoffer 2] denkt dat ze dood gaat en ziet haar leven aan zich voorbij trekken. Verdachte dreigt met een knalroze voorwerp, dat aan de onderzijde zwart is, in haar hoofd te prikken. Als [slachtoffer 1] het kantoor in vlucht, ziet [slachtoffer 2] kans de barkruk voor de deur weg te halen, de trap af te rennen en beneden de paniekknop in te drukken.12

Uit de door [slachtoffer 3] gemaakte geluidsopnamen blijkt dat verdachte of de medeverdachte onder meer het volgende hebben gezegd:

Teken die shit, teken gewoon. Teken.13

Ik wil mijn geld.14

Gewoon, teken, ik wacht op teken, tekenen nou.15

Er valt niet te onderhandelen.16

Ik word er voor betaald. Het is mijn werk dus ik vind het prima.17

Dat is de laatste die ik doodschiet. Jij bent de eerste. …. Jij bent de eerste. Dan mag je zien, dan mag je toekijken.18

Nou is het menens.19

Ik steek in haar oog he. Ik steek het in haar oog.20

De medeverdachte heeft verklaard dat hij een nepwapen had meegenomen. Hij ging mee met verdachte om het intimiderend over te laten komen. Hij zou 20% krijgen van de drie à vier ton die verdachte nog tegoed had.21

Bewijsoverweging puntig voorwerp

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte specifiek met een priem heeft gedreigd. De slachtoffers hebben daarover niet eensluidend verklaard en verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen priem bij zich had en dat het voorwerp waarmee hij dreigde een pen was. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met een puntig voorwerp heeft gedreigd.

Eendaadse samenloop

Naast eenheid van tijd en plaats is voor een eendaadse samenloop nodig dat de betreffende strafbepalingen dezelfde strekking hebben. Zowel artikel 282 Sr als artikel 317 Sr beschermen de persoonlijke vrijheid. Artikel 317 Sr beschermt daarnaast ook het vermogen. Nu de beide bepalingen mede dezelfde strekking hebben, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van eendaadse samenloop.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij op 4 november 2016 te Heiloo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte met zijn mededader voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vastgehouden in een bedrijfspand aan de [straatnaam] en verhinderd dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] dit bedrijfspand zouden verlaten;

Feit 2

hij op 4 november 2016 te Heiloo tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot ondertekening van een contract, in elk geval het aangaan van een schuld, immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte

- meermalen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , en

- een puntig voorwerp voor de ogen van [slachtoffer 2] gehouden en

- meermalen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] geschopt en geslagen en

- geroepen en/of gezegd: "Nu tekenen. Je gaat nu tekenen" en "Het is menens. Geen geintjes. Ik krijg er voor betaald en ik vind het leuk" en "Ik wil mijn geld" en "Wil je toekijken hoe ik haar overhoop knal" en "Als je niet betaalt, dan kan je toekijken hoe ik de ogen van je dochter er uit steek", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten


Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van feit 2

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen, meermalen gepleegd

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan te sluiten bij de oriëntatiepunten die gelden voor afpersing, te weten een gevangenisstraf van 30 maanden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

In verband met een in de ogen van verdachte bestaand zakelijk geschil is verdachte laat op een vrijdagmiddag naar het bedrijf van zijn voormalige compagnons, aangevers, gegaan met de bedoeling beiden een door verdachte opgesteld contract te laten ondertekenen. In het contract is vermeld dat de beide compagnons verdachte een bedrag van ruim € 767.000,00 schuldig zijn. Omdat verdachte ervan uitgaat dat een ‘pittig gesprek’ kan worden verwacht, lijkt het hem goed om een tweede persoon mee te nemen die hij kent uit het uitgaansleven. Op het kantoor zijn die betreffende middag niet alleen beide compagnons aanwezig, maar ook de eenentwintigjarige dochter van een van beide compagnons. De slachtoffers worden door de verdachten geschopt en geslagen. Bovendien worden zeer ernstige bedreigingen geuit, inhoudende niet alleen de drie slachtoffers wat aan te zullen doen, maar ook hun gezinnen die door handlangers tegelijkertijd zouden zijn bezocht. Nadat de beide compagnons onder druk het contract ongelezen hebben getekend is het nog niet klaar. Verdachte wil dat ter plekke wordt ingelogd op de bankrekening van het bedrijf van de compagnons en dat een bedrag van € 100.000,00 op zijn bankrekening wordt overgemaakt. Gedurende het incident, dat bijna een uur duurt, nemen de bedreigingen en het geweld toe. Een op een vuurwapen gelijkend voorwerp wordt meerdere malen op de slachtoffers gericht en ook tegen de hoofden van de slachtoffers gehouden. Daarnaast wordt een puntig voorwerp voor het gezicht van de dochter gehouden en gedreigd het voorwerp in haar ogen te steken. Een beangstigende situatie, zoals ook uit de geluidsopname duidelijk wordt, en een nachtmerrie voor de slachtoffers. Uit de ter terechtzitting voorgelezen verklaringen van de drie slachtoffers blijkt dat de overval enorm veel impact op hen heeft gehad en dat zij nog steeds erg veel last hebben van de gevolgen. Er is sprake van zeer ernstige feiten die de rechtbank verdachte ten zeerste aanrekent.

De rechtbank beschouwt verdachte als initiator van de overval en neemt hem kwalijk dat hij gebruik heeft gemaakt van de diensten van een (onbekende) dertig jaar jongere derde, die met grote financiële problemen kampte, door hem 20% van de opbrengst in het vooruitzicht te stellen. Voorts acht de rechtbank het kwalijk dat verdachte maar deels zijn verantwoordelijkheid lijkt te nemen. Verdachte heeft immers naar voren gebracht dat hij niet wist dat de medeverdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp mee zou nemen en dat hij mee is gegaan met de bedreigingen van zijn medeverdachte. De rechtbank tekent hierbij aan dat verdachte niet duidelijk heeft kunnen maken hoe hij zich dan het beoogde intimiderende gedrag van zijn jeugdige medeverdachte had voorgesteld. Bovendien heeft verdachte niet de-escalerend opgetreden toen hij zag dat de door hem opgetrommelde mededader een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn haalde. Integendeel.

De ernst van het feit rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 31 januari 2017 van [naam] als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland te Alkmaar.

Uit het rapport komt naar voren dat betrokkene geen hulpvragen heeft en dat de problemen binnen het sociaal netwerk opgelost kunnen worden. De ontvankelijkheid voor begeleiding en/of behandeling is laag. De reclassering ziet dan ook geen meerwaarde in een meldplichtcontact en adviseert verdachte een onvoorwaardelijke sanctie op te leggen.


Uit het op naam van verdachte staande Uittreksel Justitiële documentatie blijkt dat hij niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld. Hij lijkt te hebben gehandeld uit frustratie over een door hem gevoeld zakelijk in samenhang met ernstige financiële problemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van 36 maanden passend en geboden is.

8 Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van (bij wijze van voorschot) € 15.516,29 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

1. smartengeld € 10.000,00

een gebroken pols met operatie en inbrengen osteosynthesemateriaal

materiaal dat na een jaar weer verwijderd moet worden en hand-,

tandletsel, geestelijk letsel
2. extra gereden kilometers in verband met bezoeken aan advocaat,

Slachtofferhulp, politiebureau, rechtbank Haarlem, rechtbank Alkmaar,

ziekenhuis, huisarts, psycholoog, tandarts, handfysiotherapeut

t/m maandag 27/2/17,

totaal 427,8 km tegen € 0,29 per km in 2016 en € 0,26 in 2017 € 100,85

3. nota alarminstallatie huisadres € 1.270,50

4. medicijnen (eigen risico) € 38,27

5. tandartskosten reeds gemaakt € 66,06

begroting voor vervangen kroon getroffen element € 683,19

6. eigen risico ziektekostenverzekering 2016 € 131,75

7. eigen risico ziektekostenverzekering 2017 € 385,00

8. parkeerkosten in verband met bezoeken aan advocaat, rechtbank Haarlem,

rechtbank Alkmaar, politiebureau, ziekenhuis € 62,67

9. pedicure € 28,00

10. tijdsbesteding uren in verband met gebeurtenis t/m 9 januari 2017:

63 uur, dus gemiste omzet en dus verlies van arbeidsvermogen, geschat € 2.500,00

11. niet vergoede behandelingen fysiotherapie 2017, geschat € 250,00

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het bedrag aan vergoeding van immateriële schade.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie verzocht het verlies aan arbeidsvermogen te schatten, nu de hoogte daarvan niet exact is vast te stellen. De overige posten zijn voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van een bedrag van € 220,50 aan BTW nu de factuur van [naam] (alarminstallatie) is gericht aan [naam BV slachtoffer 1] en die factuur, blijkens de verklaring van de heer [slachtoffer 1] ter terechtzitting, ook door die B.V. wordt betaald.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd, dat de (blijvende) gevolgen niet stevig zijn onderbouwd. Er is geen medische onderbouwing voor de psychische schade.

Voorts zet de raadsman vraagtekens bij het rechtstreekse verband tussen het voorval en de stelpost voor beveiliging van de woning. Ten aanzien van deze post refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ook ten aanzien van de verzochte vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen is het causaal verband niet duidelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de onbetwiste materiële schade ten aanzien van de posten 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11, totaal tot een bedrag van € 1.745,79, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten . De alarminstallatie komt niet voor vergoeding, nu deze keuze niet als rechtstreekse schade kan worden aangemerkt. Ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,00 billijk voor gelet op de thans beschikbare onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het slachtoffer heeft zich onder behandeling van een psycholoog moeten laten stellen en het bestaan van psychisch letsel is zonder meer aannemelijk.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde ten aanzien van het niet toegewezen deel van de immateriële schade, de alarminstallatie en het verlies aan arbeidsvermogen niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.742,17 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

1. smartengeld € 6.500,00

zware kneuzing linker bovenbeen, geneest langzaam, ernstig geestelijk letsel

2. extra gereden kilometers in verband met bezoeken aan advocaat,

Slachtofferhulp, rechtbank Haarlem, rechtbank Alkmaar, politiebureau

Alkmaar, medische behandelaars

totaal 325,6 km tegen € 0,29 per km in 2016 en € 0,26 in 2017 € 90,37

3. parkeerkosten in verband met bezoeken aan ziekenhuis, politiebureau,

advocaat, rechtbank Alkmaar, rechtbank Haarlem, Slachtofferhulp € 44,17

4. kosten medicijnen € 15,66 5. tandartskosten bitje in verband met tandenknarsen € 288,34

6. jas beschadigd, 80% van de nieuwwaarde € 63,95

7. schoenen beschadigd, 80% van de nieuwwaarde € 39,68

8. extra beveiligingsmaatregelen nieuwe woning eind februari 2017 € 1.200,00

9. besteding uren in verband met regeldingen rondom gebeuren

t/m 2 december 2016, totaal 28 uur, verlies van arbeidsvermogen, geschat € 500,00 *

* Ter terechtzitting heeft mr. A.M. Wolf namens de benadeelde het verlies aan arbeidsvermogen zoals opgenomen onder punt 9. ingetrokken nu er doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle verzochte vergoedingen kunnen worden toegewezen nu zij voldoende zijn onderbouwd en in voldoende causaal verband met de overval staan.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd, dat de (blijvende) gevolgen niet stevig zijn onderbouwd. Er is geen medische onderbouwing voor de psychische schade.

Voorts zet de raadsman vraagtekens bij het rechtstreekse verband tussen het voorval en de stelpost voor beveiliging van de (nieuwe) woning. Ten aanzien van deze post refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ten aanzien van de posten 2, 3, 4 en 5, totaal tot een bedrag van € 438,54, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De alarminstallatie komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu de keuze voor een alarminstallatie in de nieuw te betrekken woning niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Voorts komen de jas en de schoenen niet voor vergoeding in aanmerking wegens onvoldoende onderbouwing van het causaal verband.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 6.500,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het is zonder meer aannemelijk dat sprake is van psychisch letsel en het slachtoffer heeft zich onder behandeling van een psycholoog moeten laten stellen.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde ten aanzien van de alarminstallatie, de jas en de schoenen niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.875,60 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

1. smartengeld in verband met geestelijk letsel € 5.500,00

2. extra gereden kilometers in verband met bezoeken aan advocaat,

Slachtofferhulp, politiebureau, rechtbank Haarlem, rechtbank Alkmaar € 131,43

3. parkeerkosten in verband met bezoeken aan advocaat, rechtbank Haarlem,

rechtbank Alkmaar, politiebureau, Slachtofferhulp € 44,17

4. extra beveiliging woonhuis, geschat € 1.270,50

5. geschat verlies aan arbeidsvermogen in verband met nasleep van de

gijzeling en behandeling bij psycholoog € 1.000,00

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat onder nummers 1 t/m 4 verzochte vergoedingen kunnen worden toegewezen nu zij voldoende zijn onderbouwd en in voldoende causaal verband met de overval staan. De officier van justitie heeft verzocht het verlies aan arbeidsvermogen te schatten, nu de hoogte daarvan niet exact is vast te stellen.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd, dat de (blijvende) gevolgen niet stevig zijn onderbouwd. Er is geen medische onderbouwing voor de psychische schade.

Voorts zet de raadsman vraagtekens bij het rechtstreekse verband tussen het voorval en de stelpost voor beveiliging van de woning. Ten aanzien van deze post refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ook ten aanzien van de verzochte vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen is het causaal verband niet duidelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ten aanzien van de posten 2 en 3, totaal tot een bedrag van € 175,60, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De alarminstallatie komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de keuze voor deze aanschaf niet als rechtstreekse schade kan worden aangemerkt. Ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.500,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het slachtoffer heeft zich onder behandeling van een psycholoog moeten laten stellen en de rechtbank acht het bestaan van psychisch letsel zonder meer aannemelijk.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde ten aanzien van de alarminstallatie en het verlies aan arbeidsvermogen niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: vrijheidsbeneming en afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van alle drie benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 47, 55, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 4.5. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 9.245,79 (zegge: negenduizend tweehonderdvijfenveertig euro en negenenzeventig cent), bestaande uit € 1.745,79 voor de materiële en € 7.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] (slachtoffernummer 16-01041/01) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.245,79 (zegge: negenduizend tweehonderdvijfenveertig euro en negenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 6.938,54 (zegge: zesduizend negenhonderdachtendertig euro en vierenvijftig cent), bestaande uit € 438,54 voor de materiële en € 6.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] (slachtoffernummer 16-01041/03) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.938,54 (zegge: zesduizend negenhonderdachtendertig euro en vierenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 5.675,60 (zegge: vijfduizend zeshonderdvijfenzeventig euro en zestig cent), bestaande uit € 175,60 voor de materiële en € 5.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] (slachtoffernummer 16-01041/02) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.675,60 (zegge: vijfduizend zeshonderdvijfenzeventig euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. J.O.Y. Elagab, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 P-v aangifte [slachtoffer 1] , p. Z.1:3.

3 P-v aangifte [slachtoffer 1] , p. Z.1:4.

4 P-v aangifte [slachtoffer 1] , p. Z.1:5 en geschriften, zijnde foto’s, p. Z.1:7-9, en een medische verklaring van SEH-artsen [SEH arts 1] en [SEH arts 2] van Noordwest Ziekenhuisgroep, gedateerd 9 november 2016, p. Z.1:10.

5 Een geschrift, zijnde een getekend contract gedateerd 3 november 2016.

6 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z2:1 (8ste zin van onder).

7 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z.2:2.

8 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z.2:4 (op 3/4 van de pagina).

9 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z.2:2 (onder het midden).

10 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z.2:3 (bovenaan).

11 P-v verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. Z.2:5 (11de zin van onder).

12 P-v verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , p. Z.3:3.

13 P-v bevindingen, p D.9:9 (iets boven het midden).

14 P-v bevindingen, p D.9:10 (bovenaan).

15 P-v bevindingen, p D.9:10 (14de regel van boven).

16 P-v bevindingen, p D.9:11 (halverwege).

17 P-v bevindingen, p. D.9:17 (iets boven het midden).

18 P-v bevindingen, p. D.9:17 (iets onder het midden).

19 P-v bevindingen, p. D.9:19 (halverwege).

20 P-v bevindingen, p. D.9:22 (bovenaan).

21 P-v verhoor medeverdachte [medeverdachte] , p. C.10 (onder het midden) en C.11 (bovenaan).