Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1543

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 789
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een woonhuis en het kappen van bomen. De bomen zijn gekapt voordat de vergunning onherroepelijk was. Hoewel eisers hebben gevraagd om een herplantplicht op te leggen, verklaart verweerder hun bezwaar niet ontvankelijk. Rechtbank: het bezwaarschrift had inhoudelijk moeten worden behandeld. Omdat vergunninghouder inmiddels hoge bomen heeft geplant en een herplantplicht er in redelijkheid niet toe zou kunnen leiden dat er nog meer of nog hogere bomen worden geplant, verklaart de rechtbank het bezwaar alsnog ongegrond. Bij de woning behoort een uitbouw met een diepte van 6,4 meter. Volgens verweerder kan een deel worden vergund als oorspronkelijk hoofdgebouw en is het overige deel vergunningvrij. Rechtbank: de twee delen zijn noch in functioneel, noch in bouwkundig opzicht te onderscheiden. In de vergunningaanvraag is niet aangegeven dat de bouw van een deel van de uitbouw vergunningvrij zou kunnen zijn. In een geval waarin vergunningvrije onderdelen in een aanvraag worden opgenomen moet uit de aanvraag onmiskenbaar blijken voor welke onderdelen van het bouwplan wel en voor welke onderdelen geen omgevingsvergunning wordt gevraagd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1284

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/789

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigden: ing. F. Zomers en mr. R.J. van Rijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigde: mr. D.J. Merkx).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder] , te [woonplaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: mr. G. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van een woonhuis met bijgebouw, het kappen van bomen en het maken van een uitrit op het perceel [perceel] in [woonplaats] .

Bij besluit van 12 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016.

Eiseres [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar eerstgenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en J. Schol. Voorts waren vergunninghouder en zijn gemachtigde aanwezig.

Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen te proberen het geschil via mediation op te lossen. Het onderzoek is daarop geschorst.

Op 24 oktober 2016 ontving de rechtbank bericht dat mediation niet tot een oplossing heeft geleid.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 16 januari 2017. Eiseres [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] . Voorts waren vergunninghouder en zijn gemachtigde aanwezig.

Overwegingen

1.1

Op 26 mei 2015 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van een woonhuis met bijgebouw, het kappen van bomen en het maken van een uitrit op het perceel [perceel] in [woonplaats] .

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hierbij is verweerder afgeweken van enkele bepalingen van het geldende bestemmingsplan [woonplaats] van 31 mei 2005.

1.3

Eisers hebben bij brief van 18 september 2015 bezwaar gemaakt tegen de vergunning voor zover die betrekking heeft op het kappen van bomen. In een aanvullend bezwaarschrift van 20 september 2015 hebben zij bezwaar gemaakt tegen de vergunning in verband met de hoogte van de nieuw te bouwen woning, de kapconstructie, de diepte van de aan/uitbouw en de oppervlakte van het bijgebouw.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform het advies van de commissie voor bezwaarschriften, maar met een aanvullende motivering, het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit voor zover dat ziet op het kappen van de bomen niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de bezwaren die zien op het bouwkundige aspecten ongegrond verklaard. Bij dit laatste heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de commissie een aanvullende motivering in het besluit opgenomen.

Het kappen van bomen

2.1

De commissie voor bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaarschrift voor zover dat betrekking heeft op de activiteit kappen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. De bomen die op basis van de vergunning mochten worden gekapt zijn inmiddels gekapt. Omdat die situatie onomkeerbaar is, kunnen eisers met hun bezwaarschrift niet het beoogde effect verwachten.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich hierbij gedeeltelijk aangesloten. Verweerder is van mening dat de commissie heeft miskend dat eisers in hun bezwaarschrift vragen om in de omgevingsvergunning een herplantplicht voor de gekapte bomen op te nemen. Gelet daarop hebben eisers in beginsel nog belang bij behandeling van hun bezwaar, aldus verweerder.

Vervolgens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bomen die zijn gesneuveld van onvoldoende belang waren om een herplantplicht op te leggen. Er is een kapbeleid in de maak waardoor bomen met een stamdiameter van 20 centimeter binnenkort zonder vergunning mogen worden gekapt. Daarnaast wijst verweerder op een belofte van vergunninghouder om eisers in hun belangen tegemoet te komen.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder besloten om dit onderdeel van het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2

Eisers zijn van mening dat hun bezwaar tegen de kapvergunning ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Dat vergunninghouder door het kappen van de bomen een voldongen feit heeft willen afdwingen maakt niet dat het procesbelang van eisers is weggenomen. Zij hebben wel degelijk belang bij de afschermende werking van de gekapte bomen ten opzichte van de beoogde nieuwbouw. Enkele van de gekapte bomen stonden op de perceelgrens en van die bomen waren eisers mede-eigenaar. Verweerder had een herplantplicht dienen op te leggen. Het verwijzen naar een kapbeleid dat ‘in de maak’ is, waarbij bomen met een stamdiameter van 20 cm zonder vergunning mogen worden gekapt, is onvoldoende. Daar komt bij dat ook een boom is gekapt waarvan de stamdiameter meer bedroeg dan 20 centimeter. De door verweerder genoemde toezegging van vergunninghouder biedt geen enkele rechtszekerheid.

2.3

Vergunninghouder heeft foto’s overgelegd waarmee hij wil aantonen dat hij langs de erfgrens maar op zijn grond een rij van vijf coniferen heeft laten planten met een hoogte van inmiddels 8 meter en vier steeneiken met een hoogte van 4 meter. Om de mogelijkheid van inkijk vanuit zijn woning (die inmiddels is gebouwd) in de woning van eisers verder te beperken heeft hij in het bovenraam aan de kant van de woning van eisers melkglas laten plaatsen. Verder betoogt vergunninghouder dat hij van medewerkers van de gemeente had begrepen dat de vergunning voor het kappen zou worden verleend en dat het geen probleem zou zijn als hij alvast zou gaan kappen.

2.4

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in een geval waarin bomen al zijn gekapt een bezwaar tegen een in verband daarmee verleende kapvergunning in beginsel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit beginsel geldt echter niet, zoals verweerder ook terecht heeft overwogen, wanneer in het bezwaarschrift is gevraagd om een herplantplicht op te leggen. In dat laatste geval hebben de bezwaarmakers nog belang bij een inhoudelijke behandeling van hun bezwaar. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX6351).

Eisers hebben in hun bezwaarschrift gevraagd om een herplantplicht op te leggen. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn om af te zien van een niet-ontvankelijkverklaring en het bezwaarschrift inhoudelijk te behandelen. In het bestreden besluit heeft verweerder wel enkele inhoudelijke overwegingen opgenomen, maar het bezwaar met betrekking tot dit aspect toch niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit voor dit onderdeel niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

2.5

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of met een ongegrondverklaring van het bezwaar van eisers tegen de kapvergunning zelf in de zaak kan worden voorzien, met inachtneming van de inhoudelijke overwegingen van verweerder. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, reeds omdat vergunninghouder inmiddels hoge bomen heeft geplant die het zicht vanuit zijn woning op de woning van eisers grotendeels wegnemen en die in de toekomst waarschijnlijk nog hoger zullen worden. Een op te leggen herplantplicht zou er in redelijkheid niet toe kunnen leiden dat er nog meer of nog hogere bomen worden geplant.

De vraag of enkele van de bomen waar het om ging ten dele op de grond van eisers stonden is primair civielrechtelijk van aard en kan in deze zaak niet aan de orde komen.

De uitbouw bij het hoofdgebouw

3.1

Met betrekking tot de bouwkundige aspecten van de verleende vergunning ziet de rechtbank aanleiding om allereerst aandacht te besteden aan horizontale afmetingen van het gebouw. Het bouwvlak dat is aangegeven op de bestemmingsplankaart heeft een diepte van 15 meter. De vergunde woning is daarmee in overeenstemming, met uitzondering van een naar achter uitstekende uitbouw met een diepte van circa 6,4 meter, een breedte van circa 4,5 meter en een hoogte van circa 2,9 meter.

3.2

In het bestreden besluit stelt verweerder dat een deel van de uitbouw (een deel met een diepte van 2,4 meter dat grenst aan het bouwvlak) als oorspronkelijk hoofdgebouw is vergund en het overige deel (met een diepte van 4 meter) vergunningvrij is op basis van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor.

3.3

Eisers voeren aan er geen binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid bestaat voor het deel met een diepte van 2,4 meter dat door verweerder gerekend wordt te behoren tot het hoofdgebouw. Voor het overige deel van de uitbouw betogen zij dat volgens artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw alleen vergunningvrij mag worden gebouwd als het gebruik functioneel ondergeschikt is aan dat van het hoofdgebouw. De uitbouw is volgens de bouwtekening echter bestemd als logeerkamer. Dat is een functie die gelijkwaardig is aan die van het hoofdgebouw.
Zij betogen verder dat voor het door verweerder gemaakte onderscheid tussen twee delen van de uitbouw geen basis te vinden is in de vergunningaanvraag. Verweerder mag niet in de aanvraag wijzigingen aanbrengen voor wat de vergunningvrije of vergunningplichtige delen betreft, en al helemaal niet nadat de omgevingsvergunning is verleend.

3.4

Naar aanleiding van onder meer het laatstgenoemde onderdeel van het betoog van eisers heeft de derde-partij aangevoerd dat dit niet eerder naar voren is gebracht. Het inbrengen van nieuwe gronden in de beroepsfase is volgens hem in strijd met de trechterfunctie die is neergelegd in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank overweegt hierover dat volgens vaste rechtspraak geen rechtsregel zich verzet tegen het in een later stadium naar voren brengen van nieuwe argumenten. Daarvan is in dit geval sprake.

3.5

De rechtbank stelt vast dat de twee door verweerder bedoelde delen van de uitbouw noch in functioneel, noch in bouwkundig opzicht te onderscheiden zijn. Volgens de bouwtekening heeft de gehele uitbouw de functie van logeerkamer en strekt die kamer zich ook uit over een deel van het bouwvlak. In de vergunningaanvraag is in geen enkel opzicht aangegeven dat de bouw van een deel van de uitbouw vergunningvrij zou kunnen zijn. Ook in het primaire besluit wordt daar niet over gesproken. Pas in het bestreden besluit heeft verweerder een onderscheid gemaakt tussen twee delen van de uitbouw.
Eisers wijzen er terecht op dat volgens jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:640), in een geval waarin vergunningvrije onderdelen in een aanvraag worden opgenomen, uit de aanvraag onmiskenbaar moet blijken voor welke onderdelen van het bouwplan wel en voor welke onderdelen geen omgevingsvergunning wordt gevraagd.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit niet anders door de op 1 november 2014 in werking getreden wijzigingen in het Bor. Noch de tekst van de wijzigingen, noch de toelichting daarop in Staatsblad 2014, 333, geeft aanleiding voor afwijking van het algemeen geldende uitgangspunt dat een bestuursorgaan moet beslissen op de grondslag van de aanvraag.

3.6

Het beroep is ook hierom gegrond en het bestreden besluit moet ook voor dit onderdeel worden vernietigd. De rechtbank ziet hier evenwel geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Conclusie

4 Omdat de vergunbaarheid van de uitbouw essentieel is voor het bouwplan ziet de rechtbank af van bespreking van de overige door eisers in beroep aangevoerde gronden. Verweerder zal moeten beslissen of hij mogelijkheden ziet om, al dan niet na een gewijzigde aanvraag en al dan niet met behulp van een gewijzigde procedure, alsnog een vergunning te verlenen. Vanwege de ingewikkeldheid van de materie ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van de bestuurlijke lus.

5 Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1237,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ad € 168,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar ongegrond, voor zover dat betrekking heeft op het kappen van bomen;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1237,50;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het griffierecht ten bedrage van € 168,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L. Beijen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.