Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1528

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
C/15/235032 / FA RK 15-6998
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. De activa vallen in de huwelijksgemeenschap. De kennelijk door de man en de vrouw gemaakte afspraken rondom de verhuur van de woningen heeft geen privé vermogen aan de kant van de vrouw noch aan de kant van de man doen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/235032 / FA RK 15-6998 (echtscheiding) en C/15/237853 / FA RK 15-8160 (verdeling)

Beschikking van 1 maart 2017 betreffende de zorg- en opvoedingstaken, de kinderbijdrage en de verdeling van de ontbonden gemeenschap

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.A. IJff, gevestigd te Bergen Nh,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, gevestigd te Alkmaar.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het F9 bericht van de man, ingekomen op 24 januari 2017;

- de brief met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 31 januari 2017;

- de beschikking van deze rechtbank van 1 februari 2017.

Bij beschikking van 1 februari 2017 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de zaak voor het overige aangehouden tot de pro-forma zitting van 1 maart 2017 voor dagbepaling beschikking. De rechtbank heeft de datum bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Hoofdverblijf en zorgregeling

2.1.1.

Met betrekking tot de minderjarigen [minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] en [minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] , heeft de vrouw bij brief van 2 januari 2017, onder wijziging van haar verzoek van 9 juni 2016, de rechtbank verzocht om bij beschikking vast te leggen dat:

-het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw zal zijn en dat de kinderen op haar adres ingeschreven staan;

-de zorgregeling zal inhouden dat de kinderen bij de vrouw zullen zijn van zaterdagavond 19.00 uur tot woensdagavond 19.00 uur en bij de man van woensdagavond 19.00 uur tot zaterdagavond 19.00 uur en voorts dat partijen geen medische en/of cosmetische ingrepen laten uitvoeren zonder toestemming van de andere ouder. Bezoeken aan tandartsen, orthodontisten etc etc zullen steeds in onderling overleg worden ingepland en tevens zal in onderling overleg worden besloten welke ouder het kind vergezelt;

-de vakanties 50% - 50% worden verdeeld, conform de bijlage die de vrouw als productie 38 heeft overgelegd, waarbij de kerstvakantie jaarlijks dient te worden omgewisseld;

2.1.2.

Met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling heeft de man geen zelfstandige verzoeken geformuleerd. Hij heeft ter zitting van 13 januari 2017 aangegeven dat partijen reeds overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van het ouderschapsplan zoals door de man als productie 11 overgelegd.

2.1.3.

De rechtbank stelt vast dat partijen geen door hen beide ondertekend ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van het ouderschapsplan zoals door de man als productie 11 overgelegd.

2.1.4.

De man stemt er mee in dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank verder geen dan wel onvoldoende verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw ter zake de zorgregeling. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en dat de zorgregeling wordt vastgesteld zoals door de vrouw verzocht. Uit de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen volgt reeds dat zij bij de vrouw staan ingeschreven.

2.2.

Onderhoudsbijdrage

2.2.1.

De vrouw heeft de rechtbank - na wijziging van haar verzoek van 9 juni 2016- bij brief van 2 januari 2017 verzocht “om de kinderalimentatie vast te leggen aldus dat de man voor beide kinderen maandelijks € 383,- betaalt naar de kinderrekening en € 126,- aan de vrouw, waarbij de vrouw de kinderbijslag stort” (de rechtbank begrijpt storting van de kinderbijslag op de kinderrekening).

2.2.2.

De man heeft ter zake de onderhoudsbijdrage voor de kinderen geen zelfstandige verzoeken geformuleerd. Hij heeft ter zitting van 13 januari 2017 aangegeven dat partijen reeds overeenstemming hebben bereikt op dit punt. Verder voert de man inhoudelijk verweer tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank begrijpt de visie van de man aldus dat hij een regeling voor ogen heeft waarbij partijen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen dragen wanneer deze bij de man dan wel bij de vrouw zijn. Alle verblijf overstijgende kosten worden betaald van een kinderrekening die gezamenlijk aangehouden wordt. Van deze en/of rekening heeft iedere ouder een pinpas. De man stort maandelijks een bedrag van € 500,- op de gezamenlijke rekening. De vrouw stort maandelijks een bedrag van € 300,- alsmede de kinderbijslag en het kind gebonden budget op de rekening.

2.2.3.

Het is de rechtbank niet gebleken dat partijen ter zake de onderhoudsbijdrage sluitende afspraken hebben gemaakt. Een ouderschapsplan waarin afspraken zijn vastgelegd ontbreekt. Nu de man ter zake de onderhoudsbijdrage geen zelfstandig verzoek heeft geformuleerd, kan de rechtbank niet beslissen op hetgeen de man voor ogen heeft.

2.2.4.

Het verzoek van de vrouw van 2 januari 2017 is, anders dan de man meent, naar het oordeel van de rechtbank niet te laat ingediend. Het betreft een wijziging van een reeds op 9 juni 2016 door de vrouw ingediend verzoek om een onderhoudsbijdrage van € 250,- per kind per maand. Reeds bij dit eerste verzoek heeft de vrouw aangekondigd dat het door haar verzochte bedrag na verkoop van de panden zou kunnen worden herzien.

2.2.5.

De vrouw heeft haar verzoek om een onderhoudsbijdrage en de aanvulling op dat verzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank houdt bij dit oordeel rekening met het gegeven dat de man gedurende het gehele verloop van de procedure onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie. Zo zijn definitieve jaarstukken en aangiften en aanslagen IB over de jaren 2013 t/m 2016 niet volledig door de man overgelegd. De vrouw heeft verder gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door de man op 11 januari 2017 overgelegde alimentatieberekening. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ter zake de onderhoudsbijdrage voor de kinderen toewijzen. De rechtbank wijst er daarbij voor de volledigheid op dat toewijzing van het door de vrouw geformuleerde verzoek er toe leidt dat de man per saldo maandelijks een bedrag van € 509,- ten behoeve van de kinderen moet gaan betalen, € 383,- naar de kinderrekening en € 126,- naar de vrouw. Dit komt vrijwel overeen met hetgeen de man ter zake de onderhoudsbijdrage zelf voor ogen heeft.

2.3.

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht de verdeling vast te stellen van de ontbonden huwelijksgemeenschap zoals is verzocht in het verzoekschrift van 29 oktober 2015 onder sub 15 tot en met 28.

Bij verweerschrift op zelfstandig verzoek heeft de vrouw aanvullend verzocht te verklaren voor recht dat de man gehouden is te voldoen de helft van de hypotheektermijnen betreffende de voormalige echtelijke woning aan [adres] met ingang van 1 maart 2016, alsmede de man te bevelen genoemde termijnen maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen totdat de woning zal zijn verkocht.

De vrouw heeft tevens verzocht de man te bevelen opgave te doen van de saldi met onderliggende afschriften van de banksaldi per peildatum 29 oktober 2015, alsmede de man te bevelen opgave te doen van de FOR en beleggingsrekening per peildatum 29 oktober 2015.

Verder heeft de vrouw verzocht de verdeling met betrekking de huurinkomsten vast te stellen als onder sub 13. verzocht (“vaststellen dat in het kader van de verdeling een bedrag van € 7.490,-- aan de vrouw wordt toegedeeld, dwz een bedrag ter gelijke hoogte aan de vrouw toekomt cq te zijner tijd verrekend kan worden, alsmede vastleggen dat de toekomstige huurinkomsten eveneens aan de vrouw zullen toekomen”.)

2.3.2.

De man heeft bij zelfstandig verzoek van 12 januari 2016 verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen conform sub 8–38 van het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van de man.

Voorts heeft de man bij brief van 8 juni 2016 aanvullende verzoeken geformuleerd rondom de woning te [plaats] .

2.3.3.

In het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben beide partijen verzoeken geformuleerd met betrekking tot de woning aan [adres] en de studio aan [adres] . Zowel de woning als de studio zijn inmiddels verkocht en geleverd aan derden zodat de rechtbank geen beslissing meer behoeft te nemen op de verzoeken van de vrouw geformuleerd onder punt 3a, 3b, 4 en 5 van haar verzoekschrift van 29 oktober 2015. Aan de zijde van de man behoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen op de verzoeken geformuleerd op pagina 5 van zijn aanvullend verzoekschrift van 8 juni 2016.

2.3.4.

Met inachtneming van hetgeen hierboven onder punt 2.3.3. is overwogen stelt de rechtbank vast dat partijen in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijks gemeenschap en de overige financiële afwikkeling van hun huwelijk nog twisten over de volgende onderwerpen:

-onderneming van de man, “ [naam] ”, met inventaris en apparatuur;

-onderneming van de vrouw, “ [naam] ”;

-bankgarantie;

-levensverzekering bij [naam] , op naam van de man, polisnummer [nummer] ;

-belastinglatenties;

-auto’s, [merk] , [merk] ;

-belastingteruggaaf 2014;

-vergoedingsvordering vrouw m.b.t. kosten kinderen;

-vordering vrouw teruggaaf hypotheekrente;

-vordering vrouw verdeling huurinkomsten;

-verdeling saldi bankrekeningen;

-pensioen.

2.3.5.

Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen.

2.3.6.

De man is van mening dat voor de samenstelling en de waardering van de ontbonden huwelijksgemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift als peildatum moet worden gehanteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om wat betreft de peildatum af te wijken van de geldende jurisprudentie en zal als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap uitgaan van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 29 oktober 2015. Voor wat betreft de waarde van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal de rechtbank uitgaan van het moment van verdeling. Een en ander voor zover de rechtbank op onderdelen niet afwijkt van het voorafgaande.

2.3.7.

De rechtbank zal in het navolgende de hierboven onder punt 2.3.4. genoemde

onderwerpen behandelen.

2.4.

De onderneming van de man, “ [naam] ” en de onderneming van de

vrouw,“ [naam] ”

2.4.1.

De man voert onder de naam [naam] een onderneming in de vorm

van een eenmanszaak. De vrouw voert onder de naam [naam] een onderneming, eveneens in de vorm van een eenmanszaak.

Bij zelfstandig verzoek van 12 januari 2016 heeft de man onder punt 25 verzocht te bepalen dat de goederen ten behoeve van het continueren van zijn onderneming, aan hem worden toebedeeld. Ter zake de onderneming van de vrouw heeft de man verzocht om te bepalen dat de goederen ten behoeve van het continueren van haar onderneming, aan haar worden toebedeeld. Aan de hand van de stellingen van de vrouw begrijpt de rechtbank dat ook zij een dergelijke benadering rondom de beide ondernemingen voor ogen heeft.

Uit de brief van de man van 8 juni 2016 maakt de rechtbank op dat de man niet langer verzoekt om toedeling aan hem en aan de vrouw van enkel de goederen ten behoeve van het continueren van zijn onderneming en die van de vrouw, maar dat de man zijn onderneming aan hem toegedeeld wil hebben waarbij voor de waarde uitgegaan moet worden van de boekwaarde van de onderneming. De rechtbank begrijpt dat de man ter zake de onderneming van de vrouw ook een dergelijke benadering voor ogen staat, waarbij de boekwaarden van beide ondernemingen in de verdeling betrokken moeten worden. De vrouw heeft aangevoerd dat deze benadering niet juist is.

2.4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de onderneming van de man en de onderneming van de vrouw geen goederen zijn en dat de eenmanszaak als zodanig niet aan de man kan worden toegedeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. De activa vallen in de huwelijksgemeenschap. Voor zover de man een waardering van beide ondernemingen voor ogen heeft, overweegt de rechtbank dat voor een waardering van de ondernemingen als geheel geen ruimte is, nu zoals hiervoor overwogen het eenmanszaken betreft, die geen afgescheiden vermogen kennen. Nu het om eenmanszaken gaat dient het ondernemingsvermogen te worden verdeeld waarbij het gaat om de waarde van de activa en de passiva in de eenmanszaken.

2.5.

Waarde activa eenmanszaak vrouw

2.5.1.

Voor wat betreft de waarde van de activa in de eenmanszaak van de vrouw zal de rechtbank aansluiten bij de door de vrouw in haar brief van 2 januari 2017 genoemde waarde van de inventaris van € 1.000,-. De man heeft deze waarde niet betwist. De rechtbank zal de activa in de eenmanszaak van de vrouw voor een bedrag van € 1.000,- in de verdeling betrekken.

2.6.

Waarde activa, inventaris en apparatuur, eenmanszaak man

2.6.1.

Partijen twisten over de waarde van de inventaris en de apparatuur die de man gebruikt ten behoeve van zijn onderneming.

Onder verwijzing naar een bijlage bij een brief van [naam] van 17 december 2013, productie 12 van de vrouw, stelt de vrouw dat de waarde van de inboedel en apparatuur afgerond en rekening houdende met de marktwaarde € 110.000,- bedraagt.

De vrouw heeft verder als productie 37 een rapport overgelegd van [naam] van 26 maart 2010. Dit rapport is opgesteld in opdracht van [naam] , de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van de man. In dit rapport is onder meer opgenomen:

Bedrijfsmiddelen

De gebruikelijke inrichting van een fotostudio met lampen, statieven, camera’s en computer.

Verzekerde is begonnen met een kleinbeeldcamera met lenzen, vervolgens gegroeid naar een middenformaat (6 bij 6 cm negatief) en later overgegaan naar een technische camera (platencamera) waarbij de negatief formaat 4 bij 5 inch is. Deze laatste camera biedt een hogere scherpte c.q. kwaliteit. De totale waarde van de bedrijfsinrichting inclusief camera’s bedraagt ongeveer € 150.000,-.

2.6.2.

Volgens de man vertegenwoordigt de apparatuur nauwelijks enige vermogensrechtelijke waarde. Als productie 13 heeft de man een taxatierapport van 6 januari 2017 overgelegd, opgesteld door [naam] , beëdigd makelaar en taxateur. Aan de hand van dit rapport stelt de man dat de waarde van de inventaris en apparatuur € 12.725,- bedraagt.

Als productie 10 bij de brief van 13 september 2016 had de man reeds overgelegd een taxatierapport d.d. 30 augustus 2016 van [naam] , volgens de man een beëdigd taxateur verbonden aan [naam] . Uit dit rapport volgt een waarde van € 14.475,- van de getaxeerde apparatuur. Uit de taxatierapporten van [naam] en [naam] blijkt het de rechtbank dat zij beide vrijwel dezelfde apparaten hebben getaxeerd.

2.6.3.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat hetgeen [naam] heeft getaxeerd aan apparatuur niet de gehele inventaris omvat. Voorts heeft de vrouw aangegeven dat het door de rechtbank benoemen van een taxateur geen zin meer heeft, omdat niet meer boven tafel te krijgen is wat de volledige omvang van de inventaris en apparatuur is. De man heeft niet verzocht om benoeming door de rechtbank van een taxateur.

2.6.4.

Het is niet ongebruikelijk om voor wat betreft de waarde van de activa aan te sluiten bij hetgeen in de jaarrekening is vermeld. De rechtbank ziet echter aanleiding om wat betreft de waarde van de apparatuur niet aan te sluiten bij hetgeen in de jaarrekening is vermeld. De man heeft ter zake 2015 het fiscaal rapport aangifte IB 2015 overgelegd. Dit rapport is opgesteld op 5 januari 2017. Uit dit rapport kan worden opgemaakt dat de “overige materiele vaste activa” zijn gewaardeerd op een bedrag van € 5.528,-. Dit bedrag is aanzienlijk lager dan het resultaat van de op 6 januari 2017 door taxateur [naam] uitgevoerde taxatie. De taxateur kwam voor de inventaris tot een waarde van € 12.725,-. De rechtbank zal voor de waarde van de inventaris en apparatuur dan ook niet aanknopen bij het fiscaal rapport over het jaar 2015.

In het concept jaarrapport 2013 is op pagina 5 als aanschafwaarde van de inventaris een bedrag van € 53.760,- opgenomen. In het jaarrapport 2014 is als aanschafwaarde van de inventaris een bedrag van € 54.397,- opgenomen. In het concept jaarrapport is eveneens een bedrag van € 54.397,- als aanschafwaarde van de inventaris opgenomen. Deze in de jaarrapporten opgenomen aanschafwaarde van de inventaris wijkt opmerkelijk af van de totale waarde van de bedrijfsinrichting, inclusief camera’s, zoals in het rapport van [naam] van 26 maart 2010 is genoemd.

2.6.6.

De man heeft de juistheid van het rapport van [naam] van 26 maart 2010 niet betwist. De vrouw heeft in haar brief van 14 september 2016 gemotiveerd uiteengezet waarom de waarde van de apparatuur voor een bedrag van € 110.000,- in de verdeling moet worden betrokken. De man heeft in de kern slechts gesteld dat hij in de loop der jaren ook weer apparatuur heeft verkocht en dat de apparatuur er in waarde op achteruit is gegaan. Uitgaande van de kennelijke redenering van de man zou de totale waarde van de bedrijfsinrichting vanaf 2010 zijn afgenomen van € 150.000,- (waardebepaling [naam] ) naar een bedrag van € 5.528,- (taxatie [naam] ).

2.6.7.

Stukken waaruit de door de man aangenomen waardevermindering van de bedrijfsmiddelen blijkt, dan wel stukken waaruit blijkt dat hij apparatuur heeft verkocht, heeft de man echter niet in het geding gebracht. Een deugdelijke weerlegging van hetgeen de vrouw heeft gesteld rondom de waarde van de apparatuur ontbreekt eveneens. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw dan ook volgen in haar stelling dat de waarde van de apparatuur voor een bedrag van € 110.000 dient te worden meegenomen in de verdeling.

2.7.

Belastinglatenties

2.7.1.

Wat betreft de schulden hebben partijen enkel stellingen ingenomen rondom nog te verwachten belastingaanslagen, door partijen ook wel belastinglatenties genoemd, die zullen voortkomen uit de fiscale afwikkeling van de stille reserves die samenhangen met de verkoop van de Studio in [plaats] en de woning te [plaats] , welke onroerende goederen door partijen ook deels zakelijk werden gebruikt.

2.7.2.

Andere schulden dan de te verwachten belastingschuld, zijn door partijen niet gesteld. Wat betreft de belastinglatenties hebben partijen aangegeven dat deze voort komen uit de fiscale afwikkeling van de in beide ondernemingen opgebouwde stille reserves. Wat betreft de omvang van de belastinglatenties wijst de rechtbank er op dat het niet aan de rechtbank is om vast te stellen wat de omvang ervan zal zijn. De rechtbank zal op dit punt bepalen dat ter zake de belastingaanslagen die voortkomen uit de fiscale afwikkeling van de stille reserves die samenhangen met de verkoop van de Studio in [plaats] en de woning te [plaats] , de wettelijke regeling rondom aansprakelijkheid en draagplicht van huwelijkse schulden zal gelden. Partijen hebben over en weer geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan een afwijking van het wettelijke stelsel aan de orde zou kunnen zijn.

2.8.

Auto’s
2.8.1. Bij aanvang van de procedure had de man een personenauto merk [merk] in gebruik en de vrouw een personenauto merk [merk] . Ter zitting van 13 januari 2017 heeft de vrouw verklaard dat de [merk] is opgebruikt en dat zij deze op 30 december 2016 heeft verkocht aan een opkoper. De rechtbank overweegt dat de [merk] op de peildatum onderdeel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar dat de waarde thans nihil is en buiten beschouwing zal worden gelaten.

2.8.2.

Partijen twisten over de waarde van de [merk] . De vrouw stelt onder verwijzing naar een print van een door haar uitgevoerde zoekopdracht op [naam] dat de waarde van de [merk] € 14.500,- bedraagt. De man heeft een door [naam] op 9 juni 2016 uitgevoerde waardebepaling overgelegd, waaruit een dagwaarde zou volgen van € 5.750,-. De rechtbank zal van deze waarde uitgaan, nu [naam] handelt in onder meer [merk] en ter zake als deskundig mag worden beschouwd. De vrouw heeft nagelaten zelf een deugdelijke waarde bepaling in het geding te brengen. De [merk] zal aan de man worden toebedeeld en zal voor een bedrag van € 5.750,- in de verdeling worden betrokken.

2.9.

Bankgarantie

2.9.1.

De vrouw heeft in haar inleidend verzoekschrift gesteld dat er in de onderneming van de man sprake is van een bankgarantie van € 19.870,- welke in de verdeling dient te worden betrokken. Ter zitting hebben partijen aangeven dat de bankgarantie vanwege de verkoop van de studio te [plaats] en de aflossing van de daarop rustende hypotheekschuld geen rol meer speelt in de verdeling. De rechtbank zal de bankgarantie- voor zover deze al in de verdeling kon worden betrokken- verder dan ook buiten beschouwing laten.

2.10.

[bank] beleggingsrekening met nummer [nummer]

2.10.1.

De aan de hypotheek gekoppelde [bank] beleggingsrekening met nummer [nummer] is bij verkoop van het onroerend goed niet afgekocht en komt derhalve voor verdeling in aanmerking. Uit het door de man bij brief van 24 januari 2017 overgelegde portefeuille overzicht maakt de rechtbank op dat de waarde van de rekening op 13 januari 2017 € 34.472,52 bedroeg. De rechtbank zal de beleggingsrekening voor dit bedrag in de verdeling betrekken. De man heeft voorgesteld om de beleggingsrekening, onder verdeling van de waarde aan hem toe te delen, waartegen de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank zal aldus beslissen.

2.11.

[naam] (lijfrentepolis) met polisnummer [nummer]

2.11.1

De man heeft voorgesteld om [naam] (lijfrentepolis) met polisnummer [nummer] aan hem toe te delen. Hij gaat uit van de waarde van de polis per 31 december 2015, zijnde

€ 37.943,-. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een latente belastingclaim welke op 30% dient te worden gesteld. De helft van de daarna resterende netto waarde, € 26.560,-/ 2 = € 13.280,- zal in het kader van de verdeling aan de vrouw toekomen.

2.11.2.

De rechtbank zal de man volgen in de door hem voorgestelde methodiek en genoemde bedragen. De vrouw heeft hiertegen geen dan wel onvoldoende verweer gevoerd. De rechtbank zal conform het voorstel van de man beslissen. De rechtbank zal de polis voor een bedrag van € 26.560,- in de verdeling betrekken.

2.12.

Bankrekeningen

2.12.1

Aan de hand van productie 15 van de vrouw stelt de rechtbank vast dat aan de zijde van de vrouw op of omstreeks de peildatum van 29 oktober 2015 de volgende bankrekeningen en saldi onderdeel uitmaken van de te verdelen gemeenschap:

-het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , saldo door de vrouw gesteld op 26 oktober 2015: € 15.638,71;

-het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , saldo op 29 oktober 2015: € 9.117,07 met reservering huurinkomsten van man van € 7.490,-;

-het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , zakelijke rekening, saldo op 29 oktober 2015: € 19.251,70, waarvan volgens vrouw € 12.212,- aan freelancers dient te worden betaald.

Verder blijkt uit productie 15 van de vrouw dat partijen gezamenlijk een en/of rekening hebben bij de [bank] met nummer [nummer] met een saldo per 29 oktober 2015 van € 1.621,38.

2.12.2.

Aan de hand van productie 20 van de vrouw stelt de rechtbank vast dat aan de zijde van de man op of omstreeks de peildatum van 29 oktober 2015 de volgende bankrekeningen en saldi onderdeel uitmaken van de te verdelen gemeenschap:

- het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , saldo op 29 oktober 15: € 7.295,45;

- het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , saldo op 29 oktober 2015: € 2.498,98;

-het saldo op de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , saldo op 29 oktober 2015: € 635,58.

De man heeft in zijn verweerschrift van 12 januari 2016 gesteld dat de vrouw nog de volgende bankrekeningen heeft:

-bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] ;

-bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer]

-bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer]

-bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer]

De vrouw heeft het bestaan van deze rekeningen betwist. De man heeft het bestaan van deze rekeningen niet nader onderbouwd. De rechtbank zal deze rekeningen buiten beschouwing laten, dit volledigheidshalve onder verwijzing naar de werking van artikel 3: 194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.12.3.

De rechtbank gaat aan de zijde van de man uit van een totaal aan banksaldi van € 10.430,- ten tijde van de peildatum van 29 oktober 2015. De saldi op de op naam van de man gestelde bankrekeningen worden, voor zover nog aanwezig, aan hem toebedeeld, onder vergoeding aan de vrouw van een bedrag van € 5.215,-.

2.12.4.

De rechtbank gaat aan de zijde van de vrouw uit van een totaal aan bank saldi van € 44.007,48 ten tijde van de peildatum van 29 oktober 2015. De saldi op de op haar naam gestelde bankrekeningen worden, voor zover nog aanwezig, aan haar toebedeeld, onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 22.003,74.

2.12.5.

De rechtbank zal geen rekening houden met hetgeen de vrouw ter zake haar zakelijke rekening heeft gesteld omtrent het nog moeten betalen aan freelancers van een bedrag van € 12.212,-. Als productie 21 heeft de vrouw weliswaar facturen overgelegd van naar de rechtbank begrijpt freelancers, de vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij deze facturen vanuit het saldo op de [bank] bankrekening met nummer [nummer] heeft voldaan. Verder houdt de rechtbank geen rekening met “reservering huurinkomsten [de man] € 7.490”, dit vanwege hetgeen de rechtbank hieronder nog zal beslissen rondom het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht ter zake de huurinkomsten.

2.12.6.

Partijen dienen het saldo op de en/of rekening op de peildatum te delen. Aan ieder komt een bedrag van € 317,79. Indien deze rekening nog aanwezig is dienen partijen de rekening gezamenlijk te beëindigen dan wel een afspraak te maken over het voortgezet gebruik er van.

2.13.

Belasting teruggaaf 2014 vanwege hypotheekrenteaftrek

2.13.1.

De vrouw heeft gesteld dat de man over 2014 van de belastingdienst een teruggaaf ter zake hypotheekrente heeft ontvangen van € 9.713,- De vrouw maakt aanspraak op de helft van dit bedrag.

De man heeft verweer gevoerd en aangevoerd dat partijen ter zake de verdeling van de fiscale teruggaven een afwijkende verdeling zijn overeengekomen, inhoudende dat 2/3e deel aan de man toekomt en 1/3e deel aan de vrouw. De man verwijst daarbij naar de aangifte IB over de jaren 2013 en 2014 waaruit deze afspraak zou moeten blijken.

2.13.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Er was tijdens het huwelijk slechts één vermogen, te weten het huwelijksvermogen. De door de man genoemde afspraak heeft geen privé vermogen aan zijn kant doen ontstaan. Hetgeen de man en de vrouw gedurende het huwelijk aan teruggaaf van de belastingdienst hebben ontvangen is ten goede gekomen aan de huwelijksgemeenschap. Deze gelden zullen dan wel zijn besteed aan de gewone gang van het huishouden, dan wel zijn verwaterd met de saldi van de bankrekeningen. Met de verdeling van de ontbonden huwelijkse gemeenschap wordt indirect verdeeld hetgeen partijen aan teruggaaf van de belastingdienst hebben ontvangen, waaronder de teruggaaf over 2014. Voor een aparte vordering van de vrouw is geen grondslag aanwezig. Indien het echter zo is dat de man de teruggaaf hypotheekrente over het jaar 2014 pas heeft ontvangen ná de peildatum van 29 oktober 2015, dan dient de man de helft van die teruggaaf wel te vergoeden aan de vrouw. Immers, in dat geval is de teruggaaf nog niet via de verdeling van de banksaldi tussen partijen verdeeld.

2.14.

Vergoedingsvordering

2.14.1.

De vrouw stelt dat bij de voorlopige vaststelling van de (kinder)alimentatie en de kosten is uitgegaan van onvolledige en onjuiste gegevens. Dit heeft er volgens de vrouw toe geleid dat de verdeling van de kosten achteraf onjuist blijkt te zijn geweest. Doordat de vrouw een onevenredig hoog bedrag heeft bijgedragen, zijn haar financiële reserves vrijwel uitgeput terwijl was afgesproken dat partijen ieder de eigen banksaldi zou kunnen behouden.

De man heeft verweer gevoerd.

2.14.2.

De rechtbank wijst er op dat niet meer aan de orde is dat partijen de eigen banksaldi behouden. Het totaal aan bank saldi op de peildatum dient gelijk tussen partijen te worden verdeeld. Niet de financiële reserves van de vrouw zijn gebruikt ten behoeve van de kosten, maar de financiële reserves van de huwelijksgemeenschap. Voorts merkt de rechtbank op dat zij niet kan vaststellen dat de vrouw een onevenredig hoog bedrag heeft bijgedragen aan de kosten van de kinderen. De rechtbank wijst daarbij op de artikelen 1: 82 en 1: 85 Burgerlijk Wetboek. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw op dit punt af.

2.15.

Huurinkomsten

2.15.1.

Partijen hebben ten tijde van het huwelijk besloten om het atelier behorend bij de woning te [plaats] te verhuren. Daarnaast werd ook de echtelijke woning in de zomermaanden verhuurd. De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw een specificatie van de ontvangen huurinkomsten aan de man zou verstrekken voor het einde van de maand, op welke inkomsten de vrouw een bedrag van 10% in mindering kon brengen als vergoeding voor de kosten betreffende de verhuur. Het resterende bedrag zou tussen partijen worden verdeeld bij helfte, aldus dat het in mindering zou strekken op de te betalen woonlasten. De man stelt dat de vrouw de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Hij verzoekt concreet te bepalen dat de vrouw de huuropbrengsten binnen twee weken na de te wijzen beschikking aan de man specificeert en het bedrag op de gemeenschappelijke [bank] en/of bankrekening met nummer [nummer] stort, althans de helft van dat bedrag binnen genoemde termijn aan de man betaalt.

2.15.2.

De vrouw geeft aan dat partijen in het najaar van 2014 voorlopige afspraken hebben gemaakt met betrekking tot onder meer de huurinkomsten. Deze afspraak hing samen met de voorlopige afspraken over de kosten van de kinderen. Nadat deze afspraak was gemaakt, bleek het de vrouw dat de man naast zijn resultaat uit onderneming ook nog een uitkering van € 32.721,- per jaar ontving van zijn particuliere arbeidsongeschiktheidverzekeraar. Gelet op het hogere inkomen van de man heeft de vrouw gepoogd om met de man andere afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen te maken. Dat is aldus de vrouw niet gelukt. Omdat de man geen hogere bijdrage is gaan betalen, heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien om een deel van de huurinkomsten aan te wenden ten behoeve van de kosten van de kinderen. De vrouw verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat in het kader van de verdeling een bedrag van € 7.490,- aan de vrouw zal worden toegedeeld. In samenhang met de woning te [plaats] verzoek te vrouw voorts te bepalen dat de man gehouden is te voldoen de helft van de hypotheekrentetermijnen betreffende de woning te [plaats] met ingang van 1 maart 2016.

2.15.3.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Er was tijdens het huwelijk slechts één vermogen, te weten het huwelijksvermogen. De kennelijk door de man en de vrouw gemaakte afspraken rondom de verhuur van de woningen heeft geen privé vermogen aan de kant van de vrouw noch aan de kant van de man doen ontstaan. Hetgeen via de verhuur van het atelier en een deel van het woonhuis tot de peildatum van 29 oktober 2015 is ontvangen is ten goede gekomen aan de huwelijksgemeenschap, en is opgegaan in de banksaldi. De kosten van de woning, waaronder de betaling van de hypotheekrente is ten laste gegaan van het huwelijksvermogen. Tot de peildatum zijn er tussen partijen ter zake de kosten over een weer geen vergoedingsrechten ontstaan noch zijn er vorderingsrechten ontstaan. De rechtbank zal de verzoeken zoals partijen die over en weer hebben gedaan ter zake de huurinkomsten en de kosten van de woning, waaronder de hypotheekrente, dan ook afwijzen, voor zover het de periode tot 29 oktober 2015 betreft.

2.15.4.

Vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 29 oktober 2015, is de 7e titel van Boek 3 Burgerlijk Wetboek van toepassing. Wat betreft de woning komt dit er kort gezegd op neer dat partijen als deelgenoten in de gemeenschap de aan de woning verbonden kosten in gelijke mate dienen te dragen en dat de opbrengsten, in gelijke mate ten goede komen aan beide. Vanaf 29 oktober 2015 dient de man de helft van de hypotheekrente voor zijn rekening te nemen. Indien de vrouw meer dan de helft van de hypotheekrente heeft voldaan, dan dient de man hetgeen hij te weinig heeft betaald aan de vrouw te vergoeden. Wat betreft de huurinkomsten geldt dat hetgeen de vrouw heeft ontvangen, na aftrek van de niet betwiste 10% aan kosten van de verhuur, voor de helft aan de man dient te worden betaald.

2.15.5.

Ter zake de hypotheekrente heeft de vrouw haar verzoek beperkt tot de periode vanaf 1 maart 2016. De man heeft niet aangetoond dat hij vanaf 1 maart 2016 tot datum levering woning de helft van de hypotheekrente ter zake de woning te [plaats] heeft voldaan. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.

2.15.6.

Met betrekking tot de huurinkomsten heeft de vrouw als productie 17, productie 19 en productie 41 overzichten in het geding gebracht waarin de vrouw de huurinkomsten en kosten van de verhuur heeft beschreven. Productie 41 bevat het totaal overzicht van kosten en verhuurinkomsten. De inkomsten en kosten met betrekking op de periode tot de peildatum van 29 oktober 2015 worden door de rechtbank buiten beschouwing gelaten, dit gelet op hetgeen hierboven onder punt 2.15.3. is overwogen. Aan de hand van productie 41 stelt de rechtbank vast dat de inkomsten van verhuur na aftrek van de kosten vanaf 29 oktober 2015 bedragen: € 2.350,- + € 388,- = € 2.738,-. Van andere verhuurinkomsten over de periode vanaf 29 oktober 2015 tot verkoop woning is de rechtbank niet gebleken. De door de man gestelde huurinkomsten van € 10.000,-- zijn door hem niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal beslissen dat de vrouw de helft van de inkomsten uit verhuur, € 1.369,- aan de man dient te betalen.

2.16.

FOR

2.17.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank de man te bevelen opgaaf te doen van de Fiscale Oudedag Reserve (FOR). De man heeft geen verweer gevoerd. Het ligt op de weg van de man om de vrouw te informeren over de vraag of hij met gebruik making van de fiscale faciliteit van de oudedagreserve daadwerkelijk een reserve heeft opgebouwd. Het verzoek van de vrouw wordt toegewezen.

2.17.

Pensioen

2.17.1.

De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw binnen een maand na de te wijzen beschikking medewerking verleent aan de verevening van haar pensioenaanspraken door ondertekening van de daartoe benodigde formulieren. De vrouw heeft onbetwist aangegeven geen pensioen te hebben opgebouwd tijdens het huwelijk. De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. De rechtbank wijst er echter op dat indien partijen wel te verevenen pensioen hebben opgebouwd uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding volgt dat partijen verplicht zijn om, daar waar het pensioen valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, medewerking te verlenen aan de verevening van de pensioenaanspraken door ondertekening van de daartoe benodigde formulieren.

2.18

Samenvattend

Gelet op het voorafgaande zal de rechtbank de verdeling van de ontbonden gemeenschap als volgt vaststellen:

Aan de vrouw wordt toebedeeld

-de goederen ten behoeve van het continueren van de onderneming [naam] , voor een bedrag van € 1.000,-

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , € 15.638,71;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , € 9.117,07;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] € 19.251,70;

Totaal aan vrouw: € 45.007,48.

Aan de man wordt toebedeeld

-de goederen, waaronder de inventaris en apparatuur ten behoeve van het continueren van de onderneming [naam] , voor een bedrag van € 110.000,-

- het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 7.295,45;

- het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 2.498,98;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 635,58;

- [merk] , voor een bedrag van € 5.750,-;

-de [naam] (lijfrentepolis) met polisnummer [nummer] voor een bedrag van € 26.560,-;

-de [bank] beleggingsrekening met nummer [nummer] voor een bedrag van € 34.472,52 bedroeg.

Totaal aan man: € 187.212,53

Totale waarde van de verdeling € 232.220,-, ieders aandeel = € 116.110,-. Door man aan vrouw te vergoeden € 116.110 -/- 45.007,48 = 71.102,52. De man verkrijgt dan € 187.212,53 -/- 71.102,52 = 116.110,-.

Aan ieder der partijen komt voorts toe de helft van het saldo per 29 oktober 2015 van de en/of rekening de [bank] met nummer [nummer] , zijnde € 810,69

2.19.

Proceskosten

2.19.1.

De rechtbank zal bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten draagt..

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] en [minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

3.2.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

-de kinderen zijn bij de vrouw van zaterdagavond 19.00 uur tot woensdagavond 19.00 uur en bij de man van woensdagavond 19.00 uur tot zaterdagavond 19.00 uur, partijen zullen geen medische en/of cosmetische ingrepen laten uitvoeren zonder toestemming van de andere ouder. Bezoeken aan tandartsen, orthodontisten etc etc zullen steeds in onderling overleg tussen de ouders worden ingepland en tevens zal in onderling overleg worden besloten welke ouder het kind vergezelt bij een bezoek aan tandarts, orthodontist etc.;

-de tijd dat de kinderen gedurende hun vakanties bij de man en de vrouw zijn worden 50% - 50% verdeeld, conform de bijlage die de vrouw als productie 38 heeft overgelegd, waarbij de kerstvakantie jaarlijks dient te worden omgewisseld;

3.3.

bepaalt dat de man voor beide kinderen maandelijks € 383,- dient over te maken naar de kinderrekening en € 126,- aan de vrouw, waarbij de vrouw de kinderbijslag stort op de kinderrekening, dit met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap als volgt vast:

Aan de vrouw wordt toebedeeld

-de goederen ten behoeve van het continueren van de onderneming [naam] , voor een bedrag van € 1.000,-

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , € 15.638,71;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] , € 9.117,07;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de vrouw met nummer [nummer] € 19.251,70;

Totaal aan vrouw: € 45.007,48

Aan de man wordt toebedeeld

-de goederen, waaronder de inventaris en apparatuur ten behoeve van het continueren van de onderneming [naam] , voor een bedrag van € 110.000,-

- het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 7.295,45;

- het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 2.498,98;

-het saldo op de bankrekening alsmede de bankrekening bij de [bank] van de man met nummer [nummer] , € 635,58;

- [merk] , voor een bedrag van € 5.750,-;

-de [naam] (lijfrentepolis) met polisnummer [nummer] voor een bedrag van € 26.560,-;

-de [bank] beleggingsrekening met nummer [nummer] voor een bedrag van € 34.472,52 bedroeg.

Totaal aan man: € 187.212,53;

bepaalt dat de man binnen een maand na de datum van deze beschikking uit hoofde van overbedeling aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 71.102,52.;

3.5.

bepaalt dat de man de helft van de ten behoeve van de woning te [plaats] betaalde hypotheekrente aan de vrouw dient te vergoeden, voor zover het de periode vanaf 1 maart 2016 betreft;

3.6.

bepaalt dat de vrouw de man een bedrag dient te betalen van €1.369,-, zijnde de helft van de huurinkomsten vanaf 29 oktober 2015 tot datum levering woning;

3.7.

beveelt dat de man binnen een maand na datum van deze beschikking de vrouw opgaaf doet van de Fiscale Oudedag Reserve (FOR);

3.8.

bepaalt dat ter zake de belastingaanslagen die voortkomen uit de fiscale afwikkeling van de stille reserves die samenhangen met de verkoop van de Studio in [plaats] en de woning te [plaats] , de wettelijke regeling rondom aansprakelijkheid en draagplicht van huwelijkse schulden van toepassing is;

3.9.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

3.10.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 1 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..