Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1408

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2599
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder ten onrechte de Awr heeft toegepast omdat het gaat om een naheffingsaanslag die is opgelegd op grond van de gemeentelijke Parkeerverordening. Uit artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat de Awr ook van toepassing is voor gemeentelijke belastingen, waaronder ook de parkeerbelasting valt. De geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Awr heeft niet uitsluitend betrekking op de naheffingsaanslag zoals eiser ter zitting heeft betoogd, maar op alle informatie die verweerder uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van gemeentelijke belastingregelgeving is gebleken of meegedeeld. Ook de door eiser verzochte bezwaarschriften, beslissingen op bezwaarschriften, e-mailwisselingen en de beslissing om hoger beroep in te stellen betreft informatie die verweerder uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van gemeentelijke belastingregelgeving is gebleken of meegedeeld.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek om openbaarmaking van documenten getoetst dient te worden aan de geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Awr en niet aan de Wob.

Of de informatie op grond van artikel 67 van de Awr verstrekt kan worden, staat niet ter beoordeling van de bestuursrechter. Een besluit op grond van artikel 67 van de Awr is in de Awr niet aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikking en valt evenmin onder de andere categorie waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr beroep bij de bestuursrechter openstaat. Hierover kan dan ook uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Nu verweerder zijn besluit terecht heeft gebaseerd op de Awr is de rechtbank gelet op artikel 26, eerste lid, van de Awr niet bevoegd om kennis te nemen van het door eiser ingestelde beroep. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 231, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0643
V-N Vandaag 2017/512
Belastingblad 2017/171

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/2599

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: mr. Y.A. van Baak en mr. R. Wittenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het door eiser op 10 november 2014 ingediende verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 1 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van toepassing is. Voor zover de Wob van toepassing is heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft het weglakken van de namen van de bezwaarmaker en de ambtenaren die zijn genoemd in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2014. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 januari 2017 de rechtbank in gesloten envelop de aan eiser

geweigerde stukken toegezonden met een beroep op geheimhouding.

Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is gemeenteraadslid in [plaats] voor de [naam] . Bij brief van 10 november 2014 heeft eiser verweerder op grond van de Wob verzocht om de documenten die betrekking hebben op een op 30 juni 2013 niet aan hem zelf opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting openbaar te maken. Hij verzoekt om de naheffingsaanslag, het bezwaarschrift van de persoon aan wie de naheffingsaanslag is opgelegd, de reactie hierop van verweerder, het beroepschrift dat is ingediend bij de rechtbank en de uitspraak van de rechtbank. Verder verzoekt hij om alle relevante documenten, inclusief e-mailwisseling tussen de betrokken afdelingen en de beslissing van verweerder tot het instellen van hoger beroep.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten dat de naheffingsaanslag, het bezwaarschrift gericht tegen deze naheffingsaanslag, de reactie hierop van verweerder, het beroepschrift dat is ingediend bij de rechtbank en de beslissing om hoger beroep in te stellen niet openbaar worden gemaakt, omdat op deze documenten de geheimhoudingsplicht zoals neergelegd in artikel 67 van de Awr van toepassing is. Dit geldt ook voor de memo die als bijlage bij één van openbaar gemaakte e-mails is gevoegd waarin de namen van de betrokken ambtenaren zijn geanonimiseerd. In deze memo wordt de gang van zaken rond het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting uiteengezet en het besluit om hoger beroep in te stellen. Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2014 geeft verweerder aan dat deze reeds openbaar is gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. Het beroep op de Wob wordt toegekend voor zover het betreft de gevraagde

e-mailwisselingen tussen de Griffie, Bestuursondersteuning en Belastingen, zij het dat deze e-mails zijn geanonimiseerd.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de documenten die op grond van de Awr niet openbaar gemaakt worden. Ten aanzien van het Wob-verzoek heeft verweerder het primaire besluit aangepast in de zin dat eisers naam openbaar is gemaakt in de stukken evenals de namen van de ambtenaren die worden genoemd in de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2014. Bij brief van 20 januari 2017 heeft verweerder meegedeeld dat in de e-mail van 5 november 2014 ten onrechte de namen van de gemeentesecretaris en de leden van het college zijn weggelakt. Verweerder heeft deze namen alsnog openbaar gemaakt.

3. Ter zitting is vast komen te staan dat in geschil is het besluit van verweerder voor zover daarbij de openbaarmaking van de door eiser gevraagde documenten wordt geweigerd op grond van artikel 67 van de Awr.

4. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, geschieden onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Awr is het een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt de geheimhoudingsplicht niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr, kan in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

5.1.

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de Awr heeft toegepast. De Awr is volgens eiser niet van toepassing omdat het een naheffingsaanslag betreft die is opgelegd op grond van de gemeentelijke Parkeerverordening.

5.2.

De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Uit artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat de Awr ook van toepassing is voor gemeentelijke belastingen, waaronder ook de parkeerbelasting valt. De geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Awr heeft niet uitsluitend betrekking op de naheffingsaanslag zoals eiser ter zitting heeft betoogd, maar op alle informatie die verweerder uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van gemeentelijke belastingregelgeving is gebleken of meegedeeld. Ook de door eiser verzochte bezwaarschriften, beslissingen op bezwaarschriften, e-mailwisselingen en de beslissing om hoger beroep in te stellen betreft informatie die verweerder uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van gemeentelijke belastingregelgeving is gebleken of meegedeeld.

5.3.

Zoals uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041), houdt artikel 67 van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling in met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek om openbaarmaking van documenten getoetst dient te worden aan de geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Awr en niet aan de Wob.

5.4.

Of de informatie op grond van artikel 67 van de Awr verstrekt kan worden, staat niet ter beoordeling van de bestuursrechter. Een besluit op grond van artikel 67 van de Awr is in de Awr niet aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikking en valt evenmin onder de andere categorie waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr beroep bij de bestuursrechter openstaat. Hierover kan dan ook uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Nu verweerder zijn besluit terecht heeft gebaseerd op de Awr is de rechtbank gelet op artikel 26, eerste lid, van de Awr niet bevoegd om kennis te nemen van het door eiser ingestelde beroep. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren.

6. Ter zitting heeft eiser het door hem ingestelde beroep ter zake van het Wob-verzoek ingetrokken nadat verweerder op 20 januari 2017 alsnog acht namen openbaar heeft gemaakt die waren weggelakt in de e-mail van 5 november 2014. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat geen proceskosten gesteld zijn.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. S. Mac Donald, leden, in aanwezigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.