Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1357

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
C/15/236278 / FA RK 15-7554, C/15/241191 / FA RK 16-1898
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale echtscheiding met nevenvoorzieningen, moeder en kind hebben gewone verblijfplaats in Colombia.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de nevenvoorzieningen die samenhangen met de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet door het belang van het kind gerechtvaardigd. De Colombiaanse rechter is de aangewezen rechter om hierover te oordelen.

Voor zover de verzoeken van partijen strekken tot opname in de beschikking van in onderling overleg gemaakte afspraken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter wel gerechtvaardigd door het belang van het kind, gelet op de bereidheid van partijen om te bezien of zij door middel van crossborder mediation in onderling overleg tot overeenstemming kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaak- / rekestnummers: C/15/236278 / FA RK 15-7554 en C/15/241191 / FA RK 16-1898

Beschikking van 22 februari 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

ten tijde van de indiening van het verzoekschrift wonende te [woonplaats] , thans wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.L. Verhoeven, gevestigd te Haarlem,

tegen

[de vrouw] ,

ten tijde van de indiening van het verzoekschrift wonende te [woonplaats] , thans wonende in Colombia,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R.M. Boesjes, gevestigd te Haarlem,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, met producties, ingekomen op 1 december 2015;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de vrouw van 25 februari 2016, met producties;

- het verweer op zelfstandig verzoek van de man van 23 maart 2016, met producties;

- de brief van de advocaat van de man van 25 april 2016, met bijlagen;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 26 april 2016, met het formulier Verdelen en verrekenen van de vrouw en een productie;

- het formulier Verdelen en verrekenen van de man, ingekomen op 28 april 2016;

- de brief van de advocaat van de man van 23 december 2016, met producties;

- het F-formulier van de advocaat van de vrouw van 30 december 2016, met producties;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 9 januari 2017, met producties;

- het F-formulier van de advocaat van de man van 12 januari 2017.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017, in aanwezigheid van de man en van de advocaten van partijen. De vrouw is niet in persoon ter zitting verschenen. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.3.

Partijen zijn het erover eens geworden dat zij door middel van “crossborder mediation” zullen proberen om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de gevraagde nevenvoorzieningen. De rechtbank zal beslissen over de bevoegdheid, het toepasselijk recht en de echtscheiding en de zaak voor het overige aanhouden, zoals ter zitting is besproken.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] , Colombia met elkaar gehuwd. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw had ten tijde van de huwelijkssluiting de Colombiaanse nationaliteit en heeft sinds 10 september 2015 tevens de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Na de huwelijkssluiting woonde de vrouw in Colombia en de man in Nederland. Medio 2011 zijn partijen voor het eerst samen gaan wonen in Duitsland. Op 1 juni 2012 zijn zij naar Nederland verhuisd.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] in [plaats] een kind geboren, genaamd [het kind] , hierna ook "het kind" te noemen.

2.4.

Partijen zijn op 1 december 2014 feitelijk uit elkaar gegaan. De vrouw is per 1 juni 2015 met instemming van de man met het kind naar Colombia verhuisd.

3 De beoordeling

3.1.

Echtscheiding

3.1.1.

Beide partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.1.2.

Nu beide partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de Nederlandse nationaliteit bezaten, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis) bevoegd om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

3.1.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

3.1.4.

De man heeft een concept ouderschapsplan overgelegd. Dit is geen ouderschapsplan in de zin van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voldoende aannemelijk is echter geworden dat het voor de man momenteel redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal hem daarom ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

3.1.5.

Het verzoek tot echtscheiding is op de wet gegrond en zal daarom worden toegewezen.

3.2.

Nevenvoorzieningen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid

Hoofdverblijf en zorgregeling

3.2.1.

De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift verzocht te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en een zorgregeling die inhoudt dat hij, na tijdig overleg, te allen tijde in de gelegenheid gesteld moet worden om [het kind] te kunnen bezoeken of op te halen voor een bezoek aan Nederland.

3.2.2.

De vrouw heeft eveneens verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij haar is.

3.2.3.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit verzoek en zich in zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek op het standpunt gesteld dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem dient te worden bepaald, als de vrouw in Colombia blijft wonen.

Indien de vrouw terugkeert naar Nederland, is de man het ermee eens dat [het kind] haar hoofdverblijf bij de vrouw krijgt. In dat geval verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [het kind] iedere veertien dagen gedurende het weekend bij de man is, alsmede een dag(deel doordeweeks, afhankelijk van de woonplaats van de vrouw en de dagindeling van [het kind] op dat moment.

Informatie- en consultatieregeling

3.2.4.

Indien en voor zover de vrouw toestemming krijgt om zich met [het kind] in Colombia te vestigen, verzoekt de man een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, die inhoudt dat de vrouw hem wekelijks kort per e-mail informeert over de gebeurtenissen en ontwikkelingen in het leven van [het kind] en hem maandelijks uitgebreid informeert en een recente foto van [het kind] stuurt, en dat partijen iedere twee maanden via Skype overleg met elkaar hebben over de ontwikkeling van [het kind] en alle overige zaken die haar betreffen, buiten aanwezigheid [het kind] .

3.2.5.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij de man iedere keer dat hij navraag doet, per ommegaande informeert over het wel en wee van [het kind] en dat zij faciliteert dat de man contact heeft met [het kind] via Skype, zodra hij daarom vraagt en dit praktisch mogelijk is.

Paspoort

3.2.6.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij het paspoort van [het kind] onder zich houdt en eerst aan de man afgeeft, nadat zij volledig op de hoogte is gebracht van zijn reisplannen en zij daarmee instemt.

3.2.7.

De man heeft er geen bezwaar tegen dat de vrouw het paspoort van [het kind] beheert, op voorwaarde dat zij dit zonder nadere voorwaarden aan hem afgeeft als hij dit nodig heeft voor zijn reisplannen met [het kind] .

Bevoegdheid

3.2.8.

Vaststaat dat de gewone verblijfplaats van het kind in Colombia is. Colombia behoort niet tot de verdragsluitende staten bij Brussel II-bis, noch bij die van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en evenmin bij die van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961.

3.2.9.

Niet gebleken is dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk door beide partijen is aanvaard ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding. De Nederlandse rechter kan zijn bevoegdheid ten aanzien van de gevraagde nevenvoorzieningen die samenhangen met de ouderlijke verantwoordelijkheid daarom niet ontlenen aan artikel 12 lid 1 Brussel II-bis. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt naar het oordeel van de rechtbank bovendien momenteel niet door het belang van het kind gerechtvaardigd, aangezien het kind al meer dan anderhalf jaar in Colombia verblijft, de man en het kind niet meer in staat zijn om rechtstreeks met elkaar te communiceren, omdat zij niet langer dezelfde taal spreken, zoals ter zitting is gebleken, en de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt over de levensomstandigheden van het kind en niet bekend is met de cultuur en gewoonten van Colombia. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de Colombiaanse rechter de aangewezen rechter om te oordelen over de nevenvoorzieningen die samenhangen met de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Voor zover de verzoeken van partijen strekken tot opname in de beschikking van in onderling overleg gemaakte afspraken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter naar het oordeel van de rechtbank wel gerechtvaardigd door het belang van het kind, gelet op de bereidheid van partijen om te bezien of zij door middel van crossborder mediation in onderling overleg tot overeenstemming kunnen komen.

3.3.

Onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind (hierna ook: kinderbijdrage) van € 650 per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen, met jaarlijkse indexering.

3.3.2.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit verzoek en zich onder meer op het standpunt gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de man een kinderbijdrage van € 250 per maand zou voldoen, alsmede de helft van de schoolkosten tot een maximum van € 1.000 per jaar.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.3.3.

Aangezien de man in Nederland woonachtig is, is de Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

3.3.4.

De rechtbank zal op grond van artikel 4 lid 3 van het Protocol van 23 november 2007 Nederlands recht op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage toepassen, nu de onderhavige zaak in Nederland is aangebracht en de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.4.

Vermogensrechtelijke afwikkeling

3.4.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze en de vrouw te veroordelen € 1.517 aan hem te voldoen. Daarnaast heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw hem met ingang van 1 september 2015 € 122,82 per maand schuldig is in verband met onverschuldigd betaalde ziektekosten.

3.4.2.

De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze en de man te veroordelen € 8.429 plus de niet vergoede medische kosten van [het kind] aan haar te voldoen. De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 26 april 2016 verzocht te bepalen dat de man een bedrag van € 12.074 aan de vrouw voldoet en dat het bedrag van € 2.500 op de rekening Stichting [stichting] toekomt aan de vrouw.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.4.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ingevolge artikel 4 lid 3 Rv tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

3.4.4.

Nu partijen geen geldige rechtskeuze hebben gedaan, geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden ten tijde van de huwelijkssluiting en niet binnen zes maanden na de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke verblijfplaats hadden, wordt het huwelijksvermogensregime van partijen ingevolge artikel 4 lid 3 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden. Gezien het feit dat partijen de grootste periode van hun huwelijk in Nederland hebben gewoond, beiden de Nederlandse nationaliteit hebben en de man nog steeds in Nederland woont, is de rechtbank van oordeel dat het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met Nederland. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen bij de beslissing over de nevenvoorzieningen met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling.

3.5.

Mediation

Partijen zijn het erover eens geworden dat zij door middel van zogenoemde crossborder mediation onder leiding van mevrouw [naam] zullen proberen om tot overeenstemming te komen over hun geschillen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, de alimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. De zaak zal worden aangehouden voor een periode van twee maanden, waarna partijen bij monde van hun advocaten de rechtbank schriftelijk zullen informeren over de stand van zaken met betrekking tot de mediation, zonder inhoudelijk op het verloop van de mediation in te gaan, zoals ter zitting is afgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Colombia op [huwelijksdatum] ;

4.2.

houdt de beslissing ten aanzien van de gevraagde nevenvoorzieningen aan tot 26 april 2017 PRO FORMA, in afwachting van de resultaten van de mediation.

4.3.

draagt de advocaten van partijen op de rechtbank uiterlijk op voormelde pro forma datum schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de mediation en het gewenste vervolg van de procedure, met inachtneming van hetgeen in 3.5 is overwogen;

4.4.

bepaalt dat de rechtbank na ontvangt van de in 4.3 bedoelde informatie zal beslissen over het vervolg van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.M. van Dullemen op 22 februari 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.