Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1334

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/15/230856 / FA RK 15-4936
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, uitleg van de huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

GD

zaaknummer / rekestnummer: C/15/230856 / FA RK 15-4936 en C/15/235050 / FA RK 15-7008

Beschikking d.d. 22 februari 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat voorheen mr. drs. F. Westenberg, thans mr. C.G.M. Baas, gevestigd te Bergen op Zoom,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.W. Castelijns, gevestigd te Velsen-Zuid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 11 augustus 2015;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 4 november 2015;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 8 januari 2016;

- het aanvullend, dan wel wijziging verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 14 april 2016;

- het bericht, met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 7 november 2016;

- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 8 november 2016;

- het bericht, met bijlagen van de man, ingekomen op 8 november 2016;

- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 11 november 2016;

- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 17 november 2016;

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 november 2016. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Baas voornoemd, en de vrouw, bijgestaan door mr. Castelijns voornoemd.

1.3.

De man is in de gelegenheid gesteld nog te reageren op de laatstelijk ingekomen stukken van de vrouw. Op 5 december 2016 heeft de man de rechtbank nader bericht. De vrouw heeft vervolgens bij bericht van 12 december 2016 hierop gereageerd.

1.4.

De minderjarige [minderjarige] is op 4 november 2016 door de kinderrechter gehoord.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.1

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 16 juli 2015 zijn de minderjarigen aan de vrouw toevertrouwd, is bepaald dat beide partijen gerechtigd zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gedurende de week dat een van hen in het kader van de zorgregeling met voornoemde minderjarigen in de woning verblijven. Als wisselmoment zal maandag 10.00 uur gelden. Verder is bepaald dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage dient te voldoen van € 151,-- per kind per maand en een partnerbijdrage van € 222,-- bruto per maand.

2.3.2

Bij beschikking voorlopige voorziening van 5 november 2016 zijn de verzoeken van de man en de vrouw afgewezen.

2.4

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man de gelegenheid om na de zitting nog te mogen reageren op de laatstelijk ingekomen stukken van de vrouw, in zijn bericht van 5 december 2016 te ruim heeft opgevat. De rechtbank zal daarom, conform het verzoek van de vrouw in haar bericht van 12 december 2016, het bericht van de man buiten beschouwing laten voor zover het betreft de kopjes ‘gebruik/verkoop echtelijke woning’ en ‘verkoop chalet’.

2.5.

Scheiding

2.5.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.5.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

2.5.3

Door de man is een eenzijdig opgesteld ouderschapsplan overgelegd. De man heeft gesteld dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt en dat er geen overeenstemming tot stand is gekomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen alsnog een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen De rechtbank zal beide partijen daarom ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

2.5.4

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.6.

Woning

2.6.1.

Primair heeft de man het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij al anderhalf jaar, in de week dat hij niet in de echtelijke woning verbleef, heeft gezworven en op verschillende adressen heeft verbleven. Ook is hij degene die onderhoud pleegt aan de woning en daar in tegenstelling tot de vrouw tijd voor heeft.

Subsidiair heeft de man verzocht de regeling zoals die feitelijk loopt (bird nesting) te handhaven.

2.6.2.

De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat zij doende is te onderzoeken of zij in staat is om de woning toegescheiden te krijgen. Daarbij komt dat de vrouw de opslag van haar onderneming in de woning heeft, zodat zij op grond daarvan reeds een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan de man.

2.6.3.

De rechtbank stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, ook vanwege de co-ouderschapregeling. De rechtbank is echter van oordeel, mede gelet op de wens van [minderjarige] , dat de huidige regeling (bird nesting) niet moet worden voortgezet.

De rechtbank acht van belang dat de man op dit moment nog geen baan heeft en dat hij bereid en in staat is om de woning te onderhouden en de woning klaar te maken voor bezichtigingen door potentiële kopers. De stelling van de vrouw dat het plegen van onderhoud thans niet noodzakelijk is omdat de man het grootste gedeelte van het onderhoud aan de woning reeds heeft gepleegd en de woning in de verkoop staat, leidt niet tot het toewijzen van het verzoek van de vrouw. Immers, ook het bijhouden van de goede staat van onderhoud draagt er in het algemeen toe bij dat woningen sneller en voor een betere prijs worden verkocht. De stelling van de vrouw dat zij de woning wil overnemen is op dit moment niet voldoende om haar een doorslaggevend belang toe te kennen bij het gebruik van de woning, omdat de vrouw voor de mogelijkheid daartoe -zoals zij ook naar voren heeft gebracht- afhankelijk is van de uitkomst van de afwikkeling huwelijksvoorwaarden. Dat betekent dat op dit moment nog onzeker is of de vrouw in staat zal zijn de woning over te nemen. Ten slotte is niet gebleken dat de vrouw thans nog spullen van haar onderneming in de woning opslaat.

2.6.4

Nu de man in de aanloop naar de echtscheiding gedurende lange tijd op veel verschillende adressen heeft verbleven en hij zich wil inspannen om de woning goed te presenteren ten behoeve van een eventuele verkoop, terwijl onzeker is of de vrouw de woning zal kunnen overnemen, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning toekennen aan de man. Het verzoek van de man zal worden toegewezen, onder gelijktijdige afwijzing van het gelijkluidende verzoek van de vrouw.

2.7.

Verblijfplaats

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat de minderjarigen reeds bij beschikking voorlopige voorzieningen van 16 juli 2015 aan de vrouw zijn toevertrouwd en het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding tot 1 april 2015 altijd bij de vrouw heeft gelegen.

2.7.2.

De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn. De man heeft aangegeven dat partijen altijd beiden de zorg hebben gehad voor de minderjarigen en betwist dan ook dat het zwaartepunt van de opvoeding bij de vrouw lag. Verder heeft de man naar voren gebracht dat hij zich heeft gewend tot [naam] om de communicatie tussen partijen te verbeteren.

2.7.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, in die zin dat beide minderjarigen eerst hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw. Vanaf het moment dat een van partijen op een ander adres staat ingeschreven en de man een baan heeft, zal de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man hebben en de minderjarige [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

2.8.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.8.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de door partijen sinds 1 april 2015 uitgevoerde week op week af-regeling wordt vastgesteld, waarbij het wisselmoment op maandagochtend 10.00 uur wordt vastgesteld.

2.8.2.

De man heeft verzocht te bepalen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarigen de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijven met het wisselmoment op zondag 18.00 uur. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij het wisselmoment wil wijzigen voor het moment dat beide partijen weer een baan hebben en volledig moeten werken.

2.8.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen – mede naar aanleiding van hetgeen [minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter naar voren heeft gebracht – ook overeenstemming bereikt over de zorgregeling, in die zin dat de co-ouderschapsregeling in stand blijft, waarbij het wisselmoment op zondag 18.00 uur na het eten zal plaatsvinden. Vanaf het moment dat beide partijen een eigen woning hebben verblijven de minderjarigen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder, waarbij het wisselmoment ook op zondag 18.00 uur na het eten zal plaatsvinden. In de zomervakantie verblijven de minderjarigen drie weken bij de ene ouder en drie weken bij de andere ouder.

De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

2.9.

Onderhoudsbijdragen

2.9.1.

De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 200,-- per maand per kind.

2.9.2.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 151,-- per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 222,-- per maand vast te stellen.

Kinderbijdrage

behoefte

2.9.3.

De vrouw heeft de behoefte van de minderjarigen conform de beschikking voorlopige voorzieningen gesteld op € 950,-- per maand in 2015. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank deze behoefte als uitgangspunt zal nemen. Geïndexeerd bedraagt de behoefte met ingang van 1 januari 2017 € 983,-- per maand.

draagkracht van partijen

2.9.4.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het thans geldende rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI – (0,3 NBI + 905). Deze benadering houdt in dat op het netto besteedbaar inkomen (NBI) 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 905,-- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.

2.9.5.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van partijen uit van twee perioden, nu partijen zijn overeengekomen dat de minderjarigen eerst hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en vanaf het moment dat beide partijen een eigen woning hebben en de man een baan, de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw.

eerste periode: beide minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw

2.9.6.

Blijkens de overgelegde uitkeringsspecificaties ontvangt de man een werkloosheidsuitkering van € 2.642,-- bruto per vier weken. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen € 2.020,-- per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan afgerond € 356,-- per maand.

2.9.7.

De vrouw is per 1 juli 2016 in loondienst werkzaam bij [naam] .. Uit de overgelegde loonstroken volgt dat de vrouw een loon ontvangt van € 2.100,-- bruto per maand. Verder heeft de vrouw, op het moment dat de vrouw op een ander adres staat ingeschreven, recht op een kindgebonden budget van € 4.870,-- per jaar. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar netto besteedbaar inkomen € 2.448,-- per maand.

2.9.8.

De man betoogt dat rekening dient te worden gehouden met een inkomen uit de onderneming van de vrouw. Hij voert daartoe aan dat de website van de vrouw nog actief is.

De vrouw betwist dit en brengt naar voren dat er sinds mei 2015 geen activiteiten meer hebben plaatsgevonden. Ook is een deel van de opslag afgebrand. Hetgeen nog over was na de brand, is volgens de vrouw afgevoerd naar een opslag in [plaats] .

De rechtbank houdt aan de kant van de vrouw geen rekening met een inkomen uit onderneming, omdat de man -tegenover de betwisting van de vrouw- zijn stelling dat daarvan sprake is onvoldoende heeft onderbouwd.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vrouw dan afgerond

€ 566,-- per maand.

draagkrachtvergelijking

2.9.9.

De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 922,-- per maand. Nu deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de totale behoefte van de minderjarigen van thans

€ 983,-- per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van de minderjarigen te voorzien.

zorgkorting

2.9.10.

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting (te weten een percentage dat is gerelateerd aan de behoefte) in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Nu partijen een co‑ouderschapsregeling hebben afgesproken, geldt het maximale percentage zorgkorting van 35%. De rechtbank houdt geen rekening met de stelling van de man dat moet worden uitgegaan van een zorgkorting van 50%, omdat een dergelijk percentage niet past in de systematiek van het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Daarbij komt dat in dit geval het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de man wordt toegewezen en er geen sprake meer zal zijn van een verblijf van beide partijen in de echtelijke woning.

Omdat de behoefte € 983,-- per maand bedraagt, bedraagt de zorgkorting van 35% een bedrag van € 344,-- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de minderjarigen bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht € 922,-- per maand, zodat er een tekort is van € 61,-- per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel € 30,-- per maand. De man moet daarom in de kosten van de minderjarigen bijdragen met een bedrag van € 42,-- per maand (356 – (344 – 30), zijnde een bedrag van € 21,-- per kind per maand.

conclusie

2.9.11.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een kinderbijdrage voor de minderjarigen van € 21,-- per kind per maand aan de vrouw moet betalen. Nu beide minderjarigen in deze periode hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw aan de man een kinderbijdrage moet betalen.

tweede periode: beide partijen hebben een eigen woning, de man heeft een baan, de minderjarige [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de man en de minderjarige [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw

2.9.12.

De rechtbank gaat in deze periode voor de man, zoals onder punt 2.9.6. is overwogen, uit van een werkloosheidsuitkering van € 2.642,-- bruto per vier weken, aangezien de man nu nog geen baan heeft en hij bij het vinden van een baan in staat wordt geacht om een vergelijkbaar inkomen te genereren. De man heeft bij dat inkomen recht op een kindgebonden budget van € 3.306,-- per jaar. De rechtbank houdt hiermee rekening. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen € 2.296,-- per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan afgerond € 492,-- per maand.

2.9.13.

De rechtbank houdt bij de vrouw rekening met een inkomen van € 2.100,-- bruto per maand, zoals is overwogen onder punt 2.9.7. De vrouw heeft in deze situatie recht op een kindgebonden budget van € 3.742,-- per jaar. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar netto besteedbaar inkomen

€ 2.352,-- per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vrouw afgerond

€ 519,-- per maand.

draagkrachtvergelijking

2.9.14.

De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 1.011,-- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen van € 983,-- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van de minderjarigen over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 492 : 1.011 x 983 = € 478,-- per maand, oftewel afgerond € 239,-- per kind per maand.

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 519 : 1.011 x 983 = € 505,-- per maand, oftewel afgerond € 253,-- per kind per maand.

zorgkorting

2.9.15.

Omdat de behoefte € 983,-- per maand bedraagt, bedraagt de zorgkorting van 35% een bedrag van € 344,-- per maand, zijnde een bedrag van € 172,-- per kind per maand. Beide partijen worden geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de minderjarigen bij de uitoefening van de zorgtaken.

conclusie

2.9.16.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man in deze periode ten behoeve van [minderjarige] een kinderbijdrage van € 67,-- (239 – 172 = 67) per maand aan de vrouw moet betalen. De vrouw moet ten behoeve van [minderjarige] een kinderbijdrage aan de man betalen van € 81,-- (253 – 172 = 81) per maand.

Partnerbijdrage

behoefte

2.9.17.

De vrouw gaat bij de berekening van haar behoefte uit van de Hofnorm, die inhoudt dat de behoefte aan een partnerbijdrage 60% bedraagt van het netto gezinsinkomen (na aftrek van de kosten van de kinderen). De vrouw stelt het netto gezinsinkomen op € 4.124,-- per maand en de kosten van de kinderen op € 950 per maand. Daarmee berekent zij haar behoefte op 60% van € 3.174,-- = € 1.904,-- netto per maand. Als zij hierop haar inkomen van € 856,-- per maand in mindering brengt, resteert een aanvullende behoefte van € 1.048,-- netto per maand.

2.9.18.

De man betwist de behoefte van de vrouw en stelt zich op het standpunt dat de vrouw geen behoeftelijst heeft overgelegd. Daarnaast is de man van mening dat bij hem de draagkracht ontbreekt om enige uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

2.9.19.

Volgens vaste rechtspraak moet bij het bepalen van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met concrete gegevens over de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (zie het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte enkel uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden, miskent de vrouw dat zij haar welstandsgerelateerde behoefte moet stellen en bij betwisting moet onderbouwen.

2.9.20.

Nu de man de door de vrouw op grond van de zogenaamde Hofnorm gestelde behoefte betwist en de vrouw haar behoefte niet onderbouwt met een overzicht van reële kosten, terwijl partijen een vergelijkbaar inkomen hebben, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw met haar inkomen in haar eigen behoefte kan voorzien. De draagkracht van de man behoeft dan ook geen bespreking.

2.9.21.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw dan ook af.

2.10.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.10.1.

De man heeft verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden c.q. verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt vast te stellen:

1. te bepalen dat de waarde van de grond en de daarop geplaatste stacaravan (hierna ook wel genoemd: het chalet) bij helfte wordt verdeeld en per direct in de verkoop wordt gezet;

2. te bepalen dat partijen gehouden zijn om het advies van de makelaar met betrekking tot de vraagprijs en het te aanvaarden bod op te volgen voor de verkoop van de stacaravan;

3. te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] per direct in de verkoop wordt gezet en de overwaarde dan wel onderwaarde bij helfte wordt verdeeld en daarbij te bepalen dat de kapitaalverzekering middels de koppeling aan de hypotheek zal dienen als afdekking voor een eventuele onderwaarde. Het restant van de kapitaalverzekering dient na verkoop van de woning bij helfte te worden gedeeld;

4. voor recht te verklaren c.q. te bepalen dat beide partijen gehouden zijn om vanaf datum voorlopige voorzieningen de helft van de hypotheeklasten van de echtelijke woning te voldoen en dat indien een van partijen dit nalaat de ene partij een vordering heeft op de andere partij terzake achterstallige hypotheeklasten;

5. te bepalen dat partijen gehouden zijn om het advies van de makelaar met betrekking tot de vraagprijs en het te aanvaarden bod op te volgen voor de verkoop van de echtelijke woning;

6. te bepalen dat de actuele waarde van de [naam] bij helfte wordt gedeeld;

7. te bepalen dat de vrouw gehouden is om een bedrag van € 101.500,-- aan de man te betalen op grond van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden;

8. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 287,50 aan gebruikersvergoeding dient te betalen voor het gebruik van het chalet over de periode van 1 augustus 2016 tot en met de verkoop van het chalet;

9. te bepalen dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan de verkoop van het chalet voor een bedrag van € 22.500,-- onder verbeurte van een dwangsom van

€ 500,-- voor iedere dag dat zij haar medewerking niet verleent;

10. te bepalen dat de vrouw de nutslasten en parklasten van het chalet dient te betalen, gezamenlijk een bedrag van € 2.997,33;

11. te bepalen dat de vrouw de helft van de nutslasten van de echtelijke woning dient te voldoen van € 145,43 per maand;

12. te bepalen dat partijen het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zullen verevenen conform de wet, met veroordeling van partijen om daar alle vereiste medewerking aan te verlenen.

2.10.2.

De vrouw heeft verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden c.q. verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt vast te stellen:

1. te bepalen dat de grond en de daarop geplaatste stacaravan (het chalet) aan de vrouw toekomt, zonder nadere verrekening, althans te bepalen dat partijen de verkoopopbrengst van de grond en stacaravan bij helfte zullen delen, waarbij de vrouw uit hoofde van haar vergoedingsrecht een vordering heeft van € 17.253,50 op de man, althans een zodanig vorderingsrecht in goede justitie te bepalen;

2. te bepalen dat de te realiseren onderwaarde van de echtelijke woning aan de [adres] voor rekening van partijen komt naar rato van de eigendomsverhouding, tenzij de [bank] ter inlossing van de [naam] uitwint, dan geldt het volgende;

3. te bepalen dat de [naam] aan de vrouw toekomt zonder nadere verrekening, althans te bepalen dat de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten zich verzet tegen het aannemen van gelijke delen en aan de vrouw de volledige polis c.q. de waarde daarvan toe te kennen, althans te bepalen dat partijen de waarde van de polis bij helfte zullen delen, waarbij de vrouw uit hoofde van haar vergoedingsrecht een vordering heeft van € 80.572,64 op de man, althans een zodanig vorderingsrecht te bepalen als de rechtbank juist acht;

4. te bepalen dat -voor zover de [bank] de [naam] (gedeeltelijk) uitwint ter inlossing van de op de woning rustende hypotheek- de vrouw ter hoogte van de uitwinning door de [bank] een vorderingsrecht heeft op de man;

5. te bepalen dat de vrouw een vordering heeft op de man ten titel van een nog nader vast te stellen (thans € 10.054,71) teveel betaald bedrag in de kosten van de huishouding;

6. te bepalen dat partijen 25% van de saldi van alle bank- en spaarrekeningen bijeen dienen te voegen, waarna dit bijeengevoegde bedrag bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

7. de man te veroordelen tot voldoening aan de vrouw een bedrag van in totaal

€ 9.325,68 middels betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de in deze af te geven beschikking op de derdengeldrekening van de advocaat van de vrouw;

8. de man te veroordelen tot voldoening van de parklasten van € 1.510,--, alsmede de helfte van de nutslasten;

9. te bepalen dat de verkoopopbrengst van het chalet wordt gestort op de derdengeldrekening van de advocaat van de vrouw, welke opbrengst pas uitgekeerd wordt binnen twee weken wanneer de uitspraak omtrent de afwikkeling huwelijkse voorwaarden in deze procedure bekend is.

Ingetrokken verzoek

2.10.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek onder punt 9 ingetrokken, zodat dit verzoek geen bespreking behoeft.

De huwelijkse voorwaarden

2.10.4.

Partijen zijn met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

In de akte huwelijkse voorwaarden van partijen van 17 mei 2005 is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen.

“1b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen:

- (…)

- de kosten van huisvesting, daaronder begrepen de huur en de rentelasten met betrekking tot de gezamenlijk bewoonde woning, de onroerende zaakbelasting en andere heffingen ter zake het gebruik van deze woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan, ongeacht de eigendom van die woning.

2 Uitsluiting gemeenschap van goederen

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

3 Draagplicht van de kosten van de huishouding

1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide partijen worden betaald naar evenredigheid van hun inkomen. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn (…) naar evenredigheid van die vermogens.

(…)

2. Wanneer een van partijen meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het in het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat een recht om het te veel betaalde terug te vorderen. (…).

Het recht op verrekening vervalt in ieder geval zes maanden na het einde van het huwelijk.

4 Geen jaarlijkse verrekening

De echtgenoten komen geen periodieke verrekening van gespaard inkomen overeen.

5 Finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden.

1. (…)

8. In alle gevallen blijft buiten de verrekening:

- wat door erfrecht of schenking door de echtgenoten werd verkregen;

- wat voor een en ander in de plaats is gekomen, naar rato van de eigen investeringen.

6 Finale verrekening bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed

1. Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden (…) zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen. Indien en voorzover het huwelijk nog geen tien jaar heeft geduurd zullen partijen twee en vijf/tiende procent (2,5%) van hun beider vermogen met inachtneming van hetgeen hierna in dit artikel is bepaald ter onderlinge verrekening bijeenvoegen, evenwel met uitzondering van het in artikel 12 genoemde registergoed aan de [adres] , dat eigendom is van de comparante sub 2 de rechtbank: dat is de vrouw) met de daarop rustende hypothecaire schuld en de in artikel 5, lid 8 vermelde goederen.

Gemeld percentage wordt vanaf de dag dat het huwelijk één (1) jaar heeft geduurd verhoogd met twee en vijf/tiende procent (2,5%) punt voor ieder jaar dat het huwelijk langer dan één (1) jaar heeft geduurd, tot dat het huwelijk tien jaar of langer heeft geduurd, zodat een totaal van maximaal vijfentwintig procent (25%) is bereikt. Een gedeelte van een jaar wordt daarbij als een volledig jaar berekend. Aanspraken op lijfrenten, levensverzekeringen, pensioenen en dergelijke zullen niet in deze verrekening worden betrokken.

2. De verrekening vindt plaats naar de toestand en de waarde in het economisch verkeer op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed aanhangig werd gemaakt.

3. Het overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel bijeengevoegde vermogen van ieder van de echtgenoten zullen de echtgenoten onderling met elkaar verrekenen zodanig, dat daarvan aan ieder van partijen de helft toekomt. De verrekening vindt plaats in die zin, dat voor zover het eigen vermogen van een echtgenoot (hierna te noemen: de tot de uitkering gehouden echtgenoot) meer bedraagt dan waar hij op grond van de voormelde verrekening recht op heeft, de andere echtgenoot voor dit meerdere een vordering in geld verkrijgt op de tot uitkering gehouden echtgenoot.

9 Vergoedingen

Voor zover niet anders wordt overeengekomen moeten de echtgenoten elkaar vergoeden datgene wat wordt onttrokken aan het vermogen van een echtgenoot ten behoeve van een ander. Hieronder is onder meer te begrijpen het geval dat de ene echtgenoot belastingen, premies, heffingen en dergelijke betaalt die betrekking hebben op het vermogen van de ander, voor zover die belasting niet tot de kosten van de huishouding worden gerekend.

Als deze vergoeding niet betaald wordt op het moment dat hij verschuldigd wordt, dan moet over deze vergoeding een redelijke rente worden vergoed.

12. Verrekening waardemutaties van het registergoed aan de [adres]

1. Waardeveranderingen in het registergoed aan de [adres] , dat eigendom is van de comparante sub 2, komen met ingang van de datum van de huwelijkssluiting voor rekening van beide partijen voor de helft. Partijen stellen vast dat gemeld registergoed per gemelde datum een waarde heeft van vierhonderdvijfennegentigduizend euro (€ 495.000,00). Voorts stellen partijen vast dat de comparant sub 1 de rechtbank: dat is de man) met eigen middelen in dit registergoed een investering heeft gedaan van negenendertigduizend euro (€ 39.000,00).”

De uitleg van de huwelijkse voorwaarden

2.10.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijkse voorwaarden moeten worden toegepast op de vermogensrechtelijke afwikkeling van partijen. Zij verschillen echter van mening over de uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Het verschil van inzicht ziet vooral op de uitleg van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden, waarbij de complicatie speelt dat het registergoed aan de [adres] al in 2010 is verkocht en partijen toen niet conform dat artikel met elkaar hebben verrekend.

2.10.6. De rechtbank overweegt dat uit de huwelijkse voorwaarden blijkt dat geen enkele gemeenschap van goederen zal bestaan. Voorts blijkt uit de artikelen 3, tweede lid, en 9 van de huwelijkse voorwaarden dat een echtgenoot een nominaal vergoedingsrecht heeft jegens de andere echtgenoot, indien de gelden of een goed meer dan hij verschuldigd is aan diens vermogen zijn/is onttrokken en ten goede zijn/is gekomen aan de andere partner. Aangezien partijen deze regeling onderling hebben getroffen, is artikel 1:87 BW niet van toepassing.

2.10.7 De vraag hoe partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk hebben geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen de zuiver taalkundige betekenis van de bewoordingen van de bepalingen van de akte huwelijkse voorwaarden. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van belang.

De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9430), waarin regels zijn geformuleerd voor het uitleggen van een schriftelijke overeenkomst.

2.10.8 De rechtbank stelt vast dat partijen voorafgaand aan hun onderlinge huwelijk beiden eerder gehuwd zijn geweest. Niet in geschil is dat de vrouw bij aanvang van het huwelijk tussen partijen aanzienlijk vermogender was dan de man. Ten tijde van de aanvang van het huwelijk tussen partijen was de vrouw eigenaar van de woning aan de [adres] , waarop een hypotheek van € 448.200,-- rustte en waarin de man € 39.000,-- vanuit zijn vermogen had geïnvesteerd. De vrouw was ten tijde van de aanvang van het huwelijk ook eigenaar van een op haar naam staande kapitaalverzekering met polisnummer [nummer] bij [naam] , waarvan de waarde per 31 december 2004 € 161.145,28 bedroeg.

2.10.9 De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden in combinatie met de (tijdens het huwelijk ongewijzigd gebleven) huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder de artikelen 2, 9 en 12, af dat het de bedoeling van partijen was dat het verschil in vermogenspositie van partijen bij de aanvang van het huwelijk bij de eventuele ontbinding van het huwelijk weer tot uitdrukking zou komen, in die zin dat bij voldoende vermogen ieder der partijen in ieder geval zijn ‘startkapitaal’ zou behouden.

Verder volgt uit artikel 12 dat een waardemutatie van de woning [adres] vanaf de datum van de huwelijkssluiting gelijkelijk voor rekening van beide partijen voor de helft zou komen. In artikel 12 is vastgesteld dat de man met eigen middelen een investering in de woning heeft gedaan van € 39.000,--, maar daaraan is in het artikel geen (expliciet) vergoedingsrecht gekoppeld.

De huwelijkse voorwaarden voorzien niet in een situatie waarin de woning aan de [adres] tijdens het huwelijk wordt verkocht en vervolgens een andere woning wordt gekocht.

2.10.10 De rechtbank stelt vast dat de woning van de vrouw aan de [adres] tijdens het huwelijk, te weten in 2010, is verkocht voor een bedrag van € 620.000,--, zoals blijkt uit de overgelegde stukken. Vooruitlopend op die verkoop hebben partijen op 30 mei 2008 de woning aan de [adres] aangekocht voor een bedrag van € 372.500,--. Deze woning is op 1 december 2008 aan partijen geleverd. Voor verkrijging van deze woning zijn partijen een hypotheek bij de [bank] aangegaan van € 468.200,--. Dat betekent dat partijen bij de aankoop van de woning aan de [adres] beiden eigenaar van voornoemde woning zijn geworden, hetgeen ook niet in geschil is tussen partijen.

2.10.11 De rechtbank stelt vast dat partijen na de verkoop van de woning aan de [adres] de waardevermeerdering van dat pand boven de € 495.000,-- niet overeenkomstig artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden hebben verrekend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen de gerealiseerde overwaarde hebben geïnvesteerd in de woning aan de [adres] en de aankoop van een chalet aan [adres] (hierna: het chalet). Bij de verwerving van de woning aan de [adres] is de man op verzoek van de [bank] opgevoerd als tweede verzekeringnemer.

2.10.12 De rechtbank is van oordeel dat de man als gevolg van het feit dat hij tweede verzekeringnemer is geworden mede-eigenaar is geworden van de [naam] . Verder staat vast de partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning en het chalet. De rechtbank zal de polis, de echtelijke woning en het chalet dan ook aanmerken als een tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap. Dit laat onverlet dat partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden nominale vergoedingsrechten hebben voor zover gelden of goederen aan zijn of haar vermogen zijn onttrokken.

De echtelijke woning, de vordering van de man van € 101.500,--, [naam] en het chalet

2.10.13 Zoals hierboven is geoordeeld, vormen de polis, de echtelijke woning en het chalet een tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap in de zin artikel 3:166 BW. Op grond van artikel 3:166, tweede lid, BW zijn de aandelen van de deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. In dit geval vloeit uit de aard van de rechtsverhouding van partijen, gelet op de overeengekomen huwelijkse voorwaarden en hun verschil in inbreng bij de aanschaf van de goederen voort dat de aandelen niet gelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat de inbreng van partijen bepalend is voor ieders aandeel in de gemeenschap.

2.10.14 De rechtbank stelt vast dat het chalet kort na de zitting, op 7 december 2016, is verkocht en geleverd voor een prijs van € 22.500,--. De echtelijke woning aan de [adres] staat thans in opdracht van partijen gezamenlijk te koop voor een bedrag van € 395.000,--. Op de woning rust een hypotheek van € 468.200,-- en de [naam] is verbonden aan de hypotheek. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning zal worden verkocht met een restschuld. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de bank ter gelegenheid van de verkoop van de echtelijke woning ter dekking van de onderwaarde de [naam] (deels) zal uitwinnen.

2.10.15 Hieruit volgt dat er na verkoop van zowel het chalet als de echtelijke woning en (gedeeltelijke) uitwinning van de [naam] vermoedelijk een bescheiden vermogen zal resteren. De rechtbank stelt vast dat het vermogen dat partijen bij aanvang van het huwelijk hadden en is vermeerderd door gerealiseerde overwaarde van de woning aan de [adres] , grotendeels is verdampt door de waardeontwikkeling van de onroerende zaken en mogelijk ook door consumptieve bestedingen.

2.10.16 Het voorgaande betekent dat partijen hun nominale vergoedingsrechten (overeenkomend met hun oorspronkelijke inbreng) niet volledig te gelde kunnen maken bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Dit betekent voorts dat de vordering van de man van € 101.500,-- niet kan worden toegewezen.

2.10.17 De rechtbank grijpt daarom, met gezien de bedoeling van partijen om bij een einde van het huwelijk (bij voldoende vermogen) iedere partij zijn/haar startkapitaal te doen toekomen, terug naar de verhouding van de inbreng van partijen bij aanvang van het huwelijk. Deze verhouding wordt door de rechtbank naar maatsteven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een verhouding van 1 (man):4 (vrouw).

De rechtbank is van oordeel dat partijen het vermogen dat uiteindelijk resteert na verkoop van het chalet, de echtelijke woning en (gedeeltelijke) uitwinning van de [naam] in een verhouding van 1 (man):4 (vrouw) dienen af te rekenen. De rechtbank zal aldus bepalen.

2.10.18 De rechtbank zal het onder 9 vermelde verzoek van de vrouw om te bepalen dat de verkoopopbrengst van het chalet wordt gestort op de derdengeldrekening van de advocaat van de vrouw, welke opbrengst pas uitgekeerd wordt binnen twee weken wanneer de uitspraak omtrent de afwikkeling huwelijkse voorwaarden in deze procedure bekend is, toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat de onder 2.10.17 genoemde afrekening zal bevorderen.

2.10.19 Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de verzoeken van de man onder punt 1, 2, 3, 5, 6, en 7 afwijzen.

Ook de verzoeken van de vrouw onder punt 1, 2, 3 en 4 zal de rechtbank op grond van het vorenstaande afwijzen.

Vordering van de vrouw ten bedrage van in totaal € 10.054,71 over de periode juni 2014 tot en met augustus 2015

2.10.20 Op grond van artikel 3, eerste lid, van de huwelijkse voorwaarden dienen partijen de kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding naar evenredigheid van hun inkomen te betalen. Op grond van het tweede lid van dit artikel hebben partijen recht op verrekening, indien zij verhoudingsgewijs teveel hebben betaald.

2.10.21 De vordering van de vrouw heeft kort samengevat betrekking op de kosten van de huishouding en de belasting- en energieteruggave.

De man heeft de door de vrouw als productie 16 overgelegde opgave van de kosten van de huishouding over de periode van juni 2014 tot en met augustus 2015, niet, althans onvoldoende betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van dit bedrag.

Ook de door de vrouw berekende inkomensverhouding wordt door de man niet betwist, met dien verstande dat de man van mening is dat bij de vrouw rekening moet worden gehouden met een extra inkomen van € 300,-- per maand uit de door de vrouw gevoerde onderneming in brocante.

2.10.22 De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij in ieder geval over het jaar 2014 een inkomen heeft ontvangen van gemiddeld € 250,-- per maand en er vanaf april/mei 2015 geen activiteiten meer hebben plaatsgevonden in de onderneming. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw tot april 2015 een inkomen uit de verkoop van brocante heeft ontvangen van € 250,-- per maand en zal hiervan uitgaan.

2.10.23 Tijdens de zitting heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij vanaf april 2014 en in 2015 maandelijks een bedrag van € 587,38 heeft moeten terugbetalen aan het UWV op grond waarvan zijn draagkracht met betrekking tot de huishoudelijke kosten veel minder is dan de vrouw stelt.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en naar voren gebracht dat geen rekening dient te worden gehouden met de schuld bij het UWV bij de berekening van de verhouding waarin partijen dienen bij te dragen in de kosten van de huishouding. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat in punt 1b van de huwelijkse voorwaarden niet is opgenomen dat als kosten van de huishouding aangemerkt moeten worden een schuld. Ook bij het inkomensbegrip van punt 1a van de huwelijkse voorwaarden worden schulden niet betrokken. Ook blijkt uit de overgelegde stukken dat de betalingsafspraak is vastgesteld op basis van zijn lasten van

€ 1.764,17 netto per maand.

De rechtbank stelt vast dat de man van april 2014 tot medio februari 2015 maandelijks een bedrag van € 587,38 heeft moeten terugbetalen aan het UWV vanwege eerder teveel ontvangen WW-uitkering. Gezien de verhoudingsgewijs lage inkomsten van de vrouw in deze periode, acht de rechtbank het aannemelijk dat de eerder teveel door de man ontvangen WW‑uitkering is besteed aan de kosten van de huishouding. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om ook de maandelijkse terugbetaling aan te merken als een vermindering van het inkomen van de man.

2.10.24 Dit betekent dat de inkomensverhouding over de periode vanaf 1 juni 2014 tot 1 april 2015 opnieuw dient te worden berekend.

Gelet op een (extra) inkomen aan de zijde van de vrouw van € 250,-- netto per maand en een vermindering van het inkomen aan de zijde van de man met € 587,38 netto per maand, zal de rechtbank uitgaan van een inkomensverhouding van 46,3% voor de vrouw en van 53,7% voor de man. Op basis van de door de vrouw overgelegde gegevens heeft de vrouw een bedrag van € 13.943,-- te veel betaald. Nu de man reeds een bedrag van € 17.025,-- aan de vrouw heeft betaald, heeft de man aan de vrouw een bedrag van € 2.282,-- te veel betaald (hierin zijn reeds de door de vrouw gestelde en onweersproken kosten van de vakantiewoning opgenomen).

2.10.25 De vrouw heeft na de zitting aangegeven dat zij haar vordering met betrekking tot de belastingteruggave handhaaft. De rechtbank concludeert dat de man een bedrag van € 2.282,- te veel heeft betaald. Nu de vrouw de belasting- en energieteruggave heeft meegenomen in haar vordering van € 10.054,71, zal de rechtbank dit te veel betaalde bedrag verrekenen. Dit betekent dat de man aan de vrouw per saldo een bedrag moet betalen van € 3.791,17.

Vordering van de vrouw ten bedrage van € 9.325,68;

2.10.26 De vrouw heeft onder punt 7 van haar verzoek verzocht de man te veroordelen tot voldoening aan de vrouw van de volgende bedragen:

- premie [naam] € 335,63;

- premie [naam] € 447,83;

- premie [naam] € 860,--;

- WOZ echtelijke woning € 435,--;

- WOZ chalet € 72,--;

- kinderopvangkosten € 742,63;

- jaarafrekening [naam] € 453,46;

- teruggave IB € 2.476,--;

- [naam] € 600,--;

- alimentatie [minderjarige] € 1.110,--;

- [naam] € 625,--;

- crossmotor € 1.167,50;

-------------

Totaal € 9.325,68.

2.10.27 De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw opgevoerde kosten met betrekking tot de kinderopvangkosten. De man heeft daartoe naar voren gebracht dat de vrouw hem had kunnen bellen als de vrouw opvang wenste voor de minderjarigen nu hij geen werk heeft. Ook betaalt hij een bijdrage aan de vrouw voor de kinderen.

De vrouw heeft vervolgens aangegeven dat de man weigert om de minderjarigen op te vangen in de week dat de minderjarigen bij haar zijn, zodat zij kinderopvangkosten moet maken.

De rechtbank is, gezien de uiteenlopende standpunten van partijen en gelet op het feit dat het hun beider verantwoordelijkheid is om te voorzien in opvang van de kinderen, van oordeel dat het redelijk is als beide partijen de helft van de kinderopvangkosten moeten voldoen, zodat de vordering van de vrouw dienaangaande zal worden toegewezen.

2.10.28 De rechtbank zal de vordering van de vrouw met betrekking tot de jaarafrekening van [naam] ten bedrage van € 453,46 afwijzen, nu met dit bedrag reeds rekening is gehouden in de hiervoor genoemde vordering van € 10.054,71.

2.10.29 Ten aanzien van de belastingteruggave 2014 heeft de man tijdens de zitting erkend dat de vrouw recht heeft op de helft van het bedrag. De man wil de definitieve aanslagen echter nog afwachten.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw dienaangaande toewijzen, nu de man de belastingteruggave 2014 reeds op zijn rekening heeft ontvangen.

2.10.30 De man heeft tevens verweer gevoerd tegen de vordering van de vrouw met betrekking tot de [naam] .

De vrouw heeft aangegeven dat zij instemt met verrekening van de posten opgesomd in de mail van de man aan de vrouw van 17 april 2015, behoudens de lasten van de psycholoog, en handhaaft haar vordering van € 600,--.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de vrouw met betrekking tot de verkoop van de [naam] dient te worden afgewezen, nu de man heeft aangegeven dat het restant bedrag van € 900,-- op de gezamenlijke rekening is gestort en de vrouw niet heeft onderbouwd dat de kosten van de psycholoog door de verzekering worden vergoed.

2.10.31 De rechtbank zal de vordering van de vrouw met betrekking tot de alimentatie ten behoeve van [minderjarige] afwijzen, nu niet is gebleken dat partijen hierover nadere afspraken hebben gemaakt.

2.10.32 De rechtbank zal de vordering van de vrouw met betrekking tot [naam] afwijzen, nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen hierover nadere afspraken hebben gemaakt.

2.10.33 De rechtbank zal de vordering van de vrouw met betrekking tot de crossmotor toewijzen, nu de man niet heeft betwist dat de crossmotor is verkocht ten bedrage van

€ 2.335,--. De man heeft zijn stelling dat partijen hierover afspraken hebben gemaakt niet onderbouwd.

2.10.34 De rechtbank zal de overige vorderingen van de vrouw toewijzen, nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

Hieruit volgt dat de vrouw een vordering op de man heeft van in totaal € 6.536,59.

Gebruikersvergoeding ten aanzien van het chalet

2.10.35 De man heeft onder punt 8 van zijn verzoek verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 287,50 aan gebruikersvergoeding dient te betalen voor het gebruik van het chalet over de periode van 1 augustus 2016 tot en met de verkoop van het chalet.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt. Tot 7 december 2016 was er sprake van twee woningen. Beide partijen verbleven om en om een week in de echtelijke woning met de minderjarigen. In de week dat partijen niet in de woning verbleven, woonde de vrouw in het chalet en de man elders. Indien de vrouw een woning elders had moeten huren, had zij daarvoor ook (en vermoedelijk hogere) kosten moeten maken, zodat de rechtbank een gebruikersvergoeding niet redelijk acht. Bovendien dient een gebruikersvergoeding te worden berekend op de wijze zoals de advocaat van de vrouw in haar pleitnota heeft gedaan. De rechtbank zal het verzoek van de man dienaangaande dan ook afwijzen.

Parklasten en nutslasten van het chalet

2.10.36 De man heeft onder punt 10 van zijn verzoek verzocht te bepalen dat de vrouw de nutslasten en parklasten van het chalet dient te betalen van in totaal een bedrag van

€ 2.997,33. De man heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw in het chalet woont en hij geen toegang heeft tot het chalet.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot voldoening van de parklasten van

€ 1.510,--, alsmede de helfte van de nutslasten. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat in de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 juli 2015 reeds rekening is gehouden met de door de man te betalen lasten met betrekking tot het chalet van € 125,-- per maand.

De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen waren eigenaar van het chalet. Op grond van de huwelijkse voorwaarden dienen partijen naar rato van hun inkomen deze lasten te voldoen. Ook is in de beschikking voorlopige voorzieningen vanaf 16 juli 2015 aan de zijde van de man reeds rekening gehouden met een bedrag van € 125,-- per maand aan lasten ten behoeve van het chalet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat partijen naar rato van hun inkomen de nutslasten en parklasten moeten voldoen, voor zover de man voornoemde kosten niet reeds heeft voldaan met het bedrag van € 125,-- per maand.

Nutslasten ten aanzien van de echtelijke woning

2.10.37 De man heeft onder punt 11 van zijn verzoek verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van de nutslasten van de echtelijke woning dient te voldoen van € 145,43 per maand.

De rechtbank is van oordeel dat partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden naar rato van hun inkomen de nutslasten van de echtelijke woning dienen te voldoen. Daarbij komt dat partijen in deze periode de echtelijke woning om beurten hebben bewoond in het kader van de bird nesting-regeling.

Bankrekeningen

2.10.38 De vrouw heeft onder punt 6 van haar verzoek verzocht te bepalen dat partijen 25% van de saldi van alle bank- en spaarrekeningen bijeen dienen te voegen, waarna dit bijeengevoegde bedrag bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 6, eerste lid, van de huwelijkse voorwaarden helder is: partijen dienen op de door de vrouw verzochte wijze met elkaar af te rekenen. Partijen dienen daartoe elkaar dan ook over en weer inzage te verschaffen in het saldo van de op hun naam staande bankrekeningen op de peildatum van 11 augustus 2015. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.

Pensioenrechten

2.10.39 De man heeft onder punt 12 van zijn verzoek verzocht te bepalen dat partijen de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zullen verevenen conform de wet, met veroordeling van partijen om daaraan alle vereiste medewerking te verlenen.

De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man dienaangaande af te wijzen.

De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen, nu hetgeen de man heeft verzocht reeds uit de wet voortvloeit. De man heeft dan ook geen belang bij toewijzing van zijn verzoek.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw. Vanaf het moment dat een van partijen op een ander adres staat ingeschreven en de man een baan heeft zal de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man hebben en de minderjarige [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de co-ouderschapsregeling (week om week) in stand blijft, waarbij het wisselmoment op zondag 18.00 uur na het eten zal plaatsvinden. Vanaf het moment dat beide partijen een eigen woning hebben verblijven de minderjarigen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder, waarbij het wisselmoment ook op zondag 18.00 uur na het eten zal plaatsvinden. In de zomervakantie verblijven de minderjarigen drie weken bij de ene ouder en drie weken bij de andere ouder;

3.4.

bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.5.

bepaalt dat de man, zolang beide minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben, € 21,-- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voor zover de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen niet is gewijzigd.

Vanaf het moment dat de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben dient de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige] te voldoen van € 67,-- per maand. Vanaf het moment dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben dient de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige] te voldoen van € 81,-- per maand;

3.6.

bepaalt dat partijen het vermogen dat uiteindelijk resteert na verkoop van het chalet, de echtelijke woning en (gedeeltelijke) uitwinning van de [naam] in een verhouding van 1 (man) : 4 (vrouw) moeten afrekenen;

3.7.

bepaalt dat de verkoopopbrengst van het chalet wordt gestort op de derdengeldrekening van de advocaat van de vrouw, welke opbrengst pas uitgekeerd wordt binnen twee weken wanneer de uitspraak omtrent de afwikkeling huwelijkse voorwaarden in deze procedure bekend is;

3.8.

bepaalt dat de vrouw een vordering heeft op de man voor een bedrag van € 3.791,17;

3.9.

veroordeelt de man aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 6.536,59;

3.10.

bepaalt dat partijen naar rato van hun inkomen de nutslasten en parklasten van het chalet moeten voldoen, voor zover de man voornoemde kosten niet reeds heeft voldaan met het bedrag van € 125,-- per maand;

3.11.

bepaalt dat partijen tot de datum van deze beschikking naar rato van hun inkomen de nutslasten van de echtelijke woning moeten voldoen;

3.12.

bepaalt dat partijen 25% van de saldi van alle bank- en spaarrekeningen bijeen dienen te voegen, waarna dit bijeengevoegde bedrag bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

3.13.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;

3.14.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier G.S. Doornbosch op 22 februari 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..