Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1202

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
5602589
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, voorlopige voorziening, doorbetaling loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/930
AR-Updates.nl 2017-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5602589 \ VV EXPL 16-246

Uitspraakdatum: 30 januari 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. H.M.E. Hoekstra

tegen

Arto Montage Team Service B.V.

gevestigd te Beverwijk

gedaagde

verder te noemen: Arto

gemachtigde: mr. F.J. Boomaars

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft Arto op 9 januari 2017 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling is bepaald op 19 januari 2017. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 13 januari 2017 nog stukken toegezonden. De mondelinge behandeling is op 19 januari 2017 aangehouden tot 24 januari 2017, in verband met afwezigheid van mr. Boomaars door een ongeval dat hem onderweg naar de rechtbank was overkomen. Op 19 januari 2017 is aan partijen medegedeeld dat de mondelinge behandeling op 24 januari 2017 zal plaats vinden en dat er geen uitstel zal worden verleend.

1.3.

Mr. Boomaars heeft op 23 januari 2017 aanhouding verzocht van de mondelinge behandeling. Aan partijen is uitdrukkelijk aangegeven dat er geen uitstel zou worden verleend en ook telefonisch is op 19 januari 2017 aan Arto meegedeeld dat als haar gemachtigde verhinderd zou zijn, de mondelinge behandeling op 24 januari 2017 toch door zou gaan en zij een andere gemachtigde zou kunnen sturen of zelf zou kunnen komen. Het verzoek van mr. Boomaars is dan ook niet gehonoreerd.

1.4.

Op 24 januari 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Arto en haar gemachtigde waren daarbij niet aanwezig. Dat Arto niet een andere gemachtigde of een medewerker van haarzelf naar de mondelinge behandeling heeft gestuurd komt voor haar rekening en risico.

1.5.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [eiser] en zijn gemachtigde naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

Op 1 november 2015 is [eiser] in dienst getreden van Arto in de functie van assistent planner / algemeen medewerker, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] ontvangt een salaris van € 1.600,00 netto per maand, op basis van een werkweek van 40 uur, waarvan € 1.200,00 netto per maand betaald wordt door Arto en € 400,00 netto door het UWV.

2.2.

Op 29 september 2016 heeft [eiser] zich ziek gemeld en is eerder naar huis gegaan. Dezelfde dag heeft mr. Boomaars, de gemachtigde van Arto, aan [eiser] een brief verzonden. In deze brief staat dat [eiser] zonder toestemming van Arto en zonder geldige reden vroegtijdig van zijn werk is vertrokken. Mr. Boomaars sommeert [eiser] om onmiddellijk, uiterlijk op vrijdag 30 september 2016, zijn werkzaamheden te hervatten.

2.3.

[eiser] is op 30 september 2016 naar Arto gegaan, om zich vervolgens dezelfde dag weer ziek te melden.

2.4.

Na september 2016 heeft [eiser] geen salaris meer ontvangen van Arto.

2.5.

De bedrijfsarts is ingeschakeld. Deze geeft in het rapport van 26 oktober 2016 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 29 september 2016 aan en vermeldt in dat rapport dat [eiser] 100% arbeidsongeschikt is. Op 21 december 2016 heeft de bedrijfsarts bij de periodieke evaluatie geadviseerd dat, na een interventieperiode van twee weken, [eiser] kan starten met re-integratie.

2.6.

Op 9 januari 2017 heeft [eiser] zich bij Arto gemeld. Hij is naar huis gestuurd door zijn manager door middel van het volgende App bericht: De Arboarts geeft geen opdracht! Je wacht gewoon onze berichten af. Concreet naar huis.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening Arto veroordeelt tot:
- het betalen van het salaris van € 1.200,00 netto per maand over de maanden oktober, november en december 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente, inclusief een wettelijke verhoging van 35%, binnen drie dagen na betekening van het vonnis;
- het betalen van het salaris over januari 2017 en de volgende maanden, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat, te voldoen op de laatste dag van de betreffende maand;
- het overleggen van de salarisstroken van november 2015 tot en met december 2016 binnen drie dagen na betekening van het vonnis, en alle toekomstige salarisstroken op de laatste dag van de betreffende maand, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of dagdeel dat Arto in gebreke blijft.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Arto in strijd met het arbeidsrecht aan [eiser] geen salaris betaalt en geen loonstroken overlegt.

4 Het verweer

4.1.

Arto heeft aangegeven verweer te willen voeren, maar heeft dit niet gedaan.

5 De beoordeling

5.1.

De spoedeisendheid van de zaak volgt uit de aard ervan, te weten een loonvordering.

5.2.

De vordering van [eiser] is in dit kort geding alleen toewijsbaar, als voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure deze ook zou toewijzen. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

[eiser] heeft gesteld dat hij zich ziek heeft gemeld op 29 september 2016. Dit heeft hij onderbouwd met stukken van de bedrijfsarts. Arto heeft dit niet weersproken.

5.4.

Op grond van artikel 7:629 BW dient de werkgever tijdens ziekte minimaal 70% van het loon door te betalen met een maximum van 104 weken. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een van de uitzonderingen uit lid 3 van artikel 7:629 BW. Arto heeft geen verweer gevoerd op het punt dat in dit geval het loon voor 100% doorbetaald dient te worden bij ziekte. De kantonrechter zal de vordering tot het betalen van de reeds verstreken maanden en het doorbetalen van het loon zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat dan ook toewijzen, met een beperking van de duur tot maximaal 104 weken na 29 september 2016.

5.5.

De wettelijke verhoging is volgens art. 7:625 BW verschuldigd indien de niet tijdige voldoening van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. Nu Arto geen loon betaalt en daarvoor zelfs geen reden heeft gegeven, is hiervan sprake. Gelet op artikel 7:625, eerste lid, BW wordt het percentage voor de maanden oktober en november 2016 op 35% gesteld en voor de maand december 2016 op 29%. Cumulatie van verhoging en wettelijke rente is mogelijk (aldus de Hoge Raad op 5 januari 1979, NJ 1979/207). Ook de wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen.

5.6.

De gevorderde afgifte van loonstroken is eveneens toewijsbaar nu de verplichting daartoe volgt uit de wet, evenwel onder matiging van de gevorderde dwangsom.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van Arto, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Arto tot betaling aan [eiser] van het loon van oktober 2016, te weten
€ 1.200,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 november 2016 tot aan de dag van de gehele betaling en te verhogen met de wettelijke verhoging van 35%, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis;

6.2.

veroordeelt Arto tot betaling aan [eiser] van het loon van november 2016, te weten € 1.200,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2016 tot aan de dag van de gehele betaling en te verhogen met de wettelijke verhoging van 35%, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis;

6.3.

veroordeelt Arto tot betaling aan [eiser] van het loon van december 2016, te weten
€ 1.200,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag van de gehele betaling en te verhogen met de wettelijke verhoging van 29%, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis;

6.4.

veroordeelt Arto tot betaling aan [eiser] van het loon van januari 2017, te weten
€ 1.200,00 netto, en de daarop volgende maanden, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat met een maximum van 104 weken na 29 september 2016, op de laatste dag van de betreffende maand waarover zij verschuldigd is;

6.5.

veroordeelt Arto om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de loonstroken over september 2015 tot en met december 2016 aan [eiser] ter beschikking te stellen, en alle toekomstige salarisstroken op de laatste dag van de betreffende maand, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat Arto daar niet aan voldoet en met een maximum van € 10.000,00;

6.6.

veroordeelt Arto tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 97,31

griffierecht € 79,00

salaris gemachtigde € 600,00;

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Röell-Mulder en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter