Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11735

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
03-01-2022
Zaaknummer
5664752 CV EXPL 17-679
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verjaring. Vernietigingsbevoegdheid. Ten aanzien van enkele overeenkomsten acht de kantonrechter voorshands bewezen dat de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote is verjaard. Eiser mag tegenbewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 5664752 CV EXPL 17-679

datum uitspraak: 20 september 2017

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

Inzake
[eiser]

te [woonplaats]

eiser in conventie

verweerder in reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. G. van Dijk (Leaseproces)

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

te Amsterdam

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

hierna te noemen Dexia

gemachtigde mr. T.R. van Ginkel

In conventie en in reconventie

De procedure

[eiser] heeft Dexia op 17 januari 2017 gedagvaard.

Dexia heeft geantwoord en een tegenvordering ingediend. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiser] schriftelijk op het antwoord in conventie en de eis in reconventie gereageerd. Partijen hebben over en weer nog gereageerd, [eiser] als laatste.

De feiten

a. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease) en Dexia Bank Nederland N.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

[eiser] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten, te weten
I. WinstverDriedubbelaar met contractnummer [contractnummer] van 23 december 1998, verlengd op 23 december 2001;

II. SpaArEXtra -180 maanden met contractnummer [contractnummer] van 21 april 1999;

III. Legio I.B. Plan met contractnummer [contractnummer] van 16 december 1999;

IV. Legio I.B. Plan met contractnummer [contractnummer] van 6 januari 2000;

V. WinstVer10Dubbelaar met contractnummer [contractnummer] van 15 november 2000;

VI. Troefplan met contractnummer van [contractnummer] van 14 juni 2001;

VII. Troefplan met contractnummer van [contractnummer] van 24 juli 2001;

VIII. Troefplan met contractnummer [contractnummer] van 24 juli 2001;
IX. WinstVerDriedubbelaar met contractnummer [contractnummer] van 24 juli 2001;

X. KoersExtra met contractnummer [contractnummer] van 19 oktober 2001,
hierna te noemen de Overeenkomsten.

Daarnaast zijn tussen [eiser] en Dexia nog de volgende overeenkomsten tot stand gekomen:
XI. WinstVerdubbelaar met contractnummer [contractnummer] ;

XII. DuoLease met contractnummer [contractnummer] ;

XIII. Beleggen met korting met contractnummer [contractnummer] ;

XIV. Triple Effect Maandbetaling met contractnummer [contractnummer] ,

hierna te noemen de Overeenkomsten XI tot en met XIV.

Ten tijde van het sluiten van de Overeenkomsten was [eiser] gehuwd met [naam] (hierna: [echtgenote van eiser] ).

Bij brief van 2 december 2005 heeft [echtgenote van eiser] gemeld dat zij op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d en 89 van het Burgerlijk Wetboek de nietigheid van de Overeenkomsten inroept omdat zij daarvoor geen toestemming heeft verleend.

Bij brief van 2 december 2005 heeft de gemachtigde van [eiser] Dexia in gebreke gesteld en gesommeerd om tot terugbetaling over te gaan.

De gemachtigde van [eiser] heeft tijdig in 2007 een opt-out verklaring ingediend, waarmee [eiser] heeft aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de “Duisenberg-regeling” in het kader van de WCAM.

Dexia heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 24 augustus 2016 meegedeeld dat geenszins vast staat dat sprake is geweest van een tijdige en juiste vernietiging en dat geen recht bestaat op restitutie.

De vordering in conventie

[eiser] vordert bij dagvaarding samengevat een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd met veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen ten behoeve van hem krachtens de Overeenkomsten aan Dexia is betaald.

Ook vordert [eiser] veroordeling van Dexia tot betaling van rente over de aan Dexia betaalde bedragen vanaf de onderscheiden betaaldata althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum.

Daarnaast wordt gevorderd dat Dexia bewerkstelligt dat elke registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel ter zake van de Overeenkomsten wordt doorgehaald binnen twee weken na betekening van het vonnis en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00.


Ten slotte vordert [eiser] veroordeling van Dexia tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten conform de offerte van de gemachtigde van [eiser] althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag en van de kosten van het geding, waarvan het salaris gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd voor het geval Dexia niet zou worden veroordeeld om de volledige gevorderde buitengerechtelijke kosten te voldoen.

[eiser] heeft onder meer gesteld dat [echtgenote van eiser] de Overeenkomsten tijdig en rechtsgeldig heeft vernietigd. De bevoegdheid tot vernietiging was niet verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering door de Stichting Eegalease werd ingesteld, wat een stuitend effect had op de verjaring.
[eiser] heeft onder meer gesteld dat hij de Overeenkomsten zonder medeweten van [echtgenote van eiser] zijn aangegaan. Hetzelfde geldt voor de Overeenkomsten XI tot en met XIV. [echtgenote van eiser] was niet op de hoogte van de Overeenkomsten en niet van de vooruitbetalingen. De betalingen vonden plaats via de rekening van [eiser] . [echtgenote van eiser] had haar eigen rekening. [echtgenote van eiser] opende nimmer de aan [eiser] gerichte post. Post van Dexia is haar niet opgevallen. De belastingaangifte werd verzorgd door [eiser] . [echtgenote van eiser] keek de ingevulde aangifte niet door. Pas omstreeks november 2000 is [echtgenote van eiser] bekend geraakt met de Overeenkomsten en de Overeenkomsten XI tot en met XIV.

[eiser] betwist voorts het standpunt van Dexia dat er sprake is van afstand van recht waardoor geen aanspraak op stuiting van verjaring zou kunnen worden gemaakt.
Dexia dient de betaalde bedragen aan [eiser] als onverschuldigd betaald terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betreffende betaaldata.

De A-codering, voor zover gedaan bij de Stichting BKR, is ten onrechte geschied en dient ongedaan te worden gemaakt.

Het verweer in conventie en de vordering in reconventie

Dexia heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering, waarop voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.
Dexia vordert in reconventie – na wijziging van eis - dat voor recht wordt verklaard dat de Overeenkomsten I tot en met XIV rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eiser] een beroep kan worden gedaan. Bovendien vordert Dexia veroordeling van Dexia om aan [eiser] een bedrag van maximaal € 16.142,58, vermeerderd met wettelijke rente te betalen, en voor recht te verklaren dat [eiser] met betrekking tot de Overeenkomsten I tot en met XIV niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbare financiële last en dat met betrekking daartoe geen sprake is geweest van onrechtmatige advisering waarvan Dexia wist of behoorde te weten. Ten slotte vraagt Dexia een verklaring voor recht dat Dexia niets meer verschuldigd is aan [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in conventie zowel als in reconventie.

Dexia stelt onder meer dat de vernietigingsbevoegdheid van [echtgenote van eiser] al was verjaard op het moment dat [echtgenote van eiser] de vernietiging van de Overeenkomsten inriep.


Dexia betwist dat [echtgenote van eiser] niet bekend was met de Overeenkomsten op het moment dat [eiser] deze aanging. Dexia stelt dat het zonder meer voor de hand ligt dat [echtgenote van eiser] al vanaf aanvang van de Overeenkomsten, althans voor 13 maart 2000 kennis heeft genomen van het bestaan van de Overeenkomsten. Dexia wijst in dat verband op de algemene ervaringsregel dat echtelieden het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige niet voor elkaar verzwijgen. Dat geldt te meer nu het om een totale leasesom van relatieve grote omvang ging, welke een waarde vertegenwoordigde van NLG 357.013, 25.

Dexia voert verder aan dat [eiser] geen bewijs overlegt van zijn stelling dat de gebruikte bankrekening tijdens de looptijd van de Overeenkomsten enkel op zijn naam stond en dus geen en/of rekening was. Het is daarom waarschijnlijk dat [echtgenote van eiser] ook toegang had tot de rekening. Dexia acht het onaannemelijk dat [echtgenote van eiser] nooit en te nimmer een aan hen gericht bankafschrift heeft gezien. Ook acht Dexia het onaannemelijk dat [echtgenote van eiser] de veelheid aan poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangers niet heeft opgemerkt. Dexia voert voorts aan dat [echtgenote van eiser] kennis moet hebben genomen van de belastingaangifte, waarop de rente van de Overeenkomsten werd afgetrokken.

De beoordeling

  1. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

  2. Het meest verstrekkende standpunt van [eiser] in zowel conventie als in reconventie is dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd.

3. Dexia heeft daartegenover onder meer gesteld dat de mogelijkheid tot vernietiging door [echtgenote van eiser] van de Overeenkomsten ex artikel 1:88 BW ten tijde van de vernietigingsbrief was verjaard, zodat de Overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd.

4. De verjaringstermijn voor de vernietigingsbevoegdheid van drie jaar op grond van artikel 1:88 e.v. BW gaat lopen vanaf het moment waarop de echtgenote van de afnemer van de overeenkomsten met die overeenkomsten bekend is geworden.
Na afloop van die termijn vervalt de vernietigingsbevoegdheid, tenzij de verjaring tussentijds is gestuit. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de verjaring is gestuit door de hierna te melden collectieve acties van belangenorganisaties tegen Dexia ter zake van effectenlease-overeenkomsten, terwijl Dexia dat betwist.

5. De Hoge Raad (9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft bepaald dat de stuitende werking van een collectieve vordering zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen en leidt dat ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.
De stuitende werking van een collectieve actie strekt zich dus ook uit tot de aan de echtgenote van de afnemer gegeven bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging.

6. De stuitende werking van de verjaring vervalt niet door het uitbrengen van een opt-out-verklaring na het bereiken van de collectieve schikking, dus na het moment waarop de overeenkomst van de belangenorganisaties en Dexia algemeen verbindend is verklaard. Daarbij ziet de Hoge Raad, zoals het hof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen (1 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8774), uitdrukkelijk onder ogen dat Eegalease en de Consumentenbond in de overeenkomst een afstandsverklaring hadden gedaan, maar de Hoge Raad ziet daarin geen omstandigheid om de stuitende werking te laten eindigen.
Integendeel, volgens de Hoge Raad kan de belanghebbende ten behoeve van wie de collectieve actie is ingesteld niet de stuitende werking worden ontzegd, wanneer hij na de totstandkoming van de collectieve schikking kenbaar maakt zich daaraan niet te willen binden.

7. De belangenorganisaties en Dexia hebben de gerechtelijke procedure beëindigd om het collectieve proces op andere wijze voort te zetten, door een verzoek tot algemeen verbindend verklaring in te dienen bij het hof op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Daaruit blijkt dat partijen met het royement niet zozeer beoogd hebben om het tussen hen bestaande geschil te beëindigen, maar ervoor hebben gekozen om de geschilbeslechting op andere wijze voort te zetten.
Bovendien hebben zij dat gedaan binnen zes maanden na het royement en bepaalt voorts art. 7:907 lid 5 BW dat door indiening van het verzoekschrift tot algemeen verbindendverklaring de verjaring wordt gestuit. Weliswaar is die bepaling naar de letter slechts van toepassing op vorderingen tot schadevergoeding, maar in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad en in aanmerking genomen dat in de WCAM-overeenkomst uitdrukkelijk een regeling is opgenomen met betrekking tot de vernietigbaarheid van effectenleaseovereenkomsten, moet volgens het hof worden aangenomen dat de stuitende werking zich in dit geval ook over de verjaring van de bevoegdheid van de echtgenoot tot vernietiging uitstrekt. De kantonrechter sluit zich bij dit oordeel aan.

8. De conclusie is dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid is gestuit en gestuit gebleven, voor zover die niet voordien was verjaard, vanaf de datum van de dagvaarding waarbij de collectieve actie werd ingesteld (13 maart 2003) en tenminste totdat de collectieve schikking zijn beslag kreeg, dat wil zeggen: toen de uitspraak van het hof waarbij deze algemeen verbindend werd verklaard (25 januari 2007), onaantastbaar werd. Daarna gold een termijn van zes maanden zoals in artikel 3:316 lid 2 BW bepaald (25 juli 2007). Hieronder vallen de overeenkomsten die zijn aangegaan na 13 maart 2000. Ook de overeenkomsten die eerder zijn afgesloten maar met het bestaan waarvan de echtgenote niet bekend was voor 13 maart 2000, vallen hieronder.

9. Van verjaring voor 13 maart 2003 van de vernietigingsbevoegdheid van [echtgenote van eiser] met betrekking tot de Overeenkomsten, hiervoor (onder b) genummerd IV tot en met X is geen sprake, omdat deze zijn gesloten na 13 maart 2000. Deze Overeenkomsten zijn daarom rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd voordat de bevoegdheid daartoe was verjaard. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht kan dan ook gegeven worden.

10. Ten aanzien van overeenkomst I geldt dat deze is verlengd op 23 december 2001. Ook voor deze verlenging was de toestemming van [echtgenote van eiser] vereist. Verwezen wordt daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015 (ECLI: NL:HR:2015:41). Omdat zij die toestemming niet had gegeven, had zij de bevoegdheid om die overeenkomst te vernietigen. Zoals hiervoor is overwogen is geen sprake van verjaring van die bevoegdheid, nu de verlenging dateert van na 13 maart 2000. Die overeenkomst is dus rechtsgeldig vernietigd, zodat ook hiervoor de gevorderde verklaring voor recht gegeven kan worden.

11. Het verjaringsverweer van Dexia met betrekking tot de Overeenkomsten genummerd II tot en met IV kan naar het oordeel van de kantonrechter alleen slagen als vast komt te staan dat de verjaringstermijn al vóór of op 13 maart 2000 was aangevangen. Dat is het geval als [echtgenote van eiser] vóór of op die dag bekend is geworden met het bestaan van die overeenkomsten.

11. Het betoog van Dexia dat in verband met de algemene ervaringsregel echtelieden het sluiten van overeenkomsten als deze niet voor elkaar verzwijgen is onvoldoende om bekendheid van [echtgenote van eiser] met de beslissing van [eiser] tot het aangaan van de overeenkomsten aan te nemen. Pas vanaf het moment dat sprake was van subjectieve, daadwerkelijke bekendheid van [echtgenote van eiser] met die overeenkomsten, is de verjaringstermijn ten aanzien van haar vernietigingsbevoegdheid gaan lopen.

13. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigen de substantiële betalingen aan Dexia, het aantal overeenkomsten en de belastingaangifte wel het (bewijs)vermoeden dat [echtgenote van eiser] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van de Overeenkomsten, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren.

14. De kantonrechter zal de zaak naar de rolzitting verwijzen voor het nemen van een akte door [eiser] waarbij hij - indien hij getuigen wenst voor te brengen - de naam/namen van de getuige(n) en de verhinderdata van hemzelf en de getuige(n) dient op te geven op dinsdagen en donderdagen in de maanden november en december 2017 en januari 2018.

15. Dexia dient op diezelfde rolzitting haar verhinderdata en de verhinderdata van haar gemachtigde voor dezelfde maanden op te geven.

16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie

- laat [eiser] toe tot het leveren van tegenbewijs van wat voorshands bewezen wordt geacht, te weten dat [echtgenote van eiser] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van de Overeenkomsten II tot en met IV tussen Dexia en [eiser]

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 oktober 2017 te 10.00 uur voor het nemen van

akten door partijen als hiervoor onder 14 en 15 bedoeld;

- bepaalt dat, indien [eiser] aangeeft getuigen voor te willen brengen, op diezelfde rolzitting een datum voor een buitengewone zitting voor de bewijslevering zal worden vastgesteld;

- bepaalt dat uitstel in beginsel niet wordt verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van [eiser] wordt ervan uitgegaan dat hij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Röell-Mulder, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.