Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11702

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
15/993505-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting van een cliënt en het feitelijk leidinggeven aan het niet voldoen aan een informatieverplichting jegens de fiscus.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 25.000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/993505-14 (P)

Uitspraakdatum: 5 december 2017

Verstek

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

Op 20 oktober 2017 heeft de politierechter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. drs. F.C. van Dijk.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

[bedrijf 1] op of omstreeks 11 mei 2012 te Purmerend en/of Apeldoorn

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten, een aangifte

voor de inkomstenbelasting over het jaar 2010 ten name van [getuige 1] ,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1] en/of

zijn mededader(s) opzettelijk op/in het/de bij/naar (de) inspecteur der

belastingen of de Belastingdienst ingeleverde/ingezonden (digitale) aangifte

inkomstenbelasting een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag

aan belasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig

belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) voornoemd(e) feit(en)

verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 2

[bedrijf 1] in de periode van 7 maart 2013 tot en met 2 september 2014 te

Purmerend en/of Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) als

degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het verstrekken van

inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, opzettelijk deze niet en/of onjuist

en/of onvolledig heeft verstrekt, terwijl dat feit ertoe strekte dat te

weinig belasting werd geheven, immers heeft verdachte de door de

Belastingdienst schriftelijk gevraagde inlichtingen en/of gegevens of

aanwijzingen (D-004), opzettelijk deze niet en/of onjuist en/of onvolledig

verstrekt, tot het plegen van welk(e) voornoemd(e) feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Inkomstenbelasting [getuige 1] over het jaar 2010

Volgens de systemen van de Belastingdienst was [getuige 1] het gehele jaar 2010 woonachtig in Nederland en derhalve binnenlands belastingplichtig.1 De aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van [getuige 1] is ingediend op 11 mei 2012 door [bedrijf 1] waarbij als contactpersoon staat vermeld [getuige 2] . Het in de aangifte inkomstenbelasting 2010 opgegeven inkomen bestond uit AOW ad € 9.298 en een uitkering van St. PF wonen ad € 1.969; totaal opgegeven inkomen € 11.267.2

Inkomen uit aanmerkelijk belang [getuige 1] ( [bedrijf 2] )

Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn de activiteiten van [bedrijf 2] per 15 juni 2010 gestaakt en is de besloten vennootschap per 4 oktober 2011 ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister. [getuige 1] was enig aandeelhouder en tevens enig bestuurder van [bedrijf 2]3 In de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 2] over het jaar 2009 stond op 31 december 2009 een bedrag van € 742.446 aan winstreserves op de balans.4 In de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 2] over het jaar 2010 stonden op 31 december 2010 géén winstreserves meer op de balans.5

Te betalen belasting aanmerkelijk belang inkomen [getuige 1] 2010

De heer [getuige 1] , enig aandeelhouder van [bedrijf 2] , heeft de weggevallen winstreserves van € 742.446 niet vermeld op de aangifte inkomstenbelasting 2010 (D-010). Over het bedrag aan winstreserves moet 25% belasting (box 2) worden betaald, hetgeen niet is gebeurd, zodat het nadeelbedrag € 185.611 bedraagt.6

[bedrijf 1]

Op de aangiften van [bedrijf 2] (D-008 en D-009) en [getuige 1] (D-010) staat de naam [bedrijf 1] vermeld. [bedrijf 1] is (belasting) adviseur gelet op het zogeheten beconnummer ( [nummer] ).7

Bedrijfsstructuur

Volgens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is [bedrijf 3] de bestuurder van [bedrijf 1] Van [bedrijf 3] , gevestigd [adres] , is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , bestuurder en tevens enig aandeelhouder.8

Verklaring getuige [getuige 1]

Op de vraag waarom [getuige 1] een onjuiste aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010 heeft gedaan, heeft [getuige 1] geantwoord dat zijn financieel adviseur [bedrijf 1] sinds 1999 zijn aangiften verzorgt. Op de vraag waarom hij geen informatie heeft verstrekt die verplicht verstrekt moet worden aan de Belastingdienst, heeft [getuige 1] in gelijke zin geantwoord. De aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2010 op naam van [bedrijf 2] heeft [bedrijf 1] ingevuld. [verdachte] deed alles. De contactpersoon van [getuige 1] was de heer [verdachte] en als hij er niet was de heer [getuige 2] . Sinds 1999 geeft [getuige 1] ieder jaar een machtiging aan [bedrijf 1] om onder meer al zijn financiële kwesties te regelen.9

Machtiging

Op een kopie van een handgeschreven en ondertekende machtiging d.d. 4 februari 2014 staat geschreven dat de heer [getuige 1] de heer [verdachte] machtigt om onder meer al zijn financiële zaken te behartigen.10

Vragenbrief Belastingdienst (D-004)

Naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2010 ten name van [bedrijf 2] zijn bij de Belastingdienst vragen gerezen. Op 7 maart 2013 is daarom een vragenbrief gestuurd naar [bedrijf 1] , gericht aan de heer [getuige 2] . In de brief staan vragen die betrekking hebben op onder meer de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2010 op naam van [bedrijf 2] , het vermogen van [getuige 1] in 2010 en de gevolgen van de gewijzigde vermogenspositie van [bedrijf 2] en de invloed die dat heeft op de aangifte inkomstenbelasting van [getuige 1] in 2010. Verzocht is de gewenste informatie voor 28 maart 2013 aan de Belastingdienst te doen toekomen.11

Reactie [bedrijf 1]

reageerde bij brief van 3 april 2013 waarin werd verzocht om een nadere datum te stellen, te weten 25 april 2013, voor het aanleveren van de verzochte informatie. Deze brief is behandeld door [getuige 2] . Bij de handtekening staat geschreven “i.o.” en de naam [verdachte] .12 Bij brief van 29 april 2013 verzocht [bedrijf 1] om nader uitstel van het aanleveren van de gevraagde informatie, in verband met ziekte van [getuige 2] , tot 17 mei 2013. De brief is behandeld door [persoon] . De brief is ondertekend en voorzien van de naam [verdachte] .13 De Belastingdienst heeft vervolgens op 28 mei 2013 een rappelbrief naar [bedrijf 1] gestuurd, waarin onder meer staat vermeld dat de Belastingdienst, na tweemaal uitstel, geen antwoord heeft gekregen op de gestelde vragen. Tot 11 juni 2013 wordt [bedrijf 1] gelegenheid geboden alsnog de gevraagde stukken toe te sturen en de vragen te beantwoorden. Daarbij wordt vermeld dat, bij het uitblijven van een reactie, de aangifte vennootschapsbelasting 2010 van [bedrijf 2] naar eigen inzicht door de Belastingdienst zal worden afgehandeld.14 De Belastingdienst heeft van [bedrijf 1] geen inhoudelijk antwoord ontvangen op de gestelde vragen.15

Verhoor getuige [getuige 3]

, medewerkster van de Belastingdienst Zaandam, heeft verklaard dat zij in de aangifte inkomstenverklaring 2010 van [getuige 1] geen winstuitdeling box 2 (de rechtbank begrijpt: inkomen uit aanmerkelijk belang) zag staan. Deze aangifte is opgesteld en ingediend door [bedrijf 1] Over de in 2010 vervallen winstreserves verklaart [getuige 3] dat dit kan betekenen dat er vermogen aan de besloten vennootschap is onttrokken en dat dit als een winstuitdeling aan [getuige 1] kan worden aangemerkt. Hoe en wanneer de winstreserves van de besloten vennootschap worden uitgekeerd, is niet van belang, deze dient te allen tijde aangegeven te worden in de aangifte inkomstenbelasting box 2 van, in dit geval, [getuige 1] .16

Verhoor getuige [getuige 2]

, belastingconsulent bij [bedrijf 1] , heeft verklaard dat hij de aangifte vennootschapsbelasting 2010 van [bedrijf 2] blanco heeft ingediend. Hij is in 2009 in dienst gekomen bij [bedrijf 1] en hij is later bij het dossier [getuige 1] en [bedrijf 2] betrokken geraakt. Als er vragen waren van de klant over bijvoorbeeld algemene zaken of over invorderingszaken, dan verwees [getuige 2] [getuige 1] door naar [verdachte] . [verdachte] was de verantwoordelijke voor deze klant op kantoor en hij had voor [getuige 1] en [bedrijf 2] met name contact met de zoons van [getuige 1] . [getuige 2] heeft de aangifte inkomstenbelasting 2010 van [getuige 1] ingevuld en ingediend. Over de aangifte vennootschapsbelasting 2009 ten name van [bedrijf 2] verklaart [getuige 2] dat hij deze ook heeft ingevuld en ingediend. [getuige 2] wist dat [verdachte] met de fiscus in discussie was over de financiële situatie van [bedrijf 2] en over het saneren van de schulden. [getuige 2] en [verdachte] hebben de stand van zaken geïnterpreteerd en besloten de aangifte vennootschapsbelasting 2010 blanco in te vullen.

[getuige 2] weet niet meer wat de exacte afspraken met de fiscus waren over [bedrijf 2] , wel dat hij en [verdachte] op grond van die afspraken concludeerden dat [bedrijf 2] per 2010 was opgehouden te bestaan en dat zij de aangifte vennootschapsbelasting 2010 nihil konden indienen. [getuige 2] heeft verder verklaard dat er niets met de vorderingen op de aandeelhouder is gebeurd. Die vorderingen zijn op nul gezet in de aangifte vennootschapsbelasting 2010. Hij heeft dat gedaan op basis van de afspraken die er waren tussen [verdachte] en de fiscus. Als de vorderingen waren kwijtgescholden, had een uitdeling moeten plaatsvinden. In dit geval waren er afspraken met de fiscus dat de besloten vennootschap zou ophouden te bestaan en [getuige 2] ging er vanuit dat de vorderingen daarmee ook gesaneerd waren. Hij en [verdachte] zijn samen tot de beslissing gekomen om de aangifte op de gedane wijze in te vullen. [getuige 2] verklaart over de saneringsverzoeken dat hij de brieven op voorzet van [verdachte] heeft geschreven. [verdachte] vertelde wat hij in de brieven moest zetten. [getuige 2] heeft de saneringsverzoeken opgesteld en naar de Belastingdienst verstuurd. [verdachte] heeft hierna contact gehad met de Belastingdienst en antwoord ontvangen. Op basis van dat antwoord is besloten de aangiften in te vullen zoals is gebeurd. Als [getuige 2] de verklaring van [getuige 4] wordt voorgehouden betreffende het afwijzen van het saneringsverzoek, verklaart hij dat [verdachte] in de veronderstelling was dat er wel een sanering had plaatsgevonden. Zo heeft hij er ook met [verdachte] over gesproken toen zij spraken over de in te vullen aangiften. [getuige 2] verklaart dat hij de afwijzingsbrieven betreffende de sanering wel moet hebben gezien en dat hij dat moet hebben geweten, maar hij weet niet wat er daarna nog gebeurd is en wat [verdachte] daarna nog met de fiscus heeft besproken. Toen hij de aangiften over 2010 indiende, was hij in de veronderstelling dat er uiteindelijk wel afspraken tussen [verdachte] en de fiscus op papier waren gekomen en dat er sanering had plaatsgevonden. Hij weet alleen niet exact wat er tussen [verdachte] en de fiscus is besproken. [getuige 2] ging er vanuit dat de vordering op [getuige 1] in de sanering van [bedrijf 2] was meegenomen.17

Verhoor getuige [getuige 4]

, werkzaam als invorderingsspecialist bij de Belastingdienst Zaandam, heeft verklaard dat eind 2008, begin 2009 een saneringsverzoek kwam van de adviseur van [getuige 1] , [bedrijf 1] Hij heeft het saneringsvoorstel afgewezen. Het saneringsverzoek van [bedrijf 2] heeft [getuige 4] ook afgewezen en heeft daarbij enkel verzocht de vennootschap te ontbinden.

[getuige 4] heeft verder verklaard dat hij geen afspraken met [verdachte] over de aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting heeft gemaakt. Hij heeft daarover nooit met [verdachte] gesproken en is daartoe ook niet bevoegd.

Ook heeft [getuige 4] geen afspraken gemaakt met [verdachte] over de rekening-courant verhouding tussen [getuige 1] en [bedrijf 2] Hij heeft alleen afspraken gemaakt over de inning, maar niet over de heffing.

[verdachte] is in beroep gegaan tegen de afwijzing van het saneringsvoorstel van [getuige 1] privé. Dat beroep is afgewezen op 15 februari 2010. Voor zover [getuige 4] kan zien, is er nooit een sanering geweest van de schulden van [getuige 1] .18

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de feitelijk behandeling van het dossier van [getuige 1] niet zelf heeft gedaan, maar een medewerker van kantoor. Hij sprak [getuige 1] sporadisch. [bedrijf 1] ging er vanuit dat [bedrijf 2] per 31 december 2009 was ontbonden en was in de veronderstelling dat de balansverhoudingen daarmee ook zouden komen te vervallen. Zij hebben meerdere saneringsverzoeken ingediend voor [getuige 1] en [bedrijf 2] en [getuige 4] reageerde dat hij de openstaande aanslagen buiten invordering zou stellen. Daardoor dachten zij dat de Belastingdienst daarmee ook de rekening-courant verhouding met [getuige 1] had gesaneerd. Medewerkers van [bedrijf 1] hebben overleg gehad met de Belastingdienst Zaandam, waarna de aangifte vennootschapsbelasting 2010 is ingediend met nihil bedragen. [bedrijf 1] dacht dat alles geregeld was met [getuige 4]

Zij dacht dat de vorderingen van [bedrijf 2] op [getuige 1] waren kwijtgescholden en dat dit bekend was bij de Belastingdienst. [bedrijf 1] was in de veronderstelling dat de Belastingdienst ook wel inzag dat de vordering op [getuige 1] niets meer waard was en bij het ontbinden van de vennootschap kwijtgescholden zou worden. Verdachte weet niet of er iets op papier staat over de rekening-courant verhouding in het kader van de sanering. Hij is er vanuit gegaan dat dit in het totaal is meegenomen. De aangifte vennootschapsbelasting 2009 is ingediend door een medewerker van [bedrijf 1] De werkzaamheden van [bedrijf 1] voor [getuige 1] betroffen het indienen van de aangiften vennootschaps- en inkomstenbelasting. De aangifte inkomstenbelasting 2010 is door [bedrijf 1] gedaan. Er staat vrijwel niets in deze aangifte, die is gedaan in voortzetting van de koers die [getuige 1] en [bedrijf 2] zijn uitgegaan. Verdachte geeft leiding aan de onderneming, adviseert medewerkers en heeft ook contact met klanten (p. 70).19

3.3.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat, voordat sprake kan zijn van strafbaar feitelijk leidinggeven, eerst dient te worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan.

Toetsingskader strafbaarheid rechtspersoon

De rechtbank hanteert het volgende toetsingskader ter vaststelling van de strafbaarheid van een rechtspersoon:

1. is de rechtspersoon geadresseerde van de (overtreden) norm?

2. kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – redelijkerwijs aan de rechtspersoon worden toegerekend?

3. is sprake van opzet?

De onder 2 genoemde toerekening is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Daarbij is een belangrijke indicator of de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past binnen de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Strafbaarheid van de rechtspersoon

Normadressaat

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] , in de hoedanigheid van gevolmachtigd belastingadviseur van [getuige 1] , normadressaat is. Zij heeft als zodanig de verplichting om correcte aangiften inkomstenbelasting te doen en de fiscus de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Toerekening

Het doen van aangiften inkomstenbelasting en het verstrekken van informatie aan de Belastingdienst past binnen de normale bedrijfsvoering van (belasting) advieskantoor [bedrijf 1] waarbij het handelen en nalaten is verricht door in ieder geval [getuige 2] , medewerker van [bedrijf 1] , en [verdachte] , directeur en enig aandeelhouder van de rechtspersoon. Het handelen was bovendien ten behoeve van de rechtspersoon, omdat zij voor die diensten gewoonlijk betaald zou worden. Verder heeft de rechtspersoon de feitelijke gang van zaken kennelijk aanvaard, door niet de zorg te betrachten die in redelijkheid van een belastingadviseur kon worden gevergd ter voorkoming van de verboden gedragingen, bijvoorbeeld door het doen van navraag bij de Belastingdienst over de vermeende saneringen/kwijtscheldingen en de winstreserves alsmede te reageren op het verzoek om inlichtingen van de fiscus dat direct verband hield met de vermogenspositie van [getuige 1] . Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting ten name van [getuige 1] en het niet verschaffen van de door de fiscus verzochte inlichtingen aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend.

Opzet

De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of sprake was van opzet. Ten aanzien van het doen van een onjuiste aangifte in de zin van artikel 69 Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR), wordt die vraag beantwoord aan de hand van het criterium of de verweten gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is een te lage belastingheffing teweeg te brengen. Onder het bestanddeel ‘opzettelijk’ in de zin van artikel 69 AWR is mede begrepen voorwaardelijk opzet. Daarvan kan sprake zijn indien verdachte zich niet (voldoende) van de juistheid van de belastingaangifte heeft vergewist, terwijl hij daartoe als ondernemer of feitelijk leidinggever is gehouden. Dit heeft eveneens te gelden voor een gevolmachtigd belastingadviseur die belast is met het doen van belastingaangiften voor een ander.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [verdachte] en [getuige 2] af dat [verdachte] met de fiscus in discussie was over de financiële situatie van [bedrijf 2] en het saneren van schulden. [bedrijf 1] , in de persoon van [getuige 2] en [verdachte] , heeft vervolgens gehandeld op basis van aannames en veronderstellingen betreffende vermeende afspraken met de fiscus, welke afspraken overigens op geen enkele wijze op papier zijn gezet. Zij hebben daaraan een eigen interpretatie gegeven, waaruit onjuiste conclusies zijn getrokken. Op grond daarvan hebben zij op de aangifte inkomstenbelasting 2010 van [getuige 1] geen melding gemaakt van inkomsten uit aanmerkelijk belang. In dat verband is mede van belang dat [getuige 2] heeft onderkend dat hij wist dat, indien de vorderingen van [bedrijf 2] op [getuige 1] werden kwijtgescholden, dit tot een uitdeling had moeten leiden. De rechtbank merkt op dat, voor zover er afspraken met de fiscus waren gemaakt, de saneringsverzoeken blijkens de brieven van de Belastingdienst (D-024 en D-025) op onmiskenbare wijze zijn afgewezen en enkel betrekking hebben op de inning van de inkomsten- en vennootschapsbelastingschulden tot en met het jaar 2005. In dat verband acht de rechtbank tevens redengevend dat die afspraken met de fiscus op generlei wijze zagen op de heffing van latere belastingschulden. Verder wordt in de afwijzingsbrieven niet gesproken over de rekening-courantschuld tussen aandeelhouder [getuige 1] en [bedrijf 2] Bovendien is gebleken dat [bedrijf 2] pas op 4 oktober 2011 is ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verdachte – een professioneel belastingadvieskantoor van wie verwacht mag worden dat zij op basis van haar expertise en ervaring weet hoe op correcte wijze aangiften inkomstenbelasting behoren te worden ingediend – dermate lichtvaardig en naar eigen inzicht heeft gehandeld, zonder zich afdoende te vergewissen van de juistheid van die aangifte, dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van [getuige 1] onjuist was en dientengevolge te weinig belasting werd geheven.

Met betrekking tot het opzet op het niet verstrekken van de door de Belastingdienst verzochte informatie in de zin van artikel 68 AWR overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat de fiscus op 7 maart 2013 een vragenbrief aan [bedrijf 1] heeft gestuurd, die door [bedrijf 1] is ontvangen. Nadat op verzoek van [bedrijf 1] tweemaal uitstel is verleend, heeft de Belastingdienst een rappelbrief verzonden waarin een ultimatum is gesteld. De Belastingdienst heeft nooit een inhoudelijke reactie ontvangen op de gestelde vragen. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat [bedrijf 1] zich bewust was welke informatie van haar werd verlangd en door de Belastingdienst was gewaarschuwd middels een rappelbrief. Door niet te reageren op de vragenbrief van de fiscus, terwijl zij daarop is gewezen en daartoe meerdere mogelijkheden heeft gehad, heeft de rechtspersoon naar het oordeel van de rechtbank – minst genomen – willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij de op haar rustende inlichtingenplicht jegens de fiscus zou schenden. Dit geldt te meer nu een professioneel belastingadvieskantoor bekend wordt verondersteld met de op haar rustende verplichtingen en van haar mag worden verwacht dat zij een deugdelijke administratie voert. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is gebleken dat de bij de doorzoeking aangetroffen conceptbrief d.d. 16 mei 2013 aan de Belastingdienst is toegezonden.

Conclusie

Gezien het hiervoor overwogene concludeert de rechtbank dat is voldaan aan alle vereisten voor de strafbaarheid van een rechtspersoon, zodat [bedrijf 1] als pleger van de strafbare feiten kan worden aangemerkt.

Beoordelingskader feitelijk leidinggeven

Bij de beoordeling van de vraag of iemand als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is, moet volgens jurisprudentie van de Hoge Raad worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte – bijvoorbeeld als bestuurder – gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.

Strafbaarheid van verdachte als feitelijk leiddinggever

Met betrekking tot het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting in de zin van artikel 69 AWR overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte was door [getuige 1] gevolmachtigd diens financiële zaken te regelen, waaronder ook viel het doen van aangiften inkomstenbelasting. Verdachte heeft namens [bedrijf 1] gediscussieerd met de fiscus over de financiële situatie van de onderneming van [getuige 1] , [bedrijf 2] , en het saneren van de schulden. Verder was hij de contactpersoon van [getuige 1] en op kantoor verantwoordelijk voor deze cliënt. Tevens was verdachte nauw betrokken bij het doen van de belastingaangiften van [getuige 1] en [bedrijf 2] door de vermeende afspraken met de fiscus en de situatie te interpreteren. Hij heeft daaraan gevolgtrekkingen verbonden die van zwaarwegende invloed waren op de door [bedrijf 1] gedane invulling van de aangifte inkomstenbelasting 2010 van [getuige 1] . Verdachte heeft het ertoe geleid dat in die aangifte de winstuitkering van [bedrijf 2] niet was opgenomen. Volgens verdachte omdat dit in lijn was met de weg die [getuige 1] en [bedrijf 2] waren ingeslagen met de belastingdienst. Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt echter dat de afspraken waar verdachte aan refereert nooit gemaakt zijn. Gezien deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte een actieve en effectieve bijdrage heeft geleverd aan de verboden gedraging en zodoende als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor in de paragraaf “opzet” is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs niet kon en mocht menen dat de inkomsten uit aanmerkelijk belang van [getuige 1] niet behoefden te worden opgegeven in de aangifte.

De rechtbank concludeert dat verdachte, een ervaren belastingadviseur die middellijk en onmiddellijk volledige zeggenschap had over de rechtspersoon, lichtvaardig heeft gehandeld. Hij heeft zonder de juistheid van de aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van [getuige 1] te verifiëren, terwijl hij daartoe vanuit zijn beroepsuitoefening was gehouden, willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat de aangifte onjuist zou worden ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggever voorwaardelijk opzet had op het strafbare feit.

Ten aanzien van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht in de zin van artikel 68 AWR overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij leiding geeft aan de onderneming. Hij heeft tevens middellijk en onmiddellijk de volledige zeggenschap over de rechtspersoon. Verder was verdachte nauw betrokken bij de invulling van de belastingaangiften van [getuige 1] en [bedrijf 2] , alsook bij het doen van de saneringsverzoeken. Namens de rechtspersoon is tweemaal om uitstel gevraagd inlichtingen te verschaffen, maar ook na een rappelbrief is door de rechtspersoon niet gereageerd op de vragenbrief van de Belastingdienst. In dat verband is mede redengevend dat verdachte heeft verklaard dat het de rechtspersoon ontbreekt aan een postboek van inkomende- en uitgaande post.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de rechtspersoon haar administratie niet op orde had. Dit, terwijl verdachte uit hoofde van zijn beroepsuitoefening gehouden was de administratie voor de rechtspersoon alsook voor haar klanten goed te regelen. Bovendien heeft verdachte, die nauw betrokken was bij de belastingaangiften, de saneringsverzoeken en veelvuldig contact onderhield met de fiscus omtrent de financiële situatie van [getuige 1] en [bedrijf 2] , een passieve rol vervuld. Daardoor is de verboden gedraging naar het oordeel van de rechtbank bevorderd, in dier voege dat hij als bestuurder bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging daarvan, doch zulke maatregelen achterwege heeft gelaten. Dit geldt te meer nu van een belastingadviseur mag worden verwacht dat hij bekend is met de op hem rustende fiscale verplichtingen en zich daaraan houdt. Aldus is de rechtbank van oordeel dat verdachte kwalificeert als feitelijk leidinggevende van de onderhavige verboden gedraging.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggevende voorwaardelijk opzet had op het niet verstrekken van de informatie. Hij was nauw betrokken bij de fiscale dossiers van [getuige 1] en [bedrijf 2] Bij een deugdelijk gevoerde administratie had hij dan ook op de hoogte kunnen zijn van de door de fiscus verzochte inlichtingen. Door na te laten te reageren op de vragenbrief van de Belastingdienst en de rappelbrief, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat de gevraagde informatie niet verstrekt zou worden.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

[bedrijf 1] op 11 mei 2012 te Purmerend opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten, een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2010 ten name van [getuige 1] ,

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1] opzettelijk op de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingezonden digitale aangifte

inkomstenbelasting een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 2

[bedrijf 1] in de periode van 7 maart 2013 tot en met 2 september 2014 te Purmerend als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, opzettelijk deze niet heeft verstrekt, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft verdachte de door de Belastingdienst schriftelijk gevraagde inlichtingen (D-004), opzettelijk niet verstrekt, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Feit 2

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze opzettelijk niet verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderdveertig (240) uren alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting van een cliënt en het feitelijk leidinggeven aan het niet voldoen aan een informatieverplichting jegens de fiscus. Door zijn handelwijze heeft verdachte het vertrouwen dat aan de inhoud van belastingaangiften wordt ontleend, geschaad. Daarnaast is hij ernstig tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor correcte belastingaangiftes. De strafbaarstelling van fiscale fraude beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Fiscale fraude kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor belastingplichtigen. Daarenboven dragen de handelingen van verdachte bij aan de ondermijning van de belastingmoraal. Indien belastingfraude onbestraft blijft, kan dit ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun fiscale verplichtingen voldoen. Daarbij komt dat het gaat om een substantieel nadeelbedrag van € 185.611. De rechtbank neemt verdachte, belastingadviseur van beroep, in het bijzonder kwalijk dat hij de professionele standaard heeft losgelaten en niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk belastingadviseur betaamt.

Op grond van de aard en de ernst van het feiten, alsmede gelet op oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zou uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komen.

De rechtbank houdt evenwel ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad d.d. 14 januari 2015 geen soortgelijke strafrechtelijke antecedenten heeft begaan. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen zal worden verdisconteerd in de strafmaat. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Verder heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij het fiscale nadeel dat verdachte heeft veroorzaakt en de hoedanigheid waarin hij dit heeft begaan. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat het ontstane fiscale nadeel separaat door de Belastingdienst zal worden nagevorderd bij [getuige 1] . De in dit verband op te leggen geldboete doet daar niet aan af.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte, mede gelet op zijn professie, ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte gerechtvaardigd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de straf die zij aan medeverdachte [bedrijf 1] zal opleggen, omdat zij zich realiseert dat verdachte als enig aandeelhouder indirect ook die straf zal voelen.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikelen 68 en 69;

Wetboek van Strafrecht artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 51 en 57.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door honderdzestig (160) dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.A. Otter, voorzitter,

mr. W. Aardenburg en mr. J.J. Maarleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Kaandorp,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2017.

mr. Kaandorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8.

2 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8 en 9 en een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van [getuige 1] d.d. 11 mei 2012, p. 177, 178 en 180.

3 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 24 januari 2014 (D-001), p. 104 en 105.

4 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 9 en 10 en een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte vennootschapsbelasting 2009 ten name van [bedrijf 2] d.d. 19 mei 2011 (D-008), p. 132.

5 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 9 en 10 en een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte vennootschapsbelasting 2010 ten name van [bedrijf 2] d.d. 12 maart 2012 (D-009), p. 172.

6 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 11 en een geschrift, zijnde een brief van de Belastingdienst betreffende de nadeelberekening d.d. 22 juli 2014 (D-027), p. 235.

7 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 11; een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte vennootschapsbelasting 2009 ten name van [bedrijf 2] d.d. 19 mei 2011 (D-008), p. 116; een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte vennootschapsbelasting 2010 ten name van [bedrijf 2] d.d. 12 maart 2012 (D-009), p. 156; een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van [getuige 1] d.d. 11 mei 2012 (D-010), p. 177.

8 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 23 september 2015 (D-008), p. 52 en 53 en een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 23 september 2015 (D-009), p. 54 en 55.

9 Aanvullend proces-verbaal d.d. 15 december 2014 met een daaraan als bijlage 4 gehecht schriftelijk bescheid, zijnde een vertaalde verklaring van verdachte [getuige 1] d.d. 13 november 2014 (bijlage 4, p. 3/9, 5/9 en 9/9).

10 Aanvullend proces-verbaal d.d. 15 december 2014 met een daaraan als bijlage 1 gehecht schriftelijk bescheid, zijnde een handgeschreven en ondertekende machtiging van [getuige 1] d.d. 4 februari 2014.

11 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8 en een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Belastingdienst d.d. 7 maart 2013 (D-004), p. 110 en 111.

12 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8 en een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van [bedrijf 1] d.d. 3 april 2013 (D-005), p. 112.

13 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8 en een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van [bedrijf 1] d.d. 29 april 2013 (D-006), p. 113.

14 Overzichtsproces-verbaal d.d. 2 september 2014, p. 8 en een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de Belastingdienst d.d. 28 mei 2013 (D-007), p. 114 en 115.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 20 februari 2014 (G-01-001), p. 82.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 20 februari 2014 (G-01-001), p. 81 en 82.

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 23 mei 2014 (G02-001), p. 85-88 en 91-94.

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 8 mei 2014 (G03-001), p. 98-100.

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 11 april 2014 (V03-001), p. 70, 71, 73 en 74.