Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11697

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
15/810197-16 en 15/030018-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft in de woning van het slachtoffer, in het bijzijn van diens vrouw en kinderen, aangever met een stuk hout meerdere malen op het hoofd geslagen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit.

Veroordeling tot een gevangenisstraf (203 dagen) en tbs met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/810197-16 en 15/030018-16 (P)

Uitspraakdatum: 31 januari 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 januari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.C.M. Wildemors en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. van der Klaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Uitgeest ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een of meerdere malen met een baksteen en/of een stuk hout op/tegen zijn hoofd te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op of omstreeks 16 juni 2016 te Uitgeest opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een of meerdere malen tegen die ruit geslagen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feit 1:

Op 12 juli 2016 liep verdachte de woning in van aangever [slachtoffer 1] in Uitgeest. Verdachte heeft [slachtoffer 1] daarop meerdere malen geslagen met een stuk hout.2 Op het hoofd van aangever ontstonden daardoor bulten en een grote snee, welke snee een bonkend gevoel gaf en gehecht moest worden.3 Aangever ondervond hierdoor pijn en voelde bloed langs zijn hoofd stromen.4

Feit 2:

Op 16 juni 2016 werd een ruit van het pand aan de [adres] te Uitgeest vernield.5

Door een getuige werd gezien dat een man, met breed postuur en kaal geschoren hoofd, met zijn vuisten tegen het raam van voornoemd pand aansloeg. Even later hoorde de getuige glasgerinkel en zag glas op straat vallen. De man had het raam ingeslagen. Hij liep verder de [adres] op in de richting van de Dekamarkt.6

Kort daarna werden door verdachte uit het cafetaria [cafetaria] , gevestigd aan de [adres] te Uitgeest, enige goederen meegenomen zonder te betalen.7 Hij liep vervolgens verder in de richting van de Dekamarkt 8 en in de richting van station Uitgeest.9 Het signalement dat de eigenaresse van [cafetaria] van de haar bekende verdachte opgaf, kwam overeen met het signalement zoals opgegeven door getuige [getuige] .10

3.3.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat – kort gezegd – het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij verdachte niet kan worden bewezen. Verdachte heeft geslagen met een plankje, maar hij heeft daarbij geen opzet gehad op zwaar lichamelijk letsel. Dit blijkt ook uit het feit dat hij de steen die hij ook mee naar binnen had genomen, niet heeft gebruikt om aangever te slaan. Nu eenvoudige mishandeling niet is ten laste gelegd, dient verdachte naar de mening van de raadsman te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat verdachte aangever met een stuk hout meerdere malen op het hoofd heeft geslagen. Het hoofd is een kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam. De gedraging van verdachte kan naar algemene ervaringsregels leiden tot zwaar letsel bij het slachtoffer, nu dat schedel- en hersenletsel tot gevolg kan hebben. Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was daarom gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit, te weten poging tot zware mishandeling. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De raadsman van verdachte heeft verder ter terechtzitting betoogd dat verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat – kort gezegd – aangever niet heeft gezien wie de ruit heeft vernield. Getuige [getuige] heeft iemand zien schreeuwen met het signalement van verdachte, maar dit signalement is weinig onderscheidend volgens de raadsman. Bovendien hoorde de getuige glasgerinkel, maar heeft zij niet gezien dat diezelfde persoon het raam heeft ingeslagen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte werd herkend door aangeefster [aangeefster] in Cafetaria [cafetaria] , gelegen aan de [adres] te Uitgeest, alwaar hij op 16 juni 2016 omstreeks 13.35 uur goederen stal. Kort daarvoor had getuige [getuige] een persoon, van wie het door haar opgegeven signalement overeenkomt met verdachte, met zijn vuisten tegen een ruit van het pand aan de [adres] te Uitgeest zien slaan en vervolgens glasgerinkel gehoord. Zij merkt in haar verklaring op dat “de man (…) het raam (had) ingeslagen”.

Zowel [aangeefster] als [slachtoffer 1] hebben verklaard dat verdachte, danwel de persoon die qua signalement overeenkomt met verdachte, zijn weg vervolgde in de richting van de Dekamarkt, welke is gelegen aan de [adres] te Uitgeest.

Gelet op de gelijkenis van het opgegeven signalement door getuige [getuige] en de herkenning van verdachte door aangeefster [aangeefster] , die tevens een beschrijving geeft van verdachte en de kleding die hij op dat moment droeg, is de rechtbank ervan overtuigd dat dit een en dezelfde persoon is geweest, namelijk verdachte. Gelet op de kort op elkaar volgende tijdstippen van de vernieling en de diefstal uit de cafetaria, alsmede het feit dat zowel getuige [getuige] als aangeefster [aangeefster] hebben verklaard dat de man zijn weg vervolgde in de richting van de Dekamarkt, en het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij in Cafetaria [cafetaria] was geweest waar hij inderdaad goederen had meegenomen zonder te betalen, zijn weg vervolgde in de richting van station Uitgeest, welk station in het verlengde ligt van de Dekamarkt, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, voldoende vast staat dat het verdachte is geweest die de vernieling van de ruit van het pand aan de [adres] te Uitgeest heeft gepleegd. Van aanwijzingen dat het ook een ander dan verdachte kan zijn geweest die de ruit heeft vernield, is overigens in het geheel niet uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting gebleken. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 12 juli 2016 te Uitgeest ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen met een stuk hout op/tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op 16 juni 2016 te Uitgeest opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft vernield, door meerdere malen tegen die ruit te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: poging tot zware mishandeling;

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie(s)

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 203 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals gesteld in het maatregelenrapport van GGZ Palier d.d. 14 december 2016.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gevorderd dat de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 450,- en dat de materiele schade, te weten € 641,-, in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd dat de materiele schade, te weten € 430,16, in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Verdachte heeft in de woning van het slachtoffer, in het bijzijn van diens vrouw en kinderen, aangever met een stuk hout meerdere malen op het hoofd geslagen.

Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en zonder twijfel heeft deze gebeurtenis grote impact gehad op de kinderen, zoals ook blijkt uit de aangifte.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over verdachte uitgebrachte beknopte voorlichtingsrapport gedateerd 26 oktober 2016 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Palier Reclassering te Heerhugowaard.

- de ter terechtzitting van deze rechtbank van 8 november 2016 in deze zaak afgelegde verklaringen van de deskundigen [reclasseringswerker] , voornoemd, en [deskundige] , zoals hiervan blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van die datum.

- het over de verdachte uitgebrachte maatregelrapport gedateerd 14 december 2016 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Palier Reclassering te Leiden.

Het psychiatrisch rapport, gedateerd 7 november 2016, opgemaakt door A.A.R. de Krom, psychiater, en J.J. van Olst, AIOS, houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene lijdt aan een schizofrene stoornis die op zich al tien jaar lang geen actieve symptomen vertoont zoals wanen en hallucinaties. De schizofrene stoornis komt tot uiting in gedesorganiseerd denken en spreken, affectieve vervlakking, initiatiefloosheid en een beperkt functioneren op meerdere levensgebieden zoals werk, interpersoonlijke relaties en zelfzorg. Betrokkene is afhankelijk van amfetamine (speed). Hij is daarvan afhankelijk geraakt omdat dit middel de initiatiefloosheid en gevoelens van leegte die ook bij zijn schizofrene stoornis horen, teniet doet. Het gebruik van dit middel leidt echter ook weer tot paranoïde waanvorming en agressieve prikkelbaarheid.

De intelligentie imponeert als ruim beneden gemiddeld niveau. Het psychologisch onderzoek van de psycholoog wijst op lichte zwakzinnigheid. Dit is het huidige niveau van functioneren.

Er is sprake van een schizofrene stoornis en een amfetamine afhankelijkheid. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van antisociale persoonlijkheidstrekken. Betrokkene functioneert op licht zwakzinnig niveau. Ten tijde van het ten laste gelegde was dit ook het geval.

Betrokkene heeft vanwege zijn stoornis op een aantal psychiatrische functiegebieden duidelijke beperkingen die ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren. Vanuit zijn schizofrene stoornis is de realiteitstoetsing beperkt waarbij het realiteitsbesef intact is. Het afweerniveau, dat bestaat uit voornamelijk onbewuste automatische psychische processen die betrokkene beschermen tegen angst en tegen de bewustwording van interne of externe gevaren of stressoren, is verstoord. Daarbij is de psychotische vervorming het meest prominente en overheersende afweerniveau wat de reactie beïnvloed op emotionele conflicten en op interne en externe stressoren. Daarnaast wordt de drang naar middelengebruik versterkt door zijn affectieve vervlakking en initiatiefloosheid vanuit de schizofrene stoornis wat mede de middelenafhankelijkheid in de hand werkt.

De kans dat betrokkene opnieuw, indien bewezen, tot het onder feit 1 ten laste gelegde komt, is groot. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde kan geen uitspraak worden gedaan.

Het psychologisch rapport, gedateerd 24 oktober 2016, opgemaakt door H.E.W. Koornstra, psycholoog, houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is een licht zwakzinnige man die, ondanks zijn zichtbare cognitieve beperking, nooit eerder in aanraking lijkt te zijn geweest met de zwakzinnigenzorg.

Doordat, toen hij 19 jaar oud was, de diagnose paranoïde schizofrenie gesteld werd, kwam hij terecht in de psychiatrie alwaar hij, voor zover mogelijk, begeleid werd. Hij gleed in de loop der jaren echter maatschappelijk steeds verder af en toen de gedragsproblemen ernstig toenamen, bleek de psychiatrie geen mogelijkheden meer te hebben voor begeleiding. Bovendien moest - na 10 jaar psychosevrij zijn, althans, psychosevrij zijn zonder middelengebruik - geconstateerd worden dat mogelijk geen sprake is van schizofrenie doch van middelenafhankelijkheid waarbij hij na gebruik psychotisch en agressief is.

Afgaande op het feit echter dat niet bij de eerste diagnose duidelijk werd dat betrokkene cognitief zo zwak was als heden, kan de mogelijkheid dat sprake is van een cognitieve verslechtering, passend bij de schizofrenie en het excessieve middelengebruik (waarbij hij middelen is gaan gebruiken om zichzelf te activeren, de negatieve symptomen als initiatiefloosheid en apathie af te dekken), niet worden uitgesloten.

Duidelijk is in ieder geval dat betrokkene op licht zwakzinnig niveau functioneert waarbij - overigens behalve passend bij schizofrenie, ook bij dit niveau, en zeker vanuit de verwaarlozing in zijn achtergrond - sprake is van een gebrekkige realiteitstoetsing waarbij hij achterdochtig is. Hij vertoont bij oplopende spanning en angst, sterk antisociaal gedrag en is zelfstandig niet bij machte dit te reguleren.

Alles overziend, wordt geadviseerd betrokkene voor de hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten. De kans op (gewelddadige) recidive is hoog.

Concreet wordt geadviseerd betrokkene de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen en hem op te nemen in een gespecialiseerde voorziening voor zwakzinnigenzorg waarbij gedacht wordt aan een instelling als Trajectum. Een minder verstrekkende maatregel lijkt niet aan de orde, daar de ervaring de laatste jaren reeds heeft geleerd dat betrokkene binnen een ambulant voorwaardelijk kader noch te begeleiden noch in enige mate bij te sturen is. TBS met dwangverpleging lijkt, gezien de wijze waarop betrokkende ten opzichte van een plaatsing in een passende instelling staat - hij is enthousiast over de beschrijving van Trajectum - niet aan de orde. Met afdoende structuur wordt betrokkene in staat geacht zich aan voorwaarden te houden, daar hij zich dan veilig genoeg voelt en niet onrustig is.

Met de conclusies van dit deze rapporten, alsmede de integrale conclusie, het plan van aanpak onderscheidenlijk het advies en voorstel van voormeld maatregelenrapport, kan de rechtbank zich verenigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en voorwaarden betreffende zijn gedrag dienen te worden gesteld, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit onder 1 een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen/goederen het opleggen van deze maatregel eist.

Omdat de rechtbank het van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan zijn detentie zal aanvangen, zal de rechtbank bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 641,-) en immateriële (€ 650,-) schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 42,- (zijnde de schade aan het T-shirt) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit, terwijl deze schade ook niet door de verdediging is betwist. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is van oordeel dat de schade ten aanzien van het horloge (€ 599,-) onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier is niet gebleken dat het horloge als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit is ontstaan. In de aangifte wordt niet over een kapot horloge gesproken, terwijl ook niet zonder meer duidelijk is dat de schade aan het horloge het gevolg is van het slaan op het hoofd. Daarnaast is de schade overigens ook niet zichtbaar op de bij de vordering als bijlage 3 gevoegde foto. De benadeelde partij zal in zoverre dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank tot een bedrag van € 500,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 430,16 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit, terwijl deze schade ook niet is betwist, anders dan door de stelling dat de benadeelde partij in het geval van een vrijspraak niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Ten aanzien van de reeds gemaakte kosten, heeft de benadeelde partij aangegeven dat die € 80,00 bedragen. Nu deze post niet anders is betwist dan door de stelling dat de benadeelde partij in het geval van een vrijspraak niet ontvankelijk dient te worden verklaard, zal het gevorderde bedrag aan proceskosten worden toegewezen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: vernieling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 21 april 2016 in de zaak met parketnummer 15/030018-16 heeft de politierechter in deze rechtbank verdachte ter zake van

Feit 1: oplichting,

Feit 2: mishandeling,

veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 13 mei 2016 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans, dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, nu zij de terbeschikkingstelling van verdachte met voorwaarden heeft gelast.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat, nu zij de terbeschikkingstelling van verdachte zal gelasten en voorwaarden betreffende zijn gedrag dienen te worden gesteld, de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 38, 38a, 45, 57, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEEHONDERDDRIE (203) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:

Bijzondere voorwaarden

1. Betrokkene houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door de aangewezen reclasseringsorganisatie en moet zich zo frequent melden als de reclassering dat nodig acht. Daarnaast werkt betrokkene mee aan huisbezoeken door de reclassering;

2. Betrokkene verblijft bij Ipse de Bruggen, locatie de Kijvelanden of een soortgelijke instelling, zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op en conformeert zich aan de geboden behandeling, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

3. Betrokkene werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een beschermd/begeleid wonen en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die aan hem gesteld worden;

4. Betrokkene conformeert zich aan een ambulante (vervolg)behandeling bij een forensische

polikliniek of een soortgelijke instelling, na het afronden van klinische opname, ook als dit

inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

5. Betrokkene zal niet van verblijfplaats veranderen dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering;

6. Betrokkene zal niet zonder toestemming van zijn begeleiders en/of de reclassering zijn

werkuren bij het dagbestedingstraject veranderen;

7. Betrokkene zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen, stelt zich open op inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties, en heeft geen bezwaar dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend;

8. Betrokkene zal zich onthouden van alcohol- en druggebruik en zich niet onttrekken aan

controles hierop;

9. Betrokkene geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier of een soortgelijke instelling;

10. Betrokkene zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren.

11. Betrokkene werkt, in het geval van een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie, mee aan een tijdelijke terugplaatsing in de gesloten unit van de FPK of een soortgelijke instelling.

12. Betrokkene werkt mee aan een Ambulant Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) bij een nader te indiceren klinische behandelsetting, ook als dit betekent een time-out opname van maximaal tweemaal een periode van zeven weken. Daarnaast worden er binnen het FPT

afspraken gemaakt (na een klinisch traject) inzake onder andere tijdelijke crisisopvang.

Algemene voorwaarden

13. Betrokkene pleegt geen strafbare feiten;

14. Betrokkene geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van

informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede

behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het

maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent hij ten behoeve van het

vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken,

of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht aan;

15. Betrokkene geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde

voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

16. Tijdens de gehele TBS maatregel is het voor betrokkene niet toegestaan om zich buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te oefenen gezag dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan (art 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 542,-, bestaande uit € 42,- voor de materiële en
€ 500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 542,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden materiele schade ten bedrage van € 430,16, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 - zijnde de datum van de overgelegde factuur - tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 80,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 430,16, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/030018-16 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Flohil, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

Mr. Flohil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016155728-1); het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal PL1100-2016155728-2); de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 januari 2017.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016155728-1); het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal PL1100-2016155728-2) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal PL1100-2016155728-5).

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 12 juli 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016155728-1).

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 22 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133990-1).

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133990-2).

7 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d.16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133999-1) en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 januari 2017.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d.16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133999-1).

9 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 januari 2017.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133990-3), het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d.16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133999-1) en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 16 juni 2016 (proces-verbaal nummer PL1100-2016133990-2).