Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11689

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
C/15/257175 / HA ZA 17-251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet ex artikel 17 Invorderingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/2221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/257175 / HA ZA 17-251

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAUPORTE DESIGN ENTRANCES B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. C.H.J. van der Maas te Haren Gn,

tegen

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ HOOFDDORP,

gevestigd te Hoofddorp,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.

Partijen zullen hierna BDE en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 mei 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

BDE is een vennootschap die onder meer grote (draai)deuren levert en plaatst. BDE heeft op 15 februari 2017 haar naam gewijzigd in BFM B.V. Via Jam Holding B.V. is de heer [A.] (hierna: [A.]) bestuurder van BDE.

2.2.

Op 15 mei 2017 had BDE uit hoofde van loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting een schuld van € 398.755,19. Deze schuld is sindsdien alleen maar toegenomen. In verband met deze belastingschuld zijn in de periode maart tot en met oktober 2016 zeven dwangbevelen aan BDE betekend.

2.3.

[A.] is in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder aansprakelijk gehouden voor een gedeelte van voornoemde belastingschuld.
Hij heeft daartegen bezwaar ingesteld. Naar aanleiding van het (hoor)gesprek op
1 november 2017 in de bezwaarprocedure heeft de Ontvanger aan BDE tot 1 februari 2017 uitstel van betaling verleend voor de belastingschuld omdat BDE voornemens was een krediet ter aflossing van de belastingschuld aan te vragen. Aan het uitstel werd als voorwaarde verbonden dat de lopende termijnen tijdig zouden worden voldaan.

2.4.

Beauporte Maintenance B.V. (hierna: BM) is een zustervennootschap van BDE en richt zich op de service en het onderhoud van de door BDE geleverde deuren. De vennootschappen vormen geen fiscale eenheid ex artikel 7 lid 4 Wet op de Omzetbelasting 1968.

2.5.

Kort na 1 november 2016 heeft de Ontvanger van de Inspecteur vernomen dat aan BM een teruggaaf omzetbelasting toekwam. Naar aanleiding daarvan heeft de Ontvanger aan BDE verzocht om toestemming voor verrekening van deze teruggaaf (aan BM) met de belastingschuld (van BDE). Toen BDE die toestemming niet verleende, heeft de Ontvanger bij brief van 9 november 2016 het verleende uitstel van betaling beëindigd.

2.6.

BDE heeft op 11 november 2016 een verzetdagvaarding ex artikel 17 Invorderingswet aan de Ontvanger laten betekenen.

2.7.

Voor de aanslagen loonheffing eindigend met de nummers A016050 en F016050 heeft de Ontvanger op 16 november 2016 dwangbevelen aan BDE laten betekenen en aansluitend ten laste van BDE executoriaal derdenbeslag gelegd. Vervolgens heeft de Ontvanger ten laste van BM conservatoir beslag gelegd onder zich zelf op teruggaven omzetbelasting aan BM.

2.9.

Op 24 maart 2017 heeft BDE een herstelexploit aan de Ontvanger laten betekenen en haar eis gewijzigd/aangevuld in die zin dat de verzetdagvaarding van 11 november 2016 ook geacht wordt betrekking te hebben op de onder 2.7. bedoelde aanslagen.

3 Het geschil

3.1.

BDE vordert na wijziging dan wel aanvulling van eis samengevat – dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat BDE op goede gronden in verzet is gekomen tegen de (voorgenomen) tenuitvoerlegging van de dwangbevelen voor de in de (aanvullende) dagvaarding genoemde dwangbevelen;
II. deze dwangbevelen buiten effect stelt;
III. voor recht verklaart dat de Ontvanger door ondanks de schorsende werking van artikel 17 Invorderingswet voor de aanslagen Omzetbelasting a.nr.8531.62.062.F016050 en Loonheffing a.nr.8531.62.062.A016050 toch dwangbevelen uit te vaardigen en ten uitvoer te leggen, jegens BDE onrechtmatig heeft gehandeld;
IV. de Ontvanger veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

De Ontvanger voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat BDE in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2.

De eerste vraag die ter beantwoording voorligt is of de intrekking van het aan BDE verleende uitstel om haar belastingschulden in te lossen, onrechtmatig jegens BDE is. Het toetsingskader in deze voor het handelen van de Ontvanger wordt gegeven door de Leidraad Invordering 2008. Deze bepaalt dat in artikel 25.1.4. dat het verleende uitstel in ieder geval wordt beëindigd als:
a. niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend;
b. tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt;
(...)
d. de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;
e. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is;
(...)

4.3.

De Ontvanger heeft het uitstel beëindigd nadat hem was gebleken dat de zustervennootschap (BM) van de belastingplichtige (BDE) recht had op een teruggaaf Omzetbelasting, dat BDE daarvan in het (hoor)gesprek van 1 november 2016 geen melding had gedaan en dat vervolgens het verzoek van de Ontvanger om deze teruggaaf te verrekenen met de schuld van de belastingplichtige geweigerd werd. Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank zowel sprake van de grond genoemd onder d als die onder e. BM en BDE zijn weliswaar twee afzonderlijke vennootschappen, maar zij hebben beide dezelfde (middellijk) directeur / groot aandeelhouder en hun werkzaamheden sluiten ook naadloos op elkaar aan. Onder deze omstandigheden hadden zowel melding van de teruggave als medewerking aan verrekening van tenminste een deel van de teruggaaf aan BM met de belastingschuld van BDE in de rede gelegen en was de Ontvanger gerechtigd het uitstel te beëindigen toen die medewerking werd geweigerd. Het verzet is daarom ongegrond.

4.4.

De tweede vraag die in deze procedure beantwoord moet worden is of de Ontvanger heeft gehandeld in strijd met de schorsende werking ex artikel 17 lid 2 Invorderingswet. BDE betoogt in dat verband dat de door haar op 11 november 2016 betekende verzetdagvaarding ook geacht moet worden betrekking te hebben op de aanslagen loonheffing eindigend met de nummers A016050 en F016050 waarvoor de Ontvanger op 16 november dwangbevelen heeft laten betekenen. Uitgaande van die stelling was het de Ontvanger gelet op de schorsende werking die volgt uit artikel 17 lid 2 Invorderingswet, de Ontvanger niet toegestaan om die dwangbevelen te doen betekenen laat staan om op grond hiervan beslag te leggen. Dat betekent dat de Ontvanger jegens BDE onrechtmatig heeft gehandeld, aldus BDE.

4.5.

Volgens de Ontvanger kan de dagvaarding van 11 november 2016 geen betrekking hebben op de aanslagen loonheffing eindigend met de nummers A016050 en F016050 omdat verzet eerst kan worden ingesteld nadat enige daad van tenuitvoerlegging, zoals betekening van het dwangbevel, heeft plaatsgevonden. Voor de betreffende aanslagen was dit op dat moment niet het geval: ten tijde van de dagvaarding waren daarvoor alleen aanmaningen verzonden.

4.6.

Het gaat hier dus om de vraag of het verzet al kan worden ingesteld nog vóórdat een dwangbevel is betekend. De rechtbank is op grond van het navolgende van oordeel dat dit niet het geval is. Ten eerste is in artikel 17 lid 2 Invorderingswet bepaald dat het verzet aanvangt "met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde." Ook in lid 1 van dat artikel wordt verwezen naar de Ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. Van het "uitgevaardigd zijn van een dwangbevel" kan slechts sprake zijn als het dwangbevel aan de belastingplichtige is betekend. De belastingplichtige moet immers op de hoogte worden gebracht van het voornemen van de Ontvanger om tot (dwang)invordering over te gaan. In de situatie waarin alleen nog maar is aangemaand, is het immers nog maar de vraag of de Ontvanger daadwerkelijk tot het uitvaardigen van een dwangbevel zal overgaan. Die vraag wordt beantwoord op het moment dat de Ontvanger een dwangbevel aan de belastingplichtige laat betekenen en daarmee zijn voornemen om tot tenuitvoerlegging van een dwangbevel kenbaar maakt.

4.7.

Het ligt overigens ook niet voor de hand dat met de schorsende werking van artikel 17 lid 2 Invorderingswet wordt beoogd de invorderingsmogelijkheden van de Ontvanger al op voorhand, dus nog voordat daadwerkelijk tot (dwang) invordering wordt overgegaan, te beperken. Het argument van BDE dat het met de rechtsbescherming van de burger slecht gesteld zou zijn als deze niet al op voorhand in verzet zou kunnen gaan omdat de Ontvanger dan onmiddellijk na betekening tot beslaglegging kan overgaan, stuit af op de omstandigheid dat die burger ook na de beslaglegging nog in verzet kan gaan waardoor de Ontvanger geen executiemaatregelen kan nemen.

4.8.

De verwijzing van BDE naar Rechtbank Rotterdam 14 december 2000 (ECLI:NL:RBROT:200:AV6709) kan haar niet baten. De rechtbank heeft hierin overwogen: "De rechtbank tekent hierbij aan dat het door de Ontvanger ten verwere aangevoerde en door R.G.R. c.s. onbetwiste feit dat de Ontvanger (nog) geen dwangbevel heeft uitgevaardigd, binnen het kader van de bevoegdheidsvraag niet relevant is, doch dat dit een ontvankelijkheidvraag betreft." De rechtbank heeft in dit bevoegdheidsincident uitsluitend de vraag of zij bevoegd was om van de vordering kennis te nemen, beantwoord en is niet ingegaan op de vraag of de belastingplichtige ontvankelijk was. De vraag of de belastingplichtige wel in verzet kon komen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel terwijl er nog geen dwangbevel was betekend, zou pas in de vervolgprocedure aan de orde komen.

4.9.

De conclusie van het voorgaande is dat de dagvaarding van 11 november 2016 geen betrekking kan hebben op de aanslagen waarvoor nog geen dwangbevel was betekend, zodat de schorsende werking van artikel 17 lid 2 Invorderingswet voor die aanslagen dus ook niet gold toen de Ontvanger op 16 november 2016 overging tot betekening van de dwangbevelen en tot het leggen van beslag. Derhalve heeft de Ontvanger niet onrechtmatig jegens BDE gehandeld in de door BDE gestelde zin.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen de vorderingen van BDE worden afgewezen. BDE zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Ontvanger worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.522,00

4.11.

De Ontvanger heeft verzocht het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zodat de schorsende werking van het verzet niet herleeft indien BDE een rechtsmiddel tegen dit vonnis mocht aanwenden. Volgens de Ontvanger zijn de door BDE aangevoerde gronden van het verzet evident kansloos en heeft BDE bij dat verzet geen enkel belang anders dan het opschorten van de tenuitvoerlegging. Dat laatste belang speelt in verzetsprocedures geen zelfstandige rol en mag dus niet in de belangenafweging betrokken worden, aldus de Ontvanger. BDE heeft aangevoerd dat er geen aanleiding is om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren: het verzet was niet op voorhand kennelijk kansloos omdat de Ontvanger volgens BDE te onrechte het verleende uitstel van betaling had ingetrokken.

4.12.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voorop staat dat op grond van artikel 17 lid 2 Invorderingswet het verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst. Alleen een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat die schorsende werking opzij gezet wordt. Doorbreking van de schorsende werking is slechts mogelijk indien een beroep van de belastingschuldige op de schorsende werking misbruik van bevoegdheid oplevert. Daarvan is sprake als het verzet, gelet op hetgeen de belastingschuldige daartoe heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging. Daarvan is hier sprake. De verschuldigdheid van de belastingschulden waarvoor de Ontvanger de dwangbevelen heeft uitgevaardigd, is niet in geschil. Voor zover de aangevoerde verzetsgronden al enige kans van slagen zouden hebben gehad, geldt dat BDE daar thans geen belang meer bij heeft. De termijn waarvoor de Ontvanger destijds het uitstel van betaling had verleend, is inmiddels al verstreken. Het enige belang dat BDE thans dus nog heeft ligt in de opschorting van de tenuitvoerlegging, terwijl de belastingschuld van BDE alleen maar is toegenomen en er, ondanks meerdere toezeggingen, nog geen enkel voorstel ter aflossing van die oplopende schuld is gekomen. Gelet hierop zal het vonnis, conform het verzoek van de Ontvanger, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet ongegrond;

5.2.

wijst de vorderingen af;

5.3.

veroordeelt BDE in de proceskosten, aan de zijde van De Ontvanger tot op heden begroot op € 1.522,00;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: 703 coll: