Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11682

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
15/871946-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking/belaging. Maatregel gebiedsverbod. 38v Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0676
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/871946-16 en 15/081379-15 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 28 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.C. Sassen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2015 tot en met 3 december 2016 te Haarlem, en/of te Amsterdam en/of te Rotterdam, en/of in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- die [slachtoffer] (met grote regelmaat) hinderlijk en/of (ook) heimelijk te volgen (op de route van en naar haar werk) en/of te verschijnen bij haar werk en in haar directe (woon) omgeving en/of

- ( meermalen) een GPS-baken onder de auto van die [slachtoffer] te plaatsen en/of

- ( meermalen) voor die [slachtoffer] belastende nep-accounts aan te maken op social media en/of - (veelvuldig) contact met haar te zoeken via social media, bellen en/of SMS;

Feit 2:

hij op of omstreeks 03 december 2016 op een of meer openbare weg(en) op de route van Rotterdam naar Haarlem, in de arrondissementen Rotterdam en/of Den Haag, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

die [slachtoffer] , (terwijl zij (met haar auto) van hem weg reed) (met zijn auto) achtervolgd en/of is hij (vervolgens) (op de snelweg) op voor die die [slachtoffer] dreigende wijze (met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur) naast haar (auto) gaan en/of blijven rijden en heeft hij, verdachte, daarbij opzettelijk een (op voor die [slachtoffer] dreigende wijze) abrupte stuurbeweging naar rechts/ in de richting van die (auto van) [slachtoffer] gemaakt.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van feit 1. Wel behoeft de periode volgens de raadsvrouw enige nuancering, gelet op het feit dat er in de maanden mei, juni en juli in totaal 51 keer belcontact is geweest tussen aangeefster en verdachte. Hiervan heeft aangeefster geen melding gemaakt bij de politie en dit contact ondersteunt de verklaring van verdachte dat er in die zomermaanden normaal contact was.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak betoogd, nu er naast de aangifte geen steunbewijs is.

3.3.

Vrijspraak
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd niet bewezen kan worden verklaard, nu daarvoor onvoldoende wettig bewijs is. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte d.d. 10 maart 2016 (dossierpagina 033 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d.

1 april 2016 (dossierpagina 096 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2016 (dossierpagina 347 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte d.d. 28 oktober 2016 (dossierpagina 161 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor aangeefster d.d.

18 november 2016 (dossierpagina 178 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2016 (dossierpagina 353 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 31 oktober 2016 (dossierpagina 175 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige

[getuige 2] d.d. 14 november 2016 (dossierpagina 114 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

11 maart 2016 (dossierpagina 059 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

31 maart 2016 (dossierpagina 056 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van fotobijlage d.d. 10 maart 2016 (dossierpagina 041 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van fotobijlage d.d. 15 maart 2016 (dossierpagina 066 e.v.);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

12 november 2016 (dossierpagina 102 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

12 november 2016 (dossierpagina 109 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

24 november 2016 (dossierpagina 193 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

9 december 2016 (dossierpagina 258);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

23 november 2016 (dossierpagina 123);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal souche onderzoek d.d.

5 december 2016 (dossierpagina 244 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

11 december 2016 (dossierpagina 265 e.v.).

3.5.

Bewijsoverweging

Wat betreft het verweer van de raadsvrouw dat de ten laste gelegde periode enige nuancering behoeft, overweegt de rechtbank het volgende. De raadsvrouw heeft betoogd dat er in de maanden mei, juni en juli in totaal 51 keer belcontact is geweest tussen aangeefster en verdachte en dat dit ondersteunend is voor de verklaring van verdachte dat er in deze periode normaal contact was tussen hen. Zij heeft de rechtbank verzocht om de ten laste gelegde periode met 4 maanden in te korten.

De rechtbank deelt niet de conclusie die de raadsvrouw aan genoemde belcontacten verbindt. Uit het dossier blijkt dat er in de periode van mei 2016 tot augustus 2016 weliswaar 51 keer contact is gelegd tussen de verschillende telefoonnummers die verdachte gebruikte en de telefoon van aangeefster, maar er is slechts zes keer daadwerkelijk een verbinding tot stand gekomen, namelijk op 24 mei 2016 (50 seconden), 27 mei (1373 seconden), 28 mei (62 seconden), 30 mei (16 seconden), 6 juni (87 seconden) en 10 juni (5 seconden). De overige 45 keer is er geen gesprek geweest. Daarbij is het steeds verdachte geweest die telefonisch contact opnam met aangeefster, waaruit de rechtbank afleidt dat er sprake was van een eenzijdige wens tot contact. Aangeefster heeft verdachte immers nooit teruggebeld, ook niet toen hij op 16 juli 2016 tussen 13:49 uur en 14:02 uur tien maal probeerde om telefonisch contact te krijgen met haar. Vervolgens wordt om 14:22 uur vanaf de telefoon van verdachte het volgende sms-bericht verstuurd: ‘ [slachtoffer] neem je telefoon op ik moet je spreken dit gaat weer eindigen zoals in januari en ik wil dat niet want heb beloofd dat niet meer te doen en wil het ook echt niet maar ik kan nog wel is extreem doordraaien aub neem op laat het niet zo ver komen doe niet eigenwijs’. De vele eenzijdige – en door aangeefster stelselmatig onbeantwoorde – telefonische oproepen alsmede het aangehaalde sms-bericht vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de noemer ‘normaal contact’. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de ten laste gelegde periode in te korten.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2015 tot 3 december 2016 te Haarlem, en te Amsterdam en te Rotterdam, en/of in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- die [slachtoffer] met grote regelmaat hinderlijk en/of (ook) heimelijk te volgen (op de route van en naar haar werk) en/of te verschijnen in haar directe (woon) omgeving en

- meermalen een GPS-baken onder de auto van die [slachtoffer] te plaatsen en

- meermalen voor die [slachtoffer] belastende nep-accounts aan te maken op social media en - veelvuldig contact met haar te zoeken via social media, bellen en SMS.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

In het door psycholoog [psycholoog] opgestelde rapport d.d. 17 januari 2017 is geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit enigszins verminderd ontoerekeningsvatbaar was. Er was volgens de psycholoog ten tijde van het tenlastegelegde sprake van een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en borderline trekken en er is sprake van een verband tussen diagnose en delict. Vanuit genoemde persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een beperkte zelfregulatie en impulscontroleproblematiek. Verdachte heeft veel moeite gehad om aangeefster los te laten toen zij het contact met hem verbrak, waarna hij zich verdrietig, gekrenkt en somber voelde. Hij probeerde krampachtig aan het contact vast te houden en wilde dat het weer goed zou komen tussen hen waarbij hij de grenzen van de ander onvoldoende accepteerde. Hij heeft moeite om zijn gevoelens en frustraties te kanaliseren. De onrijpe identiteit, de angst om de ander te verliezen, de gebrekkige emotieregulatie mechanismen en impulsregulatie voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis hebben doorgewerkt in de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank neemt de conclusie dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van het bewezen verklaarde feit over en maakt deze tot de hare. Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden geoordeeld dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn ook overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft als bijzondere voorwaarden gesteld een meldplicht en behandelverplichting conform het advies van de reclassering. Daarnaast wil de officier van justitie dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel ex artikel 38v wetboek van Strafrecht met voor de duur van 18 maanden een locatieverbod voor de woning van aangeefster alsmede een middellijk en onmiddellijk contactverbod, met elektronisch toezicht. De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel en telkens twee weken vervangende hechtenis indien hij de maatregel overtreedt, zodat het reclasseringscontact bij overtreding van het locatie- en contactverbod kan blijven voortduren.

Wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] komen volgens de officier van justitie de gevorderde posten voor toewijzing in aanmerking, met uitzondering van de kosten van de reparatie van de auto, omdat deze kosten betrekking hebben op feit 2. Daarnaast dient volgens de officier van justitie de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd waarom volgens haar de ten laste gelegde periode dient te worden ingekort en zij heeft de rechtbank verzocht om hiermee rekening te houden bij het bepalen van de straf. Voorts heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om aan verdachte als bijzondere voorwaarde geen enkelband op te leggen. Verdachte heeft daar erg veel moeite mee en een enkelband kan belemmerend werken voor zijn werk en dagbesteding.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] . Verdachte heeft door onder meer zijn vele telefoontjes en berichten via social media, het opwachten en volgen van [slachtoffer] – al dan niet met behulp van GPS-trackers – en het achterlaten van een brief met een dreigende tekst op haar auto stelselmatig inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Door aldus te handelen heeft verdachte de privacy van aangeefster in ernstige mate geschonden. Verdachte handelde vanuit zijn eigen behoefte om contact met aangeefster te hebben, terwijl zij (en andere mensen) verdachte uitdrukkelijk te kennen had(den) gegeven dat zij dat niet wilde. Verdachte heeft zichzelf voorop gesteld en geen enkele rekening gehouden met de belangen van [slachtoffer] . Uit haar slachtofferverklaring blijkt hoezeer zij angst heeft gekregen voor verdachte en welke impact de belaging had op haar dagelijkse leven. Uit het dossier blijkt dat die belaging weliswaar is geëindigd toen verdachte in voorlopige hechtenis zat, maar dat hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, in weerwil van het hem opgelegde contact- verbod, zich toch weer in de nabijheid van [slachtoffer] heeft begeven. Hij is naar de straat van de vriend van [slachtoffer] in Rotterdam gegaan en spuugt daar op de auto van [slachtoffer] . Uit Facebookberichten van verdachte blijkt dat hij ook weet dat [slachtoffer] op dat moment bij haar vriend is. Deze omstandigheden doen vrezen voor de toekomst en zijn voor de rechtbank aanleiding om aan verdachte na te noemen bijzondere voorwaarden, toezicht, alsmede een locatie- en contactverbod op te leggen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 8 februari 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder terzake van belaging onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 17 januari 2017 (met ongedateerde aanvulling) van drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 28 februari 2017 van

[reclasseringswerkster] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

Het psychologisch rapport d.d. 17 februari 2017 en het ongedateerde antwoord van de psycholoog op een aanvullende vraag van de officier van justitie houden onder meer het volgende in:

Betrokkene is een 26-jarige man die functioneert op een gemiddeld intelligentieniveau. In het Pro Justitia onderzoek dat is uitgevoerd in 2010 werd beschreven dat identiteit van betrokkene nog verder ontwikkeld moest worden en dat hij moeite had met het maken van keuzes. Er werd beschreven dat er sprake was van een verhoogde psychische kwetsbaarheid en labiliteit, dat er een verhoogde neiging tot sensatie zoeken aanwezig was, en dat hij een passieve, enigszins verwende houding had waarbij hij geneigd was snel op te geven. Er werd beschreven dat er een risico op ontremd en op antisociaal gedrag bestond. Er werd gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen werden gezien voor de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis.

Inmiddels is betrokkene zeven jaar ouder. Zijn identiteit doet nog altijd onrijp aan. Hij loopt al sinds zijn adolescentie vast op een aantal levensgebieden zoals opleiding, werk, dagbesteding en relaties wat wijst op een duurzaam patroon. Er is een gebrek aan motivatie om zaken op te bouwen en hij is geneigd snel op te geven. Hij beschikt over weinig effectieve coping. De psycholoog ziet voldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis waarbij hij niet specifiek voldoet aan de kenmerken van één persoonlijkheidsstoornis, maar aan een mengbeeld van paranoïde en borderline persoonlijkheidskenmerken.

Betrokkene beschikt over een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur van waaruit hij snel achterdochtig kan worden en het gevoel kan hebben dat anderen het op hem gemunt hebben. Hierdoor is hij vaak extra alert op zijn omgeving en neemt hij voorzorgsmaatregelen om gevaar te voorkomen. Deze kwetsbaarheid lijkt hij echter te overdekken middels sensatiezoekend gedrag waarbij hij impulsief gedrag kan vertonen. Hij heeft moeite om anderen te vertrouwen en bespeurt kritiek op zijn reputatie waarop hij snel met woede of een tegenaanval reageert. Betrokkene kropt zijn emoties veelal op waardoor deze blijven bestaan en oplopen. De emotieregulatie en impulscontrole zijn beperkt. Bij oplopende spanningen is hij geneigd om prikkelbaar te reageren en kwaadheid te laten blijken. Zijn stemming kan snel wisselen, soms op de dag, soms per week waarbij hij prikkelbaar, verdrietig of somber kan zijn. In relaties lijkt hij zijn best te doen om deze krampachtig in stand te houden waarbij hij bang is de ander te verliezen waarbij hij zich claimend lijkt op te kunnen stellen en de ander moeilijk los te kunnen laten, ook na het verbreken van relaties. Het zelfbeeld is instabiel en hij weet niet goed wie hij is en wat hij wil in het leven en voelt zich veelal leeg. De gewetensfunctie vertoont lacunes waarbij hij de neiging heeft de schuld bij de ander te leggen en zijn eigen aandeel als beperkt te zien.

De kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten wordt op basis van de gestructureerde risico taxatie door de psycholoog ingeschat als hoog. Wanneer betrokkene opnieuw een liefdesrelatie krijgt, of wanneer hij verliefd wordt, is de kans groot dat er opnieuw gevoelens van angst om verlaten te worden, jaloezie en krenkbaarheid op treden. Om de kans op recidive te verlagen is het belangrijk dat betrokkene een behandeling volgt die zich richt op het versterken van zijn zelfbeeld, het leren reguleren van zijn emoties (waaronder gevoelens van jaloezie, krenkbaarheid en verlatingsangst binnen een relatie), het vergroten van de copingsvaardigheden en het versterken van de impulscontrole. Daarnaast is het van belang dat hij een structurele dagbesteding en een toekomstperspectief heeft. Voor bovenstaande problematiek is een ambulante behandeling binnen een forensische polikliniek geïndiceerd. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, adviseert de psycholoog om de ambulante behandeling zoals hierboven beschreven, op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Een verplicht reclasseringscontact werkt ondersteunend structurerend en controlerend. Dit verplichte reclasseringscontact zou eveneens als bijzondere voorwaarde van een (deels) voorwaardelijke straf opgenomen. Gezien de hardnekkigheid van de problematiek, kan er bij aanvang voor een intensieve ambulante behandeling gekozen worden qua frequentie.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 28 februari 2017. Volgens de reclassering kan er gesproken worden van een (beginnend) delictpatroon in belaging/bedreiging en een patroon ten aanzien van langdurig grensoverschrijdend gedrag richting (ex)partner(s). Voorts signaleert de reclassering dat verdachte een duidelijke eigen denktrant/denkbeelden bezit waaraan hij zich vast houdt. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, een contactverbod en eventueel een locatiegebod.

Gelet op deze rapportages zal de rechtbank, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan soortgelijke feiten en gelet op het feit dat een behandeling wenselijk wordt geacht, de op te leggen gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van drie jaar, onder oplegging van een meldplicht en een behandelverplichting.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Wetboek van strafrecht opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel behelst een contact- en gebiedsverbod ten aanzien van [slachtoffer] . Het gebiedsverbod betreft (de onmiddellijke omgeving van) de [adres 2] . Daarnaast mag verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] . Met deze verboden beoogt de rechtbank dat aangeefster rust in haar leven krijgt en dat de kans op recidive door verdachte wordt verminderd. Beide verboden gelden voor de duur van achttien maanden. Voor iedere keer dat verdachte één van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van de hierna bepaalde duur worden opgelegd. De rechtbank kiest er in onderhavige zaak niet voor dergelijke verboden op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde, zoals door de reclassering geadviseerd, omdat de rechtbank het van belang acht dat een eventuele overtreding van het contact- en locatieverbod niet meteen de meldplicht en behandelverplichting doorkruist.

De rechtbank zal bevelen dat de maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster. De oplegging van een maatregel op grond van artikel 38v Sr is in onderhavige zaak een passende maatregel. De rechtbank acht het elektronisch toezicht niet opportuun.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte door zijn houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. De rechtbank heeft onder ro 3.5. reeds overwogen waarom zij van oordeel is dat er geen aanleiding is om de ten laste gelegde periode in te korten en de rechtbank zal hiermee dan ook geen rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. Wel is de rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond is gelegen enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

6.4.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank is gebleken dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft overtreden de voorwaarden dat hij middellijk nog onmiddellijk contact mocht opnemen met [slachtoffer] en dat hij zich niet mocht bevinden binnen een straal van 500 meter van [slachtoffer] . Gelet op de verregaande en volhardende wijze waarop verdachte [slachtoffer] heeft belaagd en de omstandigheid dat rechterlijke verboden hem hier tijdens de schorsing niet van hebben kunnen weerhouden, is de rechtbank van oordeel dat, ter voorkoming van strafbare feiten, de maatregel dat verdachte voor de duur van achttien maanden zich niet zal ophouden in of in de onmiddellijke omgeving van de [adres 2] , dient te worden opgelegd. De rechtbank zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ter voorkoming van strafbare feiten is de rechtbank voorts van oordeel dat de maatregel dat verdachte voor de duur van achttien maanden op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] dient te worden opgelegd. De rechtbank zal bevelen dat ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.416,91 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit:

- kosten awareknop: € 700,00

- kosten therapie: € 546,06

- kosten reparatie auto: € 145,20

- reis- /telefoniekosten: € 100,00

- kosten strafzaak hof: € 75,00

- kosten studievertraging: € 850,65

De gestelde immateriële schade bedraagt € 7.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 846,06 (bestaande uit kosten awareknop € 200,00 + kosten therapie € 546,06 + reis- /telefoniekosten € 100,00) rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 bewezen verklaarde feit.

Beoordeling van de post ‘studievertraging’ vormt naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces, omdat thans niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, er sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en de opgelopen studievertraging, reden waarom de rechtbank de benadeelde partij in deze post niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ook de kosten van de reparatie van de auto komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing in aanmerking, nu deze kosten betrekking hebben op feit 2 en verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken. De kosten voor hoger beroep komen naar het oordeel van de rechtbank evenmin voor toewijzing in aanmerking, nu dit nog niet gemaakte kosten betreft, hetzelfde geldt voor de € 500,00 met betrekking tot de awareknop. Het gaat hier om toekomstige kosten die thans niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank komt voorts vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,00 billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte zal voorts worden veroordeeld tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten. Ter terechtzitting zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken waarom er afgeweken zou moeten worden van het liquidatietarief in civiele kantonzaken. Bij de berekening – op grond van genoemd liquidatietarief – heeft de rechtbank gelet op de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vordering (1 punt) en het bijwonen van de terechtzitting (1 punt). De toegewezen hoofdsom ligt in casu tussen de € 3.750 en € 5.000,00, zodat tarief VI geldt (een tarief van € 200,00 per punt). Niet is gebleken dat er voorts nog kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. In totaal komt daarmee in aanmerking een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 400,00. De rechtbank zal dat bedrag toekennen en het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: belaging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met uitzondering van de proceskosten ad € 400,--.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 8 juni 2016 in de zaak met parketnummer 15/081379-15 heeft de politierechter te Noord-Holland, zittingslocatie Haarlem, verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 29 juni 2016 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 juni 2016 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 38v, 38w, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder feit 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (zegge: tien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 (zegge: zeven) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd drie jaar bij de reclassering zal melden op het adres Zijlweg 148c te Haarlem, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen bij (Forensische) psychiatrie De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Maatregel Gebiedsverbod

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 18 (zegge: achttien) maanden zich niet zal ophouden in of in de onmiddellijke omgeving van de [adres 2] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (zegge: veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Dadelijke uitvoerbaarheid van de volgende maatregel: gebiedsverbod

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Maatregel Contactverbod

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 18 (zegge: achttien) maanden op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (zegge: veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Dadelijke uitvoerbaarheid van de volgende maatregel: contactverbod

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 4.846,06 bestaande uit € 846,06 voor de materiële en
€ 4.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 400,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.846,06, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 58 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/081379-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde geldboete ten bedrage van € 250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 8 juni 2016.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,

mrs. P.H. Lauryssen en E.I. Terborg-Wijnaldum, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2017.