Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1166

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 23
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. De boete wegens niet (tijdig) betalen is vernietigd omdat eiser niet middels een rekening in kennis is gesteld van de uiterste datum waarop de mrb had moeten zijn voldaan.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0524
V-N Vandaag 2017/421

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/23

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2017 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Centrale administratie, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 202, alsmede bij beschikking een boete van € 158.

Verweerder heeft, voor zover thans van belang, bij uitspraak op bezwaar de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016 te Haarlem.

Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 22 september 2016 aan eiser op het adres [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Omdat genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 24 september 2016 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Gelet hierop heeft de zitting doorgang kunnen vinden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden J.E. van de Peppel en A.J. Meenink.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is volgens de kentekenregistratie met ingang van 6 maart 2015 houder van een [..] met kenteken [#] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is 24 april 2002.

2. Met dagtekening 4 juni 2015 heeft verweerder aan eiser over het tijdvak

5 maart 2015 tot en met 23 april 2015 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 108 omdat de motorrijtuigenbelasting over dat tijdvak niet tijdig is betaald.

3. Verweerder heeft met dagtekening 9 oktober 2015, wegens het uitblijven van de betaling, de onder het procesverloop genoemde naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.

Geschil
4.In geschil is of de boetebeschikking terecht is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

5. Voor zover eiser in zijn beroepschrift de rechtbank verzoekt om verweerder te verplichten de onterechte naheffing van € 108 van 4 juni 2015 terug te betalen, wijst de rechtbank op artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Die bepaling houdt in dat, behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen, slechts beroep kan worden ingesteld nadat daaraan voorafgaand bezwaar is gemaakt. Niet blijkt dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. De rechtbank zal het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb doorzenden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

6. Voor zover het beroep zich richt tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 overweegt de rechtbank als volgt.

7. Op grond van artikel 37 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb) in verbinding met artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

8. Paragraaf 33 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB), onderdeel 1, tweede alinea luidt:

“Om aan de houder kenbaar te maken dat, hoeveel en voor welk tijdvak belasting voor het motorrijtuig verschuldigd is, zendt de inspecteur aan de houder een rekening met daarop het verschuldigde belastingbedrag. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste betaaldatum, waarop het bedrag moet zijn betaald. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Indien het verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de betaaldatum is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.”

9. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij stelt dat de boetebeschikking moet worden vernietigd, omdat hij geen rekening motorrijtuigenbelasting heeft ontvangen voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 en daardoor niet in de gelegenheid is gesteld om de motorrijtuigenbelasting tijdig te betalen en een boete te voorkomen.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de motorrijtuigenbelasting volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet mrb dient te zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. Eiser is zelf verantwoordelijk voor tijdige betaling. Het verzenden van een rekening is niet gebaseerd op een wettelijke verplichting en moet worden beschouwd als een service. Ook als geen rekening wordt ontvangen, dient de belasting tijdig te worden voldaan. Nu sprake is van een tweede of volgend verzuim om de motorrijtuigenbelasting tijdig te betalen is de boete terecht opgelegd.

11. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de artikelen 14 en 15 van de Wet mrb de houder van het motorrijtuig de belasting op aangifte moet voldoen en dat de belasting moet zijn betaald voor de aanvang van het tijdvak waarover moet worden betaald. Als de belasting niet tijdig is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20, eerst lid, van de AWR een naheffingsaanslag opleggen. De wet vereist niet dat de belastingplichtige eerst middels een rekening in de gelegenheid moet worden gesteld de motorrijtuigenbelasting te betalen alvorens tot naheffing kan worden overgegaan.

12. Ingevolge de hiervoor onder 8 geciteerde tekst van paragraaf 33, onderdeel 1, tweede alinea, van het BBBB is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR als de voor het tijdvak verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet vóór de op de rekening vermelde uiterste betaaldatum is voldaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan hiervoor ten aanzien van de naheffingsaanslag is overwogen, de belastingplichtige wel middels een rekening of anderszins in kennis moet worden gesteld van de uiterste datum waarop de motorrijtuigenbelasting moet zijn voldaan alvorens hem na het verstrijken van die datum een verzuimboete wegens niet tijdig betalen van de op aangifte verschuldigde motorrijtuigenbelasting kan worden opgelegd.

13. Eiser stelt dat hij de rekening motorijtuigenbelasting over het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 niet heeft ontvangen en dus niet op de hoogte was van de daarin vermelde uiterste betaaldatum. Het is in beginsel aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de rekening op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de rekening op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416).

14. Bij de stukken bevindt zich een systeemuitdraai van een op naam van eiser gestelde rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 met dagtekening 27 juli 2015 en met een uiterste betaaldatum van 26 augustus 2015. Aangezien verweerder geen bewijs van verzending van de rekening heeft geleverd, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de rekening op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden.

15. Omdat niet aannemelijk is dat de rekening met daarin de uiterste betaaldatum voor de motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden en gesteld noch gebleken is dat eiser anderszins tijdig van de uiterste betaaldatum op de hoogte was, kan de aan hem opgelegde boete niet in stand blijven.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 gegrond te worden verklaard. Bij deze uitkomst behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen bespreking, aangezien hij daardoor niet in een fiscaal gunstigere positie kan komen te verkeren dan thans het geval is.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van 4 juni 2015;

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking van 9 oktober 2015;

- vernietigt de boetebeschikking van 9 oktober 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt de griffier op het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, tweede lid, Awb door te zenden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van 4 juni 2015;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, rechter, in aanwezigheid van

E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.