Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11595

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
15/710325-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

openlijke geweldpleging tegen personen; bewezenverklaring; schending redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710325-15 (P)

Uitspraakdatum: 31 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.H.A. Schlingemann en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Primair:

hij in de nacht van 16 maart 2013 op 17 maart 2013 te La Meije, in de republiek Frankrijk met een ander of anderen, op of aan dp. openbare weg, de “Village 1800" Mant de Lans 38, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in de winkelgalerijen in voornoemde straat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het slaan en/of het stompen en/of het schoppen en/of het trappen op/tegen/ het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] .

Subsidiair:

hij in de nacht van 16 maart 2013 op 17 maart 2013 te La Meije, in de republiek Frankrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders die [slachtoffer] een of meermalen op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een of meerdere breuken in het aangezichts-deel van zijn schedel, namelijk een breuk van het type Le fort I, breuk van eenzijdige type le Fort III aan de rechterkant en een eenzijdige breuk van het type Le Fort II links en/of een breuk onder de oogkas met een botstukje in contact met de rechterspier, evenals een breuk van het rechter hoofdslagaderkanaal) heeft opgelopen.

Meer subsidiair:

hij in de nacht van 16 maart 2013 op 17 maart 2013 te La Mije, in de republiek Frankrijk, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ) een of meerma(a)l(en) op/tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een of meerdere breuken in het aangezichts-deel van zijn schedel, namelijk een breuk van het type Le fort I, breuk van eenzijdige type le Fort III aan de rechterkant en een eenzijdige breuk van het type Le Fort II links en/of een breuk onder de oogkas met een botstukje in contact met de rechterspier, evenals een breuk van het rechter hoofdslagaderkanaal), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte stelt zich op het standpunt dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit zou blijken dat verdachte betrokken is geweest bij het geweld dat is gepleegd tegen het slachtoffer. De verklaringen van het slachtoffer zijn dermate inconsistent dat deze niet betrouwbaar zijn en dus niet kunnen worden gebruikt als bewijs.

Als gevolg hiervan zal verdachte vrijgesproken moeten worden van hetgeen hem wordt ten laste gelegd.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 16 mei 2017, losse bijlage, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

p. 2

Ik zag dat er iemand op de grond lag, maar die lag deels achter een muur. Ik kon dus niet zien hoe diegene op de grond terecht was gekomen. Ik zag dat [verdachte] aan kwam lopen.

(…) in mijn beleving gaf [verdachte] die jongen die op de grond lag toen een trap tegen zijn bovenbeen. Dat is een inschatting, ik kon dat niet letterlijk zien. Het zag er naar uit dat de schop tegen de zijkant van zijn bovenbeen was.

(…) U vraagt mij naar andere personen die bij dit incident betrokken zijn geweest, waar ik bij de politie in Frankrijk over heb gesproken. Er was inderdaad een aantal mensen betrokken bij dit delict.

(…) Het was daar verlicht. Die man lag al op de grond toen [verdachte] kwam aanlopen. Ik kon de schop niet precies zien. Ik zag [verdachte] een beweging maken richting die jongen. Ik heb niet echt gezien dat hij hem ook echt geraakt heeft.

Een geschrift, bevattende het verhoor getuige [getuige] d.d. 22 maart 2013, dossierpagina 26 – 28, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

p. 26

(…) Ik ben op het muurtje precies voor de “So-food” pizzeria gaan zitten. Ongeveer 10 minuten of een kwartier later. Ik heb lawaai gehoord en er kwamen mensen uit de O’Brians. Toen ik echt keek, lag [slachtoffer] op de grond, ik zag alleen zijn voeten. In feite wist ik toen niet dat het [slachtoffer] was omdat ik hem niet kende. Ik kon hem trouwens niet herkennen want ik zag niet alleen zijn gezicht maar ik kende hem ook niet. Pas daarna heb ik erover horen praten.

Ze bevonden zich in het gangetje rechts van de O’Brian. Ik denk dat ze met zijn vieren of vijven om hem heen stonden.

Vraag: Wie maakten deel uit van die groep?

Antwoord: Ik heb alleen maar [verdachte] herkend. Hij was geïrriteerd, hij schreeuwde. Hij zei “je moest niet zo macho zijn!!!”

p. 27

Vraag : Als hij niets gedaan heeft, waarom komt hij dan niet hier om uitleg te geven i.p.v. te vluchten?

Antwoord : In feite maakte hij een agressieve beweging naar [slachtoffer] , ik heb hem een schop zien geven in zijn dijbeen.

Vraag : Wat hebt u toen tegen elkaar gezegd met [verdachte] ?

Antwoord : Ik heb geprobeerd er wat meer van te weten door hem te vragen waarom hij dat gedaan had. Ik heb hem gezegd dat het slecht was iemand te schoppen die op de grond ligt. [verdachte] heeft erkend dat het stom was, dat hij normaal zoiets niet doet en dat hij zoiets nooit doet.

p. 28

[verdachte] heeft [slachtoffer] geschopt, dat heb ik gezien, maar ik kan niet zeggen op welk lichaamsdeel.

Een geschrift bevattende een aangifte d.d. 19 maart 2013, dossierpagina 7 – 8, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

p. 7

V: Op het ogenblik van uw agressie, heeft u toen kunnen zien of er één of meerdere personen waren?

A: Ik denk dat er drie personen waren, want ik kreeg een eerste klap achter mijn hoofd en vervolgens tegelijkertijd twee schoppen aan beide zijden van mijn hoofd. Ik ben bij de eerste klap op de grond gevallen op mijn knieën en ik bloedde erg aan mijn neus. Toen ik op wilde staan, kreeg ik twee schoppen tegen mijn gezicht.

3.4.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte in vereniging met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer [slachtoffer] .

Ter zitting verklaart verdachte dat hij pas na het geweld ter plaatse is gekomen en de betreffende schop niets meer was dan een por om te kijken of het slachtoffer nog bij kennis was. Getuige [getuige] verklaart echter meerdere malen dat een aantal personen betrokken was bij het delict en dat hij heeft gezien dat verdachte een schop uitdeelde aan het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat het geven van een schop een geheel andere uiterlijke verschijningsvorm heeft dan het geven van een por met de voet, en acht daarom niet aannemelijk dat [getuige] een por voor een schop heeft aangezien. Voorts heeft getuige [getuige] verklaard dat hij later aan de verdachte heeft gevraagd waarom hij die trap heeft gegeven. De verdachte heeft hierop volgens de getuige geantwoord “dat het stom was en dat hij zoiets normaal niet doet”.

De raadsvouw heeft betoogd dat, als al komt vast te staan dat de verdachte geweld heeft gebruikt, de verdachte niet het opzet heeft gehad op het tezamen en in vereniging plegen van het gebruikte geweld. De rechtbank verwerpt dit verweer. De strafbaarstelling van art. 141 Sr is mede toepasselijk op openlijk geweld dat bestaat uit “een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen, soms moeilijk doorzichtige, dynamiek”. (zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat naast de verdachte andere personen geweld hebben gepleegd jegens het slachtoffer en dat de verdachte op dat moment met die personen een groep vormde. Daaraan doet niet af dat de verdachte die anderen, naar hij verklaart, niet kende en hij zich mogelijk spontaan in het geweld heeft gemengd. Door het slachtoffer een schop te geven heeft de verdachte bovendien een bijdrage van voldoende gewicht geleverd om te kunnen spreken van nauwe en bewuste samenwerking.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de nacht van 16 maart 2013 op 17 maart 2013 te La Meije, in de republiek Frankrijk met anderen, op of aan de openbare weg, de “Village 1800" Mant de Lans 38, en op een voor het publiek toegankelijke plaats , te weten in de winkelgalerijen in voornoemde straat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het slaan en/of het trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Het openlijk tezamen en in vereniging met anderen geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 uren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte verzoekt, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bij het bepalen van een strafmaat rekening te houden met de oudheid van het feit en met de blanco justitiële documentatie van verdachte.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 17 maart 2013 samen met anderen onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] . Het handelen van verdachte en zijn mededaders hebben pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit ernstig aangetast.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf onder meer rekening met de oriëntatiepunten van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten. Zo wordt bij openlijke geweldpleging als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uur genoemd.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank verder in aanmerking dat bewezen is dat de verdachte eenmaal heeft geschopt tegen het lichaam van het slachtoffer en hij daarmee niet de grootste bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer schoppen en klappen in het gelaat en tegen het hoofd heeft gegeven, waardoor het slachtoffer buitengewoon ernstig letsel heeft opgelopen.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw stelt de rechtbank ten slotte vast dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn die de verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen straf dientengevolge aanzienlijk dient te worden gematigd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c, 22d, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.5 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWINTIG [20] UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door tien [10] dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. de Greeve, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. K.I. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2017.