Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11573

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
262622 HA RK 17/148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/262622 HA RK 17/148

Beslissing van 8 september 2017

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster] ,

gevestigd te Weesp,

(gemachtigden: [gemachtigden] )

hierna te noemen: verzoekster.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. E.B. de Vries – van den Heuvel

hierna te noemen: de rechter.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 28 juli 2017 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie bestuursrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaak met zaaknummer 17/3196, hierna te noemen: de hoofdzaak. Verzoekster heeft op 30 juli 2017 dit verzoek nader aangevuld.

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Verzoekster heeft op de reactie van de rechter gereageerd.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 29 augustus 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. De rechter, de derde-partijen en verweerder in de hoofdzaak zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Verzoekster heeft ter zitting schriftelijk haar reactie gegeven op het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting in de hoofdzaak (het proces-verbaal). Voor het lezen van de reactie van verzoekster heeft de rechtbank kort geschorst.

Overwegingen

1.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoekster is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

1.2.

Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die de betreffende beslissing heeft gegeven. Dat kan anders liggen indien die procesbeslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

2.1.

Verzoekster betoogt dat zij bij en na het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juli 2017 meermaals om een ordemaatregel heeft verzocht, maar dat de rechter daar geen gehoor aan heeft gegeven. Pas op de zitting van 27 juli 2017 is aangegeven dat geen ordemaatregel is getroffen, omdat de rechter daarvoor nog een en ander diende te beoordelen. Verzoekster is van oordeel dat de rechter onnodig lang heeft gewacht met die beoordeling. Als gevolg hiervan is onomkeerbare schade aan een beschermde diersoort veroorzaakt. Vanaf het begin van de procedure beschikte de rechter al over de informatie om die beoordeling te kunnen geven. Het voorgaande is voor verzoekster een zwaarwegende aanwijzing dat de rechter niet onpartijdig en vooringenomen is, althans levert voor haar een diepgaande vrees voor vooringenomenheid op.

2.2.

De rechtbank gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter aangeeft dat voor het treffen van een ordemaatregel sprake moet zijn van een ontvankelijk bezwaarschrift en dat in geschil is of het bezwaarschrift ontvankelijk is. Eveneens blijkt uit het proces-verbaal dat de rechter aangeeft dat zij in de uitspraak daarover een beslissing zal nemen. De rechter zal die uitspraak binnen een paar dagen doen.

2.3.

Het nemen van enige tijd om te komen tot en het daarna geven van de voor verzoekster nadelige procesbeslissing getuigt op zich niet van partijdigheid. Ook uit de procesbeslissing zelf blijkt in dit geval niet van enige vooringenomenheid van de rechter, nu deze is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. Deze grond kan daarom niet leiden tot inwilliging van het verzoek.

3.1.

Verzoekster betoogt verder dat de derde-partij in de hoofdzaak na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn wel nadere stukken heeft mogen indienen en verzoekster niet. De ter zitting overgelegde fotorapportage van verzoekster is nagenoeg in zijn geheel geweigerd.

Als reactie op de doorgestuurde stukken van de derde-partij heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de griffie van de rechtbank. Een medewerkster van de griffie heeft aangegeven dat verzoekster ook ter zitting nadere stukken kon indienen. Ter zitting is de fotorapportage, alsmede een video opname die zij ter zitting wilde tonen, geweigerd en heeft de rechter geoordeeld dat zij de gelegenheid krijgt slechts zes foto’s over te leggen. Door deze beslissing is door de rechter niet op een behoorlijke wijze aan waarheidsvinding gedaan. Dit duidt op willekeur van de rechter. Het had op de weg van de rechter gelegen dat zij de belangen van verzoekster zou beschermen en de stukken van de derde-partij ook zou weigeren. Dit heeft zij niet gedaan. Het recht op hoor en wederhoor is daarom door de rechter geschonden en verzoekster wordt op onredelijke wijze in haar procesvoering bemoeilijkt. Deze beslissing van de rechter is dermate onbegrijpelijk dat dit voor verzoekster een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter niet onpartijdig en vooringenomen is, althans bestaat er een vrees voor een dergelijke vooringenomenheid.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter heeft gemotiveerd dat de door de derde-partijen ingebrachte stukken als tijdig binnengekomen worden beschouwd. Deze beslissing is niet onbegrijpelijk omdat die stukken op 25 juli 2017, binnen de termijn zoals neergelegd in artikel 8:83 Awb, namelijk uiterlijk één dag voor de zitting, zijn ingediend.

Over het overleggen van de fotorapportage door verzoekster heeft de rechter eveneens een gemotiveerde beslissing genomen. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen het eerst ter zitting overleggen van de fotorapportage. De rechter heeft zich, blijkens het proces-verbaal, vervolgens laten leiden door de goede procesorde. Het overleggen van de rapportage van 49 pagina’s met op iedere pagina twee foto’s wordt door de rechter in strijd met de goede procesorde geacht nu deze te laat is ingediend en omvangrijk is. Uit het proces-verbaal blijkt dat vervolgens het overleggen van vier á vijf foto’s door de rechter is toegestaan en dat de zitting is geschorst teneinde verzoekster uiteindelijk zes foto’s te laten uitzoeken om die alsnog in de procedure te brengen. De beslissing is naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk, zodat hierin geen grond voor wraking is gelegen.

3.3.

Verzoekster heeft in haar wrakingsgrond ook videobeelden betrokken, die wel al deel uitmaakten van het procesdossier. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter ter zitting slechts enkele van die videobeelden heeft willen bekijken, omdat zij de videobeelden bij de voorbereiding al heeft bekeken, de standpunten van partijen over de bewijswaarde van die beelden uiteen lopen, dat het bekijken van twee specifieke beelden dat niet anders heeft gemaakt en dat het bekijken van meer beelden ter zitting daar naar het oordeel van de rechter geen verandering in brengt. Deze procesbeslissing is naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en levert daarom geen grond op voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

3.4.

De rechter heeft geen procesbeslissing genomen ten aanzien van videobeelden die geen onderdeel uitmaken van het procesdossier. Voor zover de wrakingsgrond hierop ziet berust deze op een onjuiste feitelijke grondslag. Deze grond kan daarom evenmin leiden tot inwilliging van het verzoek.

3.5.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de gestelde uitlatingen door de griffie van de rechtbank geen wrakingsgrond opleveren nu het aan de rechter is om te beslissen of de ter zitting meegenomen foto’s of stukken worden toegelaten.

4. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.


Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

- beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. M.J. Smit en mr. A.C. Terwiel-Kuneman, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Bakker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.