Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11556

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
6015073 \ CV EXPL 17-3025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

medehuurderschap toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 6015073 \ CV EXPL 17-3025

Uitspraakdatum: 11 januari 2018

Vonnis in de zaak van:

1 [eisers 1]

allen wonende te [woonplaats]

eisers, verder te noemen: [eisers 2]

gemachtigde: mr. N.P. Tinholt (ARAG)

tegen

de stichting Stichting Wooncompagnie

gevestigd te Hoorn

gedaagde, verder te noemen: Wooncompagnie

gemachtigde: mr. F. van Geuns

1 Het procesverloop

1.1.

[eisers 2] heeft bij dagvaarding van 22 mei 2017 een vordering tegen Wooncompagnie ingesteld. Wooncompagnie heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 16 november 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[vader] en [moeder], nader ook te noemen de ouders, huren sinds 1 december 1985, respectievelijk 29 februari 2012, van de rechtsvoorganger van Wooncompagnie de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

[vader] (thans 74 jaar), nader ook te noemen de vader, en zijn echtgenote [moeder] (thans 67 jaar oud), de moeder, hebben zeven volwassen kinderen. Twee zonen waaronder eiser sub 3, [zoon] , 47 jaar oud, nader te noemen [zoon], wonen sinds 1 december 1985 eveneens in de woning.

2.3.

Op 27 juli 1996 is [zoon] getrouwd met [echtgenote], die met instemming van Wooncompagnie ook in de woning is gaan wonen.

2.4.

[zoon] staat sedert 23 februari 2005 ingeschreven als woningzoekende bij Woningnet, welke in 2015 is gewijzigd in Woonmatch.

2.5.

Bij brief van 12 december 2016 heeft de vader aan Wooncompagnie het volgende verzoek ingediend: ‘Met deze brief wil ik vragen of u mijn zoon [zoon] als mede huurder kan opnemen in het huurcontract. Ik vraag dit omdat ik zelf aardig op leeftijd ben (73) en ziek mijn vrouw [moeder] heeft diabetes type 2. Wij hebben samen vanwege onze ziekte gewoon erg veel hulp nodig. Onze schoondochter en zoon hebben de zorg over ons, vooral mijn vrouw heeft veel hulp nodig met haar ziekte. Wij zijn niet van plan om dit huis te verlaten, maar als mijn zoon mede huurder wordt zal dat voor mij en mijn vrouw veel gemakkelijker zijn vanwege de hulp die we hebben van onze kinderen op deze leeftijd.’

2.6.

Bij brief van 30 december 2016 heeft Wooncompagnie de ouders verwezen naar het bezoek van de buurtconsulent en hen onder meer bericht: [buurtconsulent] heeft u laten weten dat wij niet aan uw verzoek kunnen voldoen omdat huurovereenkomsten niet van ouders op kinderen over gaan. Uw zoon staat sinds 2005 als woningzoekende geregistreerd en maakt hiermee kans op het vinden van een eigen woning bij u in de buurt.’

2.7.

Bij brief van 22 februari 2017 heeft de gemachtigde van [eisers 2] aan Wooncompagnie verzocht haar besluit in heroverweging te nemen op de grond dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zonder aflopend karakter.

2.8.

Bij brief van 7 maart 2017 heeft Wooncompagnie aan de gemachtigde van [eisers 2] bericht dat het verzoek niet wordt ingewilligd en voorts onder meer meegedeeld: ‘Wij zien het steeds vaker gebeuren dat kinderen volwassen worden in hun ouderlijk huis en hier dan blijven wonen (…) Het medehuurderschap is niet bedoeld om huurderschap binnen families overdraagbaar te maken. Wooncompagnie verleent alleen in uitzonderlijke gevallen medehuurderschap aan een inwonend kind. Het betreft dan veelal gevallen waarin het betreffende kind een eigen woning heeft opgegeven om vervolgens bij de ouder in te trekken en zo'n hoge mate van zorg te verlenen dat de ouder zonder deze inwoning niet meer in staat zou zijn om zelfstandig te wonen. Van deze situatie is in het geval van uw cliënten geen sprake. Er is dus wat ons betreft geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke samenwoning als bedoeld in de wet. Op grond van vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 12 maart 1982, NJ 1982/352) is bij samenleven van ouder en kind sprake van een aflopende samenlevingssituatie en niet van een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van die bijzondere omstandigheden is geen sprake in het geval van uw cliënten. De enkele door uw cliënten uitgesproken wens om samen in het huis te blijven wonen is daarvoor echt niet voldoende.

3 De vordering

3.1.

[eisers 2] vorderen op grond van artikel 7:267 Burgerlijk Wetboek (BW) dat de kantonrechter zal bepalen om [zoon] medehuurder van de woning te laten worden.

3.2.

[eisers 2] leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat geen van de in artikel 7:267 lid 3 genoemde afwijzingsgronden aan toewijzing van hun vordering in de weg staat. [zoon] heeft sinds 1985, dus langer dan twee jaar in de woning zijn hoofdverblijf gehad en heeft met zijn ouders een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Na hun huwelijk in 1996 hebben [zoon] en zijn echtgenote er bewust voor gekozen bij zijn ouders te blijven wonen. Voor de ouders was dit vanzelfsprekend. Sindsdien wonen zij als één familie met elkaar samen. Iedereen draagt naar vermogen bij aan de kosten van de huishouding. De ouders betalen de huur en [zoon] betaalt de kosten van gas, elektriciteit en water. De boodschappen worden betaald door degene die boodschappen doet, meestal zijn dat [zoon] en zijn echtgenote, maar in voorkomend geval de ouders. De woning beschikt over drie slaapkamers, één voor de ouders, één voor [zoon] en zijn echtgenote en één voor zoon [minderjarige] Er is één badkamer, één keuken en één woonkamer. De echtgenote van [zoon] doet het meeste in het huishouden en geeft persoonlijke zorg aan de ouders. Door gezondheidsproblemen zijn de ouders niet in staat om zelf de huishoudelijke taken te verrichten. [zoon] gaat voor zover mogelijk dagelijks meerdere malen met zijn vader naar de moskee. Verder worden vakanties samen doorgebracht en verjaardagen gezamenlijk gevierd en bezocht. De vordering heeft niet slechts de strekking om [zoon] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. Men hoopt nog lang met elkaar samen te wonen. Voorts biedt [zoon] met een vast arbeidscontract vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg voor een behoorlijke nakoming van de huur.

4 Het verweer

4.1.

Wooncompagnie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Wooncompagnie betwist -kort samengevat- dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat de vordering hierop reeds strandt. Dat het altijd de bedoeling van eisers is geweest dat [zoon] bij zijn ouders zou blijven wonen is -mede gelet op zijn inschrijving bij Woningnet- niet aannemelijk. Van de vereiste bijzondere omstandigheden is evenmin sprake. De situatie van eisers is verre van uniek. Immers, vanwege de krapte op de woningmarkt blijven kinderen steeds langer bij hun ouders wonen. Dit geldt te meer in de hechte Marokkaanse gemeenschap. Vanwege het verdwijnen van bejaardentehuizen zal het waarschijnlijk steeds gebruikelijker worden dat kinderen bij hun ouders blijven wonen of weer bij hen intrekken. Het toekennen van medehuurderschap staat haaks op de bedoeling van de wetgever om de vorming van familiedynastieën in sociale huurwoningen te voorkomen. Wooncompagnie betwist voorts de wederkerigheid in de onderlinge relatie van eisers. Het betreft hier de relatie van vooral de echtgenote van [zoon] richting de ouders van [zoon] en betreft eenrichtingsverkeer. Daarbij speelt [zoon] slechts een ondergeschikte rol. De activiteiten van zijn echtgenote zijn van geen of minder belang bij de beoordeling van de vordering. De gestelde gezamenlijke activiteiten, zoals vakanties en bezoeken, zijn niet onderbouwd. Dit geldt ook ten aanzien van de gestelde onderlinge financiële verwevenheid. Voorts heeft onderhavige vordering tot medehuurderschap kennelijk de strekking [zoon] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de thans 48-jarige inwonende zoon [zoon] de positie van medehuurder krijgt van de woning. Volgens artikel 7:267 lid 3 BW kan een dergelijke vordering slechts worden afgewezen a. indien -in dit geval- [zoon] niet gedurende tenminste twee jaren in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, b. indien de vordering kennelijk tot strekking heeft [zoon] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en c. indien [zoon] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Als die voorwaarden niet zijn vervuld krijgt de samenwoner de positie van medehuurder, ongeacht de belangen van de verhuurder.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [zoon] gedurende meer dan twee jaren zijn hoofdverblijf in de woning heeft, zodat deze weigeringsgrond zich niet voordoet. Evenmin is in discussie dat [zoon] voldoende inkomen heeft voor een behoorlijke nakoming van de huur.

5.3.

Het eerste geschilpunt betreft de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wooncompagnie heeft betwist dat daarvan sprake is nu [zoon] altijd als kind in de woning is blijven wonen, zodat de samenwoning in beginsel niet duurzaam is en bijzondere omstandigheden ontbreken.

5.4.

Volgens vaste jurisprudentie zijn voor de bepaling van de door artikel 7:267 BW vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien van belang. Daarbij geldt dat slechts in geval van bijzondere omstandigheden een samenleven van kind en ouders na het zelfstandig worden van het kind aangemerkt kan worden als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, nu gebruikelijk is dat kinderen uitvliegen en doorgaans sprake is van een aflopende samenlevingssituatie.

5.5.

Van een gemeenschappelijke huishouding zal meestal sprake zijn als de woonkosten en/of kosten van levensonderhoud worden gedeeld, huishoudelijke taken worden uitgevoerd, gezamenlijke huisinrichting of gebruiksvoorwerpen worden aangeschaft, samen wordt gegeten, vrije tijd samen wordt doorgebracht en/of de ander wordt verzorgd. Ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding geldt een verzwaarde stelplicht in die zin dat voldoende concrete feiten en omstandigheden over de gestelde gemeenschappelijke huishouding dienen te worden aangevoerd.

5.6.

Tussen partijen staat vast dat [zoon] en zijn ouders meer dan dertig jaar onafgebroken met elkaar in de woning wonen en daar hun hoofdverblijf hebben. De betreffende woning bevat, zoals Wooncompagnie bekend is, slechts één toilet, één badkamer, één woonkamer, één keuken en drie slaapkamers. Onvoldoende weersproken is dat [zoon], zijn echtgenote en zijn ouders samen hun maaltijden gebruiken. De kantonrechter zal daarvan uitgaan, nu het in deze woning onder één dak voeren van gescheiden huishoudingen praktisch bijna niet mogelijk is. Aannemelijk is voorts dat [zoon] zijn vader regelmatig naar de moskee vergezelt, zoals door eisers gesteld. Gelet op de overgelegde medische gegevens van de ouders ligt voorts voor de hand dat zij persoonlijke verzorging en hulp in de huishouding behoeven. Bij schrijven van 13 december 2016 heeft de huisarts laten weten dat de vader hulpbehoevend is geworden en dat [zoon] en zijn echtgenote beide ouders verzorgen door onder andere voor hen te koken. Dat de hulp wordt verleend door de vrouw van [zoon] en in mindere mate door [zoon] ligt gezien zijn werk voor de hand. Overigens is gesteld noch gebleken dat de ouders hulp van buitenaf ontvangen. Overgelegd zijn doktersrecepten voor een suspensie voor injectie in een voorgevulde pen voor de moeder van [zoon] in verband met diabetes. Onvoldoende weersproken is dat de echtgenote van [zoon] deze injecties bij de moeder toedient. Dit geldt ook voor het doen van de bij het huishouden behorende boodschappen en ziekenhuisbezoeken. Dat [zoon] en zijn vrouw hoofdzakelijk de boodschappen doen en betalen ligt in de rede, gelet op het feit dat de ouders leven van een uitkering en [zoon] inkomen heeft en met zijn echtgenote hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Daarbij worden de kosten van de huur door vader betaald, zoals Wooncompagnie bekend is, en de nutsvoorziening(en) door [zoon]. Ter zitting is een bankafschrift van [zoon] ten aanzien van afschrijvingen ter zake getoond. Wederkerigheid in het kader van een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan ook bestaan in een situatie als de onderhavige waarbij eisers ieder belang hebben bij de samenleving van hen (over en weer) op zijn eigen wijze een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding. Dat deze bijdrage op een vergelijkbare hoogte zou moeten staan, laat staan een evenwichtigheid zou moeten behelzen, is een eis die de wet niet stelt en overigens ook niet strookt met de veelvormigheid waarmee in ons land relaties en gemeenschappelijke huishoudingen vorm wordt gegeven. (vgl. ECLI:NL:GHARL:2017:1891). Voorts hebben eisers foto’s overgelegd waarin zij samen te zien zijn in het buitenland. Hoewel daaruit niet blijkt hoe vaak en waar eisers hun vakantie gezamenlijk doorbrengen, acht de kantonrechter dit van ondergeschikt belang in samenhang met de overige omstandigheden. Dat zij samen de vakantie doorbrengen in Marokko, zoals gesteld, acht de kantonrechter overigens niet onaannemelijk en wordt ook door Wooncompagnie onderschreven nu zij aanvoert dat vader en moeder daarbij met het vliegtuig reizen en [zoon] en zijn echtgenote met de auto. Een en ander kan niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Dit geldt ook voor het feit dat de vader vaak in de zomer een paar maanden in Marokko verblijft. Het betoog van Wooncompagnie dat niet blijkt van de door eisers gestelde gemeenschappelijke huishouding is -tegenover de door eisers gestelde concrete feiten- onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze gemeenschappelijke huishouding duurzaam is, welke vraag een verwachting voor de toekomst inhoudt. De duurzaamheid kan worden afgeleid uit objectieve factoren zoals de tijd dat de gemeenschappelijke huishouding bestaat en subjectieve, zoals de bedoeling van de huurder en de samenwoner. [zoon] woont reeds meer dan dertig jaar bij zijn ouders. Gelet op de lange duur van de samenleving ligt uitvliegen van [zoon] in redelijkheid niet meer in de verwachting. Dat [zoon] zich in 2005 bij Woningnet heeft ingeschreven en tijdens een huisbezoek op 28 december 2016 nog heeft aangegeven op zoek te zijn naar een andere woning doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Immers, gelet op de onzekere afloop van een procedure tot medehuurderschap, valt het te verdedigen dat [zoon] zich als woningzoekende heeft ingeschreven voor het geval hij de ouderlijke woning op enig moment moet verlaten. Wooncompagnie wijst er op dat [zoon] op 24 januari 2017 heeft gereageerd op een woning in Volendam. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [zoon] ter zitting daarvoor een plausibele verklaring gegeven. De reden hiervoor was dat [zoon] een woning kreeg aangeboden, omdat hij bovenaan de lijst stond. Volgens de door Wooncompagnie overgelegde uitdraai van Woonmatch heeft [zoon] die woning geweigerd vanwege ‘Persoonlijke omstandigheden ouders ziek’. Dat [zoon] de inschrijving vanwege de onzekere uitkomst van dit geding en om hem moverende redenen onveranderd in stand laat, acht de kantonrechter niet onbegrijpelijk. Door de ouders is ter zitting herhaald dat zij niet voornemens zijn de komende jaren naar andere huisvesting om te kijken. Gelet op hun leeftijd ligt een vertrek op korte termijn ook niet in de rede. Hiermee is ook in subjectieve zin sprake van gerichtheid op een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Hun medische situatie is ook niet zodanig slecht dat de kans op een vroegtijdig overlijden bestaat. Dat de ouders tijdens het huisbezoek op 28 december 2016 zouden hebben aangegeven dat zij wensen dat [zoon] na hun dood in de woning kan blijven wonen doet aan de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding niet af. Het verweer van Wooncompagnie dat de vordering kennelijk slechts de strekking heeft [zoon] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen treft dan ook geen doel. Dit geldt te meer nu Wooncompagnie zelf reeds aangeeft dat verzoeken van kinderen in bepaalde gevallen wel degelijk worden gehonoreerd. Dit geldt voor die gevallen waarin een kind een eigen woning heeft opgegeven om vervolgens weer bij de ouder in te trekken en zo'n hoge mate van zorg te verlenen dat de ouder zonder deze inwoning niet meer in staat zou zijn om zelfstandig te wonen. Dat onderhavig geval anders dient te worden beoordeeld, vindt naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geen rechtvaardiging.

5.8.

Wooncompagnie heeft nog bewijs aangeboden door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van [buurtconsulent] die kan verklaren over hetgeen eisers tijdens het huisbezoek op 28 december 2016 tegen haar hebben gezegd. Volgens de brief van Wooncompagnie van 30 december 2016 heeft [buurtconsulent] eisers tijdens het huisbezoek op 28 december 2016 laten weten dat Wooncompagnie niet aan eisers’ verzoek kon voldoen, omdat huurovereenkomsten niet van ouders op kinderen overgaan. In dat kader zou [zoon] hebben aangegeven dat hij op zoek was naar een andere woning en dat de ouders wensten dat [zoon] na hun dood in de woning kon blijven. De kantonrechter gaat aan dit bewijsaanbod voorbij als te vaag, respectievelijk niet ter zake dienend op de grond deze feiten reeds hierboven onder 5.7 zijn meegewogen.

5.9.

De kantonrechter is op grond van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de ouders en [zoon]. Nu van geen van de in artikel 7:267 BW genoemde afwijzingsgronden sprake is, zal de vordering van eisers worden toegewezen. Dat honorering van de vordering mogelijk de deur openzet naar het toekennen van medehuurderschap in talrijke vergelijkbare gevallen en haaks staat haaks op de bedoeling van de wetgever om de vorming van familiedynastieën in sociale huurwoningen te voorkomen, zoals door Wooncompagnie gesteld, doet daaraan niet af. Het is aan de wetgever om daarvoor een oplossing te vinden. Uit het vorenstaande volgt dat de kantonrechter de vordering zal toewijzen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van Wooncompagnie, omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt Wooncompagnie ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door eisers worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat [zoon] , geboren op 30 mei 1969, medehuurder wordt van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis;

6.2.

veroordeelt Wooncompagnie tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eisers 2] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 108,81

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 400,00, en veroordeelt Wooncompagnie tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eisers 2] worden gemaakt.

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter