Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11418

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/15/266056 / KG ZA 17-853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voldoende aannemelijk dat motoren in de praktijk aan hogere belastingen kunnen worden blootgesteld dan waarvoor zij zijn ontworpen en dat de uitgangspunten voor het ontwerp in strijd zijn met regelgeving. Geslaagd beroep op opschorting door leverancier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/266056 / KG ZA 17-853

Vonnis in kort geding van 7 december 2017

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

HANDICARE GROUP AB,

gevestigd te Kista (Zweden),

2. de besloten vennootschap

HANDICARE STAIRLIFTS B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseressen,

advocaat mr. P.W. Snoeker te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap

ERIKS B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. R.L.S.M. Pessers te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Handicare worden genoemd gedaagde zal hierna Eriks genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 november 2017;

  • -

    de producties 1 tot en met 38 van de zijde van Handicare;

  • -

    de conclusie van antwoord met 8 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 23 november 2017, na afloop waarvan de zaak pro forma is aangehouden voor overleg tussen partijen;

  • -

    de pleitnota van Handicare;

  • -

    de pleitnota van Eriks;

  • -

    de brief van mr. Snoeker van 30 november 2017, waarin hij meedeelt dat geen schikking tussen partijen is bereikt en namens Handicare vraagt om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

Handicare Stairlifts fabriceert trapliften en verkoopt deze wereldwijd. Zij neemt sinds ruim achttien jaar stoelmotoren ten behoeve van de trapliften af van Eriks. Sinds 2 oktober 2015 koopt Handicare van Eriks de motor versie rev. J, uitgerust met een gearbox van het merk SBS. Handicare heeft 8.064 motoren versie rev. J van Eriks gekocht.

2.2.

Op 22 september 2016 is een incident van een defecte motor versie rev. J gemeld. Naar aanleiding van dit incident, resulterend in lichamelijk letsel van de gebruiker van de traplift, heeft Handicare begin oktober 2016 een recall in gang gezet en zij neemt sindsdien de motor versie rev. K van Eriks af. Vervolgens is op 11 november 2016 een tweede incident van een defecte motor versie rev. J gemeld. Nadien hebben zich nog vier incidenten van een defecte motor versie rev. J voorgedaan.

2.3.

In december 2016 heeft Handicare Eriks bij brief aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden en zal lijden als gevolg van de afzonderlijke defecten aan de motoren versie rev. J die door Eriks sinds 2 oktober 2015 aan Handicare zijn geleverd. Verder heeft Handicare in die brief vastgelegd dat Eriks verplicht is om onverwijld voldoende hoeveelheden te leveren van een volgende versie van de motor die niet lijdt aan enig gebrek of omissie, zonder dat Eriks hiervoor Handicare met kosten daarvoor belast.

Bij brief van 8 mei 2017 heeft de advocaat van Handicare bericht Eriks aansprakelijk te houden voor de op dat moment door haar begrote schade van € 3.227.850,00.

2.4.

Bij brief van 16 mei 2017 schort Eriks haar levering (en daarmee ook de bestelling bij SBS) van aandrijvingen voor toepassing in nieuwe stoelliften tijdelijk op. Zij blijft nog wel haar medewerking verlenen aan het inzetten van revisie K en L ter vervanging van revisie J. Op 24 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen en Eriks bevolen om over te gaan tot hervatting, respectievelijk voortzetting van integrale en tijdige levering aan Handicare van de tot op dat moment overeengekomen hoeveelheden stoelmotoren, niet zijnde Rev. J.

2.5.

Tussen (de technici van) partijen heeft op 3 juli 2017 een technisch overleg plaatsgevonden, waarbij zij werden vergezeld door hun adviseurs. Deze bespreking heeft niet geleid tot een oplossing van het gerezen geschil tussen partijen.

2.6.

Bij e-mail van 25 september 2017 schrijft Eriks aan Handicare dat zij niet bereid is tot levering van de bestaande aandrijving(en) SBS revisie J/K/L of Saia omdat zij oprechte twijfels heeft over de veiligheid van het ontwerp en de toepassing van de bestaande aandrijving door Handicare, zodat een nieuwe bestelling van Handicare niet zal worden aangenomen of uitgevoerd.

3 Het geschil

3.1.

Handicare vordert samengevat - Eriks te bevelen:

  1. tot levering aan Handicare Stairlifts uit hoofde van de orders NL10PO-2009401 voor 5000 stuks Saia rev. H en NL10PO-2009404 voor 5000 stuks SBS Rev. L en voorts

  2. om met onmiddellijke ingang, doch uiterlijk binnen 24 uur na betekening van dat bevel, tot levering aan Handicare Stairlifts over te gaan van 416 stuks uit hoofde van de orders NL10PO2007394 en NL10PO2007397 en voorts tot nakoming van de leverdata als in NL10PO2007394 en NL10PO2007397 vastgelegd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder verwijzing van Eriks in de kosten van dit geding.

3.2.

Eriks voert verweer. Eriks is haar verplichtingen uit het eerste kort geding vonnis nagekomen en dus moet vordering 1. worden afgewezen.

Eriks betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang ten aanzien van vordering 2. Voorts stelt zij - samengevat - dat de belastingen die worden uitgeoefend op de door haar geleverde elektromotor in de praktijk hoger zijn dan waarvoor deze zijn ontworpen op basis van de ontwerpspecificaties van Handicare. Daarmee is de veiligheid van de trapliften in het geding en is opschorting van haar verplichtingen gerechtvaardigd, aldus Eriks.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Dit kort geding is een tweede kort geding tussen dezelfde partijen binnen een periode van een half jaar. Opnieuw is één van eiseressen een rechtspersoon naar vreemd recht. Daarom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend nu Eriks de vestigingsplaats in Nederland heeft.

Eriks heeft de bevoegdheid van de voorzieningenrechter uitdrukkelijk aanvaard, ondanks haar standpunt dat de zaak volgens de tussen partijen geldende overeenkomst eigenlijk bij het Nederlands Arbitrage Instituut zou moeten worden aangebracht.

Levering 416 stuks uit hoofde van de orders NL10PO2007394 en NL10PO2007397

4.2.

Zoals Eriks terecht stelt heeft de voorzieningenrechter Eriks in het vonnis van

24 mei 2017 uitsluitend veroordeeld tot (hervatting van de) tijdige levering van de tot en met dat moment overeengekomen hoeveelheden Chair Leveling Motor P/N C1000201

(niet zijnde versie rev. J) uit hoofde van de genoemde orders.

Handicare stelt dat Eriks achterloopt met haar leveringen, wat Eriks gemotiveerd heeft betwist. Eriks verwijst daartoe naar haar offertes waarin een levertijd staat vermeld van 18 weken na ontvangst van de opdracht voor wat betreft de Saia motoren en van 21 weken na ontvangst van de opdracht voor wat betreft de SBS motoren. De vertraging in de levering is veroorzaakt doordat Handicare de offertes van Eriks pas drie weken na de afgifte daarvan heeft aanvaard.

Eriks had ten tijde van de dagvaarding weliswaar minder SBS-motoren geleverd dan geoffreerd, maar daar staat tegenover dat zij meer Saia motoren geleverd. Ter zitting heeft zij toegelicht dat dit op verzoek van de heer [werknemer] van Handicare is gebeurd.

Nu Handicare deze gang van zaken niet heeft weersproken, dient vordering 1 te worden afgewezen.

Spoedeisend belang

4.3.

Eriks betwist het spoedeisend belang van Handicare bij dit onderdeel van de vordering. Nu Eriks geen uitvoering wenst te geven aan nieuwe opdrachten, stelt Handicare dat zij gelet op de levertijd van Eriks van 16 weken in januari 2018 moet weten waar zij aan toe is.

Daarnaast heeft Handicare negen maanden nodig om te kunnen overstappen naar een andere leverancier en zal zij genoodzaakt zijn om maatregelen te treffen indien Eriks volhardt in haar weigering om aan Handicare te leveren. In dit verband heeft Eriks ter zitting verklaard dat het Handicare vrijstaat om rechtstreeks zaken te doen met Dunker en dat zij bereid is om op dit punt een schriftelijke verklaring af te geven.

Gelet op deze omstandigheden is het spoedeisend belang bij de vordering van Handicare gegeven.

Levering 5000 stuks uit hoofde van de orders NL10PO-2009401 en NL10PO-2009404

4.4.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 24 mei 2017 overwogen dat de door Eriks geuite twijfel ten aanzien van de veiligheid van de motoren onvoldoende was onderbouwd en er daarom geen grond bestond om de levering van de motoren op te schorten. Er lag weliswaar een kritisch rapport van ing. [deskundige], maar zijn kritiek werd door Handicare gemotiveerd betwist en bovendien was [deskundige] in dienst van Eriks. Ook in dit kort geding is de vraag of Eriks een beroep toekomt op opschorting van haar deel van de overeenkomst met Handicare.

4.5.

Eriks neemt het standpunt in dat de belastingen die optreden ten aanzien van de vlakstellingsmotoren die Eriks levert, hoger zijn dan de specificaties die Handicare heeft opgegeven en waarvoor de vlakstellingsmotoren zijn ontwikkeld. Teneinde dit standpunt kracht bij te zetten wenste Eriks een externe partij in te schakelen om een en ander te onderzoeken. Eriks stelt dat Handicare dit heeft geweigerd. Toen het gesprek tussen partijen op 3 juli 2017 evenmin een bevredigend antwoord voor Eriks opleverde, heeft zij besloten om extern advies in te winnen bij ir. [deskundige2] van bureau Mecid BV. [deskundige2] heeft zijn bevindingen beschreven in een rapport van 16 oktober 2017 (productie 31 aan de zijde van Handicare).

4.6.

[deskundige2] concludeert - zakelijk weergegeven - dat het standpunt van Eriks juist is.

4.6.1.

[deskundige2] (en dus ook Eriks) kon uit het constructiedossier van Handicare opmaken dat Handicare bij het opstellen van de specificaties voor de vlakstellingsmotoren geen rekening heeft gehouden met alle statische en dynamische krachten die optreden bij het gebruik van de desbetreffende stoelliften. Daardoor is Handicare in haar opgave uitgegaan van te lage belastingen van de traplift. De mogelijke hogere belastingen in werkelijkheid leiden tot een verhoogde slijtage van het vlakstellingssysteem en de onderdelen daarvan. Daarnaast volgt uit de documentatie van Handicare dat de bij haar testen genoemde belastingen niet overeenkomen met de belastingen zoals genoemd in het programma van eisen van Handicare. De gehanteerde testspecificaties zijn daarom te laag.

4.6.2.

[deskundige2] beschrijft voorts dat de ontwerpuitgangspunten van Handicare niet voldoen aan de toepasselijke regelgeving. Daarbij heeft de deskundige verwezen naar de normen 5.1.7.1 (“voorzienbaar verkeerd gebruik”), 5.4.1.3 (gewicht) en 5.6.2.6 (verhindering “doorkantelen”) van norm EN 81-40 uit 2008. Ook heeft hij verwezen naar de normen, zoals die in de Verenigde Staten van toepassing zijn (waar de trapliften ook worden geleverd), waarmee het ontwerp ook in strijd zou zijn.

4.7.

Eriks heeft Handicare het rapport van [deskundige2] ter beschikking gesteld. Eriks heeft Handicare uitgenodigd voor een gesprek over de inhoud ervan. Ook Liftinstituut is door Eriks uitgenodigd om te reageren. Handicare is daar niet op ingegaan.

4.7.1.

De advocaat van Handicare heeft Liftinstituut gevraagd om te reageren op de rapportage. Bij e-mailbericht van 1 november 2017 heeft Liftinstituut als volgt gereageerd:
“Liftinstituut constateert dat het EG-typeonderzoek (2002 t/m 2017) dieper/verder gaat dan vraagstellingen, redeneringen en antwoorden in Mecid’s rapport. Op basis van dit rapport en door Liftinstituut uitgevoerd onderzoek, ziet Liftinstituut geen aanleiding om haar verklaringen (…) van 22 mei 2017 (…) en 20 september 2017 (…) aan te passen.”

Hierin ziet de voorzieningenrechter geen gemotiveerde betwisting van de door de deskundige getrokken conclusies.

4.7.2.

Ook is in de dagvaarding in kort geding gereageerd op het rapport. Handicare heeft daarin opmerkingen gemaakt over de vraagstelling aan en de opdrachtgever van de deskundige. Ook heeft zij opmerkingen gemaakt over het niet vooraf gevoerde overleg met Handicare en heeft zij een aantal onderdelen in het rapport “onjuist en vilein” genoemd. Handicare is op deze wijze echter ook niet inhoudelijk ingegaan op de hiervoor onder 4.6.1 en 4.6.2 vermelde oordelen van de deskundige.

4.7.3.

Handicare heeft ten slotte nog gesteld dat het rapport niet is opgesteld zoals van een onafhankelijk met hoor en wederhoor opererende deskundige mag worden verwacht. Handicare gaat er daarbij echter aan voorbij dat deze externe deskundige slechts is ingeschakeld door Eriks om haar argumenten in deze procedure kracht bij te zetten.

4.8.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de vlakstellingsmotoren van Eriks in de praktijk aan hogere belastingen kunnen worden blootgesteld dan waarvoor zij zijn ontworpen en dat de uitgangspunten voor het ontwerp van Handicare in strijd zijn met toepasselijke geldende regelgeving. Het beroep op opschorting van de verplichtingen door Eriks is daarom terecht, zodat de vordering van Handicare zal worden afgewezen. Dit oordeel wordt mede ingegeven, gezien tegen de achtergrond dat Handicare Eriks wel aansprakelijk houdt voor de schade die zij stelt te lijden en nog zal lijden als gevolg van ondeugdelijke motoren van Eriks.

4.9.

Handicare zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, welke aan de zijde van Eriks worden begroot op € 618,- aan griffierecht en op € 816,- aan salaris van de advocaat.

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de gevorderde voorziening af;

5.2.

veroordeelt Handicare in de kosten van dit geding, welke aan de zijde van Eriks worden begroot op € 618,- aan griffierecht en op € 816,- aan salaris van de advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

veroordeelt Handicare in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan

salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Handicare niet binnen 14 dagen

na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak

heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Kliffen op 7 december 2017.1

1 LK/LS