Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1141

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
C/15/231780 / FA RK 15-5394
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderen willen graag contact met hun vader. Zaak wordt aangehouden in verband met inzet hulpverlening bij totstandkoming zorgregeling. Hulpverlening is niet van de grond gekomen. Tijdens vervolgzitting worden alsnog afspraken gemaakt over herstel contact. Na de zitting laat man weten af te zien van overeengekomen zorgregeling en trekt verzoek dienaangaande in. Rechtbank acht deze handelswijze onnavolgbaar en in strijd met artikel 1:247 BW, maar kan daar geen gevolg aan verbinden nu er geen verzoek meer voorligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

zaak- en rekestnummers: C/15/231780 / FA RK 15-5394 en C/15/237153/FA RK 15/7998

Beschikking van 15 februari 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.S.C. Thijsse, gevestigd te Den Helder,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S.L. Raphaël, gevestigd te Almere, thans mr. M. Falkena, gevestigd te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 28 augustus 2015;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken van de man, ingekomen op 24 november 2015;

- het formulier verdelen en verrekenen met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 2 februari 2016;

- de brief van 10 juni 2016 met producties van de man, ingekomen op 13 juni 2016;

- het bericht van 14 juni 2016 met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 14 juni 2016.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 juni 2016, alwaar zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Thijsse en de man, bijgestaan door mr. Raphaël.

Blijkens het verkort proces-verbaal van de zitting is de behandeling voor de duur van drie maanden aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om onder begeleiding van [hulpverlener] (dan wel een andere hulpverlener) alsnog tot een gezamenlijk ondertekend ouderschapsplan (inclusief kinderalimentatie) te komen en afspraken te maken over (met elkaar samenhangende) verzoeken betreffende de partneralimentatie, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse schulden, voor zover dit nog in geschil is. Partijen is verzocht om uiterlijk een week vóór 28 september 2016 het ouderschapsplan, een bericht over het verloop van het hulpverleningstraject, en een bericht over de overige eventueel gemaakte afspraken aan de rechtbank te doen toekomen.

Tijdens deze zitting hebben partijen reeds afgesproken:

  • -

    dat uitgangspunt is dat de saldi op alle bankrekeningen die op peildatum 28 augustus 2015, te weten de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot echtscheiding, aanwezig waren per die datum bij helfte worden verdeeld en dat een eventuele debetstand bij helfte worden gedragen (aangezuiverd), waarbij de man heeft opgemerkt dat de bewindvoerder die zijn goederen beheert zijn toestemming zal moeten verlenen alvorens partijen een en ander in gang kunnen zetten. Partijen zullen elkaar over een weer de benodigde inzage verschaffen;

  • -

    dat een datum zal worden gepland waarop de man zijn deel van de inboedel uit de echtelijke woning komt ophalen. Welke spullen dit betreft is bij partijen bekend;

  • -

    de vrouw ter zake van de auto nog aanspraak heeft op € 61,00;

  • -

    dat de man de schuld bij [naam] als zijn eigen schuld zal aflossen en dat daarmee rekening gehouden wordt bij het vaststellen van de kinder- en partneralimentatie. De bewindvoerder heeft er al voor gezorgd dat er niets meer kan worden opgenomen van dit krediet. Partijen zijn zich ervan bewust dat deze afspraak met interne werking niets afdoet aan hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens [naam] .

1.3.

Bij brief van 20 september 2016 heeft de man gemeld dat het traject bij [hulpverlener] niet van start is gegaan, omdat hij niet over een auto beschikt en de reiskosten niet kan dragen. Het opstellen van een ouderschapsplan behoort niet tot de mogelijkheden. Daarom verzoekt hij de echtscheiding uit te spreken zonder ouderschapsplan en om op de overige verzoeken te beslissen, zonder mondelinge behandeling.

1.4.

Bij brief van 22 september 2016 heeft de vrouw laten weten dat zij zich heeft aangemeld bij [hulpverlener] . Zij is in afwachting van de aanmelding door de man. De vrouw kan instemmen met de door de man verzochte zorgregeling. Zij kan de kinderen echter niet brengen of ophalen, aangezien zij geen auto bezit. Daarnaast heeft de vrouw haar verzoeken ten aanzien van de kinder- en partnerbijdrage gewijzigd en haar verzoek aangevuld met een vordering op de man in verband met door haar betaalde huwelijkse schulden.

1.5.

Bij brief van 6 januari 2017 heeft de man nog aanvullende stukken ingediend. Hij heeft de rechtbank voorts laten weten dat hij niet op de zitting zal verschijnen, omdat hij de reiskosten niet kan voldoen.

1.6.

Bij brief van 10 januari 2017 en bericht van 17 januari 2017 heeft de man nog aanvullende stukken ingediend.

1.7.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij is op 23 december 2016 door de kinderrechter gehoord.

1.8.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 17 januari 2017, alwaar zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Thijsse en mr. Falkena namens de man. De man is - met afbericht - niet verschenen.

1.9.

Bij brief van 25 januari 2017 heeft de vrouw laten weten dat de man de ter zitting overeengekomen zorgregeling niet zal nakomen. Volgens de vrouw heeft de advocaat van de man haar bericht dat hij afziet van een zorgregeling.

1.10.

Bij bericht van 30 januari 2017 heeft de man zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling ingetrokken.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij vonnis van 26 april 2016 zijn de goederen van de man onder bewind gesteld. De rechtbank heeft een machtiging van de bewindvoerder ontvangen, waaruit blijkt dat de advocaat van de man bevoegd is deze procedure te voeren.

2.4.

Scheiding

2.4.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4.2.

Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

2.4.3.

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu partijen voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

2.4.4.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.5.

Nu er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is, zullen de verzoeken van partijen om te bepalen dat dit plan onderdeel zal uitmaken van de beschikking, worden afgewezen.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

De man heeft aanvankelijk verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij hij de kinderen om het weekend op vrijdag rond 16.00 uur ophaalt en de vrouw hen op zondagavond/maandagochtend bij hem in [plaats] ophaalt. Daarnaast heeft de man een regeling voor de vakanties en feestdagen verzocht.

2.5.2.

De vrouw kan instemmen met vaststelling van deze regeling.

2.5.3.

Tijdens de zitting van 24 juni 2016 is gebleken dat de man en de kinderen elkaar sinds november 2015 niet meer hadden gezien. Beide partijen hebben hierover hun zorg uitgesproken en toegezegd dat zij onder begeleiding van [hulpverlener] afspraken zullen maken over een spoedig contactherstel. Deze hulpverlening is echter niet van de grond gekomen, met als gevolg dat het contact tussen de man en de kinderen ten tijde van de zitting op 17 januari 2017 nog altijd niet was hersteld, terwijl daartoe de uitdrukkelijke wens van alle betrokkenen bestaat. De man heeft gesteld dat uitsluitend het gebrek aan financiële middelen contactherstel in de weg staat.

[minderjarige] heeft bij de kinderrechter verklaard dat hij niet begrijpt waarom het contact met zijn vader zo plotseling is beëindigd. Hij is benieuwd hoe het met zijn vader gaat en hij weet dat ook zijn zusje haar vader mist. Wat [minderjarige] betreft kan direct gestart worden met de weekendregeling.

Ter zitting van 17 januari 2017 is zijdens beide partijen het belang van spoedig contactherstel onderschreven. Daarom is ter zitting een zorgregeling overeengekomen, die ingaat op 28 januari 2017 en in een periode van een half jaar wordt opgebouwd naar een weekendregeling, waarbij partijen zullen bewerkstelligen dat zij ieder de helft van het brengen en halen van de kinderen voor hun rekening kunnen nemen. Tijdens de schorsing van de zitting heeft er telefonisch contact tussen de man en zijn advocaat plaatsgevonden en heeft hij zich akkoord verklaard met deze regeling.

2.5.4.

Uit de berichten van partijen na de zitting van 17 januari 2017 is gebleken dat de man afziet van de overeengekomen regeling, omdat hij dit in het belang van de kinderen acht. Nu hij zijn verzoek heeft ingetrokken, kan de rechtbank geen beslissing meer geven over een zorgregeling. De rechtbank acht de handelswijze van de man onnavolgbaar. Een nadere toelichting ontbreekt en er zijn geen contra-indicaties voor contact tussen de kinderen en de man gebleken. Voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen is omgang met hun vader essentieel. Op grond van artikel 247, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de man als gezaghebbende ouder bovendien niet alleen het recht, maar ook de plicht om zijn kinderen te verzorgen en op te voeden. Naar het oordeel van de rechtbank handelt de man derhalve in strijd met zijn wettelijke plicht. In de onderhavige procedure kunnen daar echter geen consequenties aan verbonden worden.

2.6.

Huurrecht woning

2.6.1.

De man heeft verzocht om het huurrecht van de woning aan de vrouw toe te kennen.

2.6.2.

De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd.

2.6.3.

De rechtbank zal het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.

2.7.

Onderhoudsbijdragen

2.7.1.

De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 112,00 per kind per maand en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 506,00 bruto per maand vast te stellen, met ingang van de datum van indiening van de verzoeken.

2.7.2.

De man heeft gevraagd de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

2.7.3.

Voor zover in het navolgende bedragen worden genoemd, worden deze afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Kinderbijdrage

2.7.4.

De man heeft zich verweerd tegen de hoogte en de ingangsdatum van de door de vrouw verzochte kinderbijdrage. Niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen in totaal € 565,30 per maand bedraagt.

2.7.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Het bedrag aan draagkracht wordt conform de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.

2.7.6.

De man is werkzaam voor het [bedrijf] . Hij ontvangt in verband met langdurig ziek zijn slechts 70% van zijn bezoldiging. De man heeft de door de vrouw gemaakte berekening van zijn huidige NBI van € 1.926,00 per maand, waarbij is uitgegaan van een fiscaal jaarloon van € 29.086,00, niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

Door de vrouw is erkend dat rekening gehouden moet worden met de aflossing door de man van € 225,00 per maand op de gezamenlijke schuld van partijen bij [naam] en van € 44,00 per maand op een schuld van de man aan de belastingdienst (verband houdende met zijn beschermingsbewind). Conform de richtlijnen zal de rechtbank het draagkrachtloos inkomen van de man dan ook met deze bedragen verhogen.

De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets, nu hij deze niet heeft onderbouwd en dit beroep bovendien eerst ter zitting is gedaan. Het enkele feit dat de man in het kader van zijn beschermingsbewind samen met zijn partner, die ook onder beschermingsbewind staat, leefgeld van € 70,00 per week ontvangt, is onvoldoende om aan te nemen dat er geen ruimte is voor het betalen van een kinderbijdrage. Ter zitting is immers gebleken dat er (nog) geen sprake is van een wettelijk of minnelijk schuldsaneringstraject. Er bevindt zich ook geen berekening van het vrij te laten bedrag door de bewindvoerder bij de stukken. Volgens de advocaat van de man heeft de bewindvoerder aangegeven dat hij de echtscheidingsbeschikking afwacht alvorens een dergelijke berekening te maken, dan wel een aanvraag voor een schuldsaneringstraject te doen. De vrouw heeft voorts aan de orde gesteld dat het door de man overgelegde schuldenoverzicht onjuist lijkt te zijn, omdat de daarop genoemde schulden reeds (grotendeels) door haar zijn betaald. Dus niet valt uit te sluiten dat de man thans aflost op de schulden van zijn huidige partner, voor wie hij niet onderhoudsplichtig is. Deze omstandigheid kan niet voor rekening van de kinderen en de vrouw komen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de draagkracht van de man berekent op 70% x [1.926 – (0,3 x 1.926 + 905 + 225 + 44)] = € 122,00 per maand, te weten € 61,00 per kind per maand.

2.7.7.

De vrouw geniet een gering inkomen uit haar werkzaamheden voor [bedrijf] . Zij ontvangt een aanvullende bijstandsuitkering op basis van de participatiewet, alsook een kindgebonden budget. Dit betekent dat aan haar geen draagkracht kan worden toegerekend.

2.7.8.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen lager ligt dan de behoefte van de kinderen, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Omdat geen sprake is van een zorgregeling, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting aan de zijde van de man. Dit leidt tot de conclusie dat de man gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw te voldoen van € 61,00 per kind per maand. Gelet op de schuldenpositie van de man, zal de rechtbank de ingangsdatum bepalen op de datum van de onderhavige beschikking. De rechtbank zal aldus beslissen.

Partnerbijdrage

2.7.9.

De vrouw heeft haar behoefte aan de hand van de hofnorm (60%-regel) berekend op € 1.253,36 netto per maand. Verminderd met haar eigen inkomen van € 305,00 per maand, bedraagt haar aanvullende behoefte € 948,36 netto en € 1.634,00 bruto per maand, aldus de vrouw.

2.7.10.

De man heeft de behoefte van de vrouw betwist. Hij stelt dat de vrouw een onderbouwd overzicht van haar behoefte in het geding had moeten brengen. Voorts stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw haar werkzaamheden moet kunnen uitbreiden. Ten slotte heeft de man zijn draagkracht betwist. Zijn partner is niet in staat om te werken, zodat hij ook in haar levensonderhoud moet voorzien.

2.7.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is de behoefte van de vrouw, gelet op het verschil in inkomen van partijen tijdens het huwelijk, in ieder geval gelijk aan de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 983,00 netto per maand. Dat haar behoefte hoger ligt dan dit bedrag heeft de vrouw niet onderbouwd, terwijl dat op haar weg lag. De zogenoemde hofnorm kan de rechtbank niet als vuistregel hanteren, nu partijen het over de toepassing daarvan niet eens zijn. Uitgaande van het door de vrouw gestelde eigen inkomen van € 305,00 netto per maand, bedraagt haar aanvullende behoefte aan een bijdrage van de man € 678,00 netto per maand. Anders dan de man acht de rechtbank het, gelet op alle omstandigheden, niet reëel te veronderstellen dat de vrouw haar werkzaamheden zodanig kan uitbreiden dat zij daarmee volledig in haar behoefte kan voorzien.

2.7.12.

Bij de berekening van de draagkracht van de man neemt de rechtbank de door de vrouw in haar berekening gehanteerde uitgangspunten over, voor zover de man deze niet heeft weersproken. Een draagkrachtberekening van de zijde van de man ontbreekt. Dit betekent dat een bezoldiging van € 29.086,00 per jaar in aanmerking genomen wordt, alsmede de op de man van toepassing zijnde algemene heffingskorting en arbeidskorting.

De rechtbank zal, zoals gebruikelijk, rekening houden met de helft van de huurlast van de man en zijn partner van € 333,00 per maand, aangezien de man voor zijn huidige partner niet onderhoudsplichtig is. De helft van de huurtoeslag bedraagt € 58,00 per maand. De rechtbank houdt rekening met een premie zorgverzekering van € 79,00 per maand en een zorgtoeslag van € 35,00 per maand. Daarnaast staat als onweersproken vast dat de man aflost op de schulden bij [naam] en de belastingdienst met respectievelijk € 225,00 en € 44,00 per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met de bijdrage ten behoeve van de kinderen van € 61,00 per kind per maand.

Uitgaande van de gebruikelijke bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60, is de man in staat om een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te voldoen van € 418,00 bruto per maand (zie de aan deze beschikking gehechte berekening). Dit bedrag overstijgt de behoefte van de vrouw niet. Als ingangsdatum zal de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand gelden, omdat de partnerbijdrage niet op een eerder moment kan ingaan. De rechtbank zal aldus beslissen.

2.8.

Goederengemeenschap

2.8.1.

De vrouw heeft verzocht de verdeling te bevelen van de tussen de partijen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen.

2.8.2.

De man heeft verzocht de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen en te bepalen dat:

 de inboedelgoederen bij ieder der partijen in bezit toe te delen aan de betreffende partij zonder nadere verdeling van de waarde;

 ten aanzien van de auto’s te bepalen dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 61,98 welk bedrag verrekend mag worden met de banksaldi c.q. schulden;

 de gezamenlijke betaal- en spaarrekening wordt opgeheven en dat ieder de rekeningen op eigen naam voortzet onder verdeling bij helfte van de saldi;

 ten aanzien van de schulden te bepalen dat ieder der partijen draagplichtig is voor de helft van de schulden.

2.8.3.

Als peildatum voor het bepalen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 28 augustus 2015.

2.8.4.

Uit de stukken in het dossier volgt dat de volgende activa en passiva op de peildatum onderdeel uitmaakten van de gemeenschap:

  1. Auto [auto]

  2. Banksaldi

[bank] bank [nummer] en/of

[bank] bank [nummer] en/of

[bank] bank [nummer] t.n.v. de man

[bank] bank [nummer] t.n.v. de vrouw

Inboedel woning

Diverse schulden

2.8.5.

Tijdens de zitting op 24 juni 2016 hebben partijen reeds afgesproken:

  • -

    dat uitgangspunt is dat de saldi op alle bankrekeningen die op peildatum 28 augustus 2015, te weten de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot echtscheiding, aanwezig waren per die datum bij helfte worden verdeeld en dat een eventuele debetstand bij helfte worden gedragen (aangezuiverd), waarbij de man heeft opgemerkt dat de bewindvoerder die zijn goederen beheert zijn toestemming zal moeten verlenen alvorens partijen een en ander in gang kunnen zetten. Partijen zullen elkaar over een weer de benodigde inzage verschaffen;

  • -

    dat een datum zal worden gepland waarop de man zijn deel van de inboedel uit de echtelijke woning komt ophalen. Welke spullen dit betreft is bij partijen bekend;

  • -

    de vrouw ter zake van de auto nog aanspraak heeft op € 61,00;

  • -

    dat de man de schuld bij [naam] als zijn eigen schuld zal aflossen en dat daarmee rekening gehouden wordt bij het vaststellen van de kinder- en partneralimentatie. De bewindvoerder heeft er al voor gezorgd dat er niets meer kan worden opgenomen van dit krediet. Partijen zijn zich ervan bewust dat deze afspraak met interne werking niets afdoet aan hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens [naam] .

2.8.6.

Blijkens het bericht van 17 januari 2017 heeft de man zijn bewindvoerder verzocht om in verband met de verkoop van de auto € 61,00 aan de vrouw over te maken, aan welk verzoek de bewindvoerder zal voldoen.

2.8.7.

Nu partijen overeenstemming over de (wijze van) verdeling hebben bereikt, is de rechtbank ingevolge artikel 185, Boek 3, BW, niet bevoegd is om daarover te beslissen. De verzoeken daartoe zullen dan ook worden afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen aan hun onderlinge afspraken gebonden zijn.

2.8.8.

De vrouw heeft aanvullend verzocht te bepalen dat de man haar een bedrag van € 1.319,60 dient te voldoen in verband met reeds door haar betaalde aflossingen op huwelijkse schulden.

De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, nu onderliggende stukken ontbreken waaruit blijkt dat de vrouw desbetreffende bedragen heeft voldaan en in hoeverre zij daarmee het voor rekening van de man komende deel heeft betaald. Voorop staat dat partijen de huwelijkse schulden op grond van artikel 100, Boek 1, BW bij helfte dienen te dragen. Uit artikel 10, Boek 6, BW volgt echter dat de vrouw slechts verhaal heeft op de man voor zover zij meer dan de helft van de totale gezamenlijke schuld heeft voldaan. Daarom zouden partijen er goed aan doen om met de bewindvoerder van de man een overzicht te maken van de thans openstaande gezamenlijke schulden en aan de hand daarvan eventuele vorderingen over en weer in kaart te brengen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

3.4.

bepaalt dat de man met ingang van heden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen dient te voldoen van € 61,00 per kind per maand;

3.5.

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw dient te voldoen van € 418,00 bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.6.

verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. van Diepen op 15 februari 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..