Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11385

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
C/15/245109 HA ZA 16-407 en C/15/254444 HA ZA 17-95
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het zonnepark is te beschouwen als een onroerende zaak. Er is getoetst aan de hand van de portacabin-criteria. Het zonnepark is door natrekking eigendom van de verhuurder van grond, de gemeente. Het zonnepark is verkocht door curator. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen. Het wegbreekrecht opgenomen in artikel 7:216 BW komt in dit geval niet alleen aan de (hoofd)huurder toe maar ook aan de onderhuurder. Het wegbreekrecht heeft de natrekking voorkomen en heeft voorkomen dat de gemeente ongerechtvaardigd is verrijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0015
AR 2018/252
RVR 2018/20
RI 2018/32
JOR 2018/113 met annotatie van mr. J.K. Six-Hummel
WR 2018/61 met annotatie van J.K. Six-Hummel
NJF 2018/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

Vonnis van 20 december 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/15/245109 / HA ZA 16-407 van

de coöperatie

COÖPERATIEVE VERENIGING ZONNEGROND 1724 UA,

statutair gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres,

advocaat mr. A.C.J. Hanrath te Alkmaar,

tegen

ANOUK JANINE VAN DER VEEN-JANZ, zowel handelend in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Zonnegrond 1724 B.V. als pro se,

wonende te [woonplaats] en kantoorhoudende te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. E.R. Bakker te Alkmaar,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/15/254444 / HA ZA 17-95 van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LANGEDIJK,

gevestigd te Langedijk en kantoorhoudend te Zuid-Scharwoude,

eiseres,

advocaat mr. H.B. de Regt te Alkmaar,

tegen

A.J. VAN DER VEEN-JANZ, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Zonnegrond B.V.,

wonende te [woonplaats] en kantoorhoudende te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. E.R. Bakker te Alkmaar.

Partijen zullen hierna “de coöperatie”, de “curator” en “de gemeente” genoemd worden. Zonnegrond 1724 B.V. zal hierna “1724 B.V.” worden genoemd. Met de curator wordt zowel de curator pro se als de curator q.q. bedoeld. Waar dit anders is, zal de rechtbank de term “q.q.” of “pro se” achter het woord curator gebruiken.

1 De procedure in de zaak 16-407 (coöperatie- curator)

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding (met producties 1 tot en met 16);

  • -

    de conclusie van antwoord (met producties 1 tot en met 12);

  • -

    het tussenvonnis van 16 november 2016;

  • -

    het B-formulier van mr. Bakker (met productie 13);

  • -

    de brief van mr. Hanrath d.d. 22 september 2017 (met productie 17), en

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie, die gelijktijdig in de zaken 16-407 en 17-95 heeft plaatsgevonden op 27 september 2017 en de tijdens deze comparitie overgelegde zittingsaantekeningen.

1.2.

Bij de dagvaarding van 31 mei 2016 heeft de coöperatie de curator ook gedagvaard in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Zonnegrond B.V. De vorderingen tegen de curator in deze hoedanigheid zijn door de coöperatie op 23 augustus 2016 schriftelijk ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 17-95 (gemeente- curator)

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte bij aanbrenging dagvaarding (met producties E1 tot en met E9);

  • -

    de conclusie van antwoord (met producties 1 tot en met 7);

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2017;

  • -

    het B-formulier van mr. Bakker (met productie 13), en

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie die gelijktijdig in de zaken 16-407 en 17-95 heeft plaatsgevonden op 27 september 2017 en de tijdens deze comparitie overgelegde zittingsaantekeningen.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

In de zaken 16-407 en 17-95

3.1.

Op 6 februari 2013 is de besloten vennootschap Zonnegrond B.V. (hierna: Zonnegrond B.V.) opgericht als holdingmaatschappij om als overkoepelende organisatie op verschillende locaties in Nederland zonneparken te bouwen. De afzonderlijke zonneparken zouden worden ondergebracht in afzonderlijke dochtermaatschappijen, genoemd naar de postcode waarin het zonnepark zich zou bevinden. De eerste dochtermaatschappij was 1724 B.V., opgericht op 15 januari 2014. Er is slechts één dochtermaatschappij opgericht.

3.2.

Doel van Zonnegrond B.V. was om particulieren de gelegenheid te bieden zonnepanelen te kopen in een zonnepark en te profiteren van de opgewekte energie. De particulieren moesten lid worden van een coöperatie om te kunnen profiteren van een subsidieregeling van de belastingdienst, de zogenaamde postcoderoosregeling. Daartoe is op 15 januari 2014 de coöperatie opgericht.

3.3.

De gemeente is eigenaar van percelen grond, met de kadastrale nummers gemeente Langedijk sectie E, nummers 202, 201 en 935, gelegen op het industrieterrein Breekland (hierna: de percelen).

3.4.

Op 17 december 2013 heeft de gemeente met Zonnegrond B.V. een huurovereenkomst gesloten tot verhuur van de percelen met ingang van 1 januari 2014. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 20 jaar (artikel 2.1 van de huurovereenkomst).

3.5.

Op 1 februari 2014 heeft Zonnegrond B.V. met 1724 B.V. een (onder)huurovereenkomst gesloten tot verhuur van de percelen met ingang van

1 januari 2014. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 20,5 jaar (artikel 2.1 huurovereenkomst).

3.6. 1724

B.V. heeft op haar beurt de percelen (onder)verhuurd aan de coöperatie. In deze overeenkomst is – voor zover thans van belang – opgenomen in artikel 2:

Artikel 2 Duur en beëindiging huur

2.1

De overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van 20,5 jaar ingaande op 1 januari 2014 tot en met 1 juli 2034.

(…)

2.4

Na verloop van een huurperiode van 10 jaar is de B.V. gerechtigd de overeenkomst op te zeggen mits:

a. a) de B.V. aan de coöperatie een nieuwe, vergelijkbare en voor het doel van de Coöperatie geschikte locatie ter huur aanbiedt.

b) voor deze nieuwe locatie met de Coöperatie een nieuwe huurovereenkomst onder dezelfde condities tot stand komt.

c) de B.V. aan de Coöperatie een verhuiskostenvergoeding betaalt van € 100.000,- per gehuurde hectare. (…)

d) Deze overeenkomst hangt onlosmakelijk samen met de tussen partijen gesloten service en onderhoudsovereenkomst. (…).

3.7.

Op 1 februari 2014 heeft de coöperatie met 1724 B.V. een service- en onderhoudsovereenkomst gesloten waarbij partijen zijn overeengekomen dat 1724 B.V. de zonnepanelen en bijbehorende installaties die de coöperatie houdt voorziet van regulier onderhoud. In de overeenkomst is opgenomen dat het onderhoudscontract onlosmakelijk samenhangt met de tussen 1724 BV en de coöperatie bestaande huurovereenkomst.

3.8.

De verhuurders en de huurders van de percelen hebben, hoewel daarin in de huurovereenkomsten wel was voorzien, geen recht van opstal gevestigd met betrekking tot het zonnepark.

3.9.

Op 26 maart 2014 is op aanvraag van Zonnegrond B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van zonnecollectoren op de percelen.

3.10.

Op 24 maart 2014 en op 8 mei 2014 heeft 1724 B.V. aan de coöperatie twee facturen gezonden voor een bedrag van respectievelijk € 62.889,75 en € 56.900,25. In de kop boven de facturen staat: “Betreft: Aanschaf eerste fase zonnepanelen”. 1724 B.V. heeft in maart 2014 en mei 2014 de betalingen van de coöperatie ontvangen.

3.11.

Op 4 september 2014 is de coöperatie door de belastingdienst met ingang van 1 augustus 2014 aangewezen voor toepassing van het verlaagd tarief energiebelasting voor de leden van de coöperatie.

3.12.

De werkzaamheden voor de bouw van het zonnepark zijn aangevangen op 27 mei 2014. Op 16 januari 2015 is het eerste deel van het zonnepark, bestaande uit 1.600 zonnepanelen, opgeleverd door SolarNRG. In het opleverdocument van SolarNRG staat Zonnegrond als haar opdrachtgever vermeld. Zonnegrond is de handelsnaam van Zonnegrond B.V. Andere delen van het zonnepark zijn nooit gerealiseerd.

3.13.

Bij vonnissen van 16 juni 2015 zijn Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. in staat van faillissement verklaard. De curator, gedaagde partij in beide onderhavige procedures, is in beide faillissementen als curator benoemd.

3.14.

Op 22 juni 2015 heeft de gemeente een brief aan Zonnegrond B.V. gezonden en daarbij de huurovereenkomst met Zonnegrond B.V. opgezegd tegen 30 september 2015.

3.15.

In een brief gedateerd 30 september 2015 heeft de gemeente aan de curator meegedeeld dat ‘de verwijdering van de faillissementsboedel (opstallen, installaties en zonnepanelen) tot 16 oktober 2015 in orde kan worden gemaakt’. In de maand oktober 2015 is de installatie afgebroken. Het gehuurde is in de eerste week van november 2015 opgeleverd aan de gemeente.

3.16.

In het 4e faillissementsverslag van de curator van 1724 B.V. van 29 maart 2016 (productie 14 bij de dagvaarding) staat onder 1.6. vermeld dat na beëindiging per 30 september 2015 van de huurovereenkomst met de gemeente de curator op haar beurt de huurovereenkomst met de coöperatie heeft opgezegd.

3.17.

Op 23 september 2015 heeft de curator met goedkeuring van de rechter-commissaris in de faillissementen van Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. een overeenkomst tot koop en verkoop van activa gesloten met Nationaal Duurzaamheidsplan B.V. Bij deze overeenkomst heeft de curator het zonnepark van 1724 B.V. met alle toebehoren, installaties, bekabeling en hekwerk verkocht voor een bedrag van € 100.000,-. In de koopovereenkomst is opgenomen dat Nationaal Duurzaamheidsplan B.V. verantwoordelijk is voor het tijdig ontruimen van het gehuurde perceel en dat 30 oktober 2015 de dag is van oplevering aan de gemeente.

3.18.

Op 24 september 2015 heeft de curator aan de coöperatie bericht dat ‘het doek was gevallen’ en dat het zonnepark voor 30 oktober 2015 zou worden ontmanteld. Een doorstart was volgens de curator niet mogelijk gebleken. Vervolgens is een geschil ontstaan tussen de coöperatie en de curator over de vraag aan wie de eigendom toekwam van het zonnepark. In afwachting van de beslechting van dit geschil heeft de curator de verkoopopbrengst van het zonnepark, € 100.000,-, gesepareerd op de boedelrekening van 1724 B.V.

3.19.

De gemeente heeft in het faillissement van Zonnegrond B.V. twee vorderingen ingediend. Een boedelvordering van € 7.663,36 in verband met niet betaalde huurpenningen over de opzegtermijn en de gebruikersvergoeding over de extra maand opzegtermijn. De andere vordering betreft een concurrente vordering van € 61.260,63 in verband met niet betaalde leges en huur over de periode tot datum faillissement.

3.20.

Op 5 oktober 2016 heeft deze rechtbank in de zaak 16-407 vonnis gewezen in een incident. Aanleiding voor dit vonnis was de vordering van de gemeente dat haar zou worden toegestaan om tussen te komen dan wel zich te voegen aan de zijde van de curator in het faillissement van Zonnegrond B.V. in het geding tussen de coöperatie en de curator. De rechtbank heeft de incidentele vordering van de gemeente afgewezen. De reden daarvoor was dat de coöperatie haar vordering tegen de curator in het faillissement van Zonnegrond B.V. had ingetrokken. Door die intrekking kon de gemeente geen nadelige gevolgen meer ondervinden van (de uitkomst in) het geding in de hoofdzaak tussen de coöperatie en de curator in het faillissement van Zonnegrond B.V.

4 Het geschil

in de zaak 16-407 (de coöperatie tegen de curator)

4.1.

De coöperatie vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. voor recht verklaart dat de curator pro se jegens de coöperatie aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen door zonder recht of titel over te gaan tot verkoop van eigendommen van de coöperatie;

II. de curator pro se veroordeelt tot vergoeding van de door de coöperatie als gevolg van voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. de curator pro se veroordeelt aan de coöperatie te betalen een bedrag van

€ 100.000,- als voorschot op de schadevergoeding;

IV. de curator q.q. veroordeelt aan de coöperatie € 3.512,79 te betalen voor de energieopbrengsten in de boedelperiode;

subsidiair

V. voor recht verklaart dat de curator q.q. jegens de coöperatie aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen door zonder recht of titel over te gaan tot verkoop van eigendom(men) van de coöperatie;

VI. de curator q.q. veroordeelt tot vergoeding van de door de coöperatie als gevolg van voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;

VII. de curator q.q. veroordeelt € 100.000,- aan de coöperatie te betalen als schadevergoeding;

VIII. de curator q.q. veroordeelt € 3.512,79 aan de coöperatie te betalen voor de energieopbrengsten in de boedelperiode;

meer subsidiair

IX. voor recht verklaart dat sprake is van een gemeenschap waarbij de coöperatie en de curator q.q. voor gelijke delen deelgenoot zijn;

X. de curator q.q. veroordeelt € 41.625, - (666/1600e deel van € 100.000,-) aan de coöperatie te betalen;

XI. de curator q.q. veroordeelt € 3.512,79 aan de coöperatie te betalen voor de energieopbrengsten in de boedelperiode;

ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair gevorderde

XII. bepaalt dat de toegewezen vorderingen het karakter hebben van een ‘superpreferente’ boedelvordering en dat deze zonder omslag van boedelkosten dienen te worden betaald;

XIII. de curator q.q. en/ of de curator pro se veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.

4.2.

De coöperatie legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat de curator onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zonnepanelen te verkopen die eigendom waren van de coöperatie. De coöperatie stelt eigenaar te zijn van 666 zonnepanelen van de 1600 zonnepanelen inclusief bijbehorende installaties, waarbij de eigendom is overgegaan op het moment van facturatie aan de coöperatie. De coöperatie oefende op dat moment de feitelijke macht uit over de zonnepanelen. Subsidiair stelt de coöperatie dat de zonnepanelen eigendom waren van een gemeenschap tussen de coöperatie en 1724 B.V. en dat de curator de coöperatie actief had moeten betrekken bij de verkoop van het zonnepark. De opbrengst van het zonnepark moet in deze situatie naar rato over de coöperatie en de faillissementsboedel van 1724 B.V. worden verdeeld. De curator is voorts aansprakelijk voor de schade die de coöperatie heeft geleden door het onrechtmatig handelen.

Volgens de coöperatie is het zonnepark te beschouwen als een roerende zaak op grond van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De coöperatie voert daartoe aan dat uit de aard en inrichting van het zonnepark volgt dat het niet de bedoeling was dat het zonnepark duurzaam ter plaatse zou blijven. Het zonnepark was eenvoudig te verplaatsen en was binnen enkele dagen te verwijderen. De tijdelijke aard van het zonnepark volgt ook uit de duur van de huurovereenkomst tussen de gemeente en Zonnegrond B.V. en uit de mogelijkheid in de huurovereenkomst tussen 1724 B.V. en de coöperatie om de huur na 10 jaar op te zeggen. Uit de beschikking van de Belastingdienst, waarbij de postcoderoosregeling van toepassing is verklaard, blijkt volgens de coöperatie expliciet dat ook de belastingdienst van oordeel is dat het zonnepark een roerende zaak is. De coöperatie wijst er voorts op dat partijen geen opstalrecht hebben gevestigd, wat er volgens de coöperatie op duidt dat het de bedoeling was dat het zonnepark tijdelijk ter plaatse zou blijven. Tot slot voert de coöperatie aan dat de curator het zonnepark als roerende zaak heeft vervreemd.

4.3.

De curator voert gemotiveerd verweer. De curator betwist niet dat de coöperatie de koopsom heeft voldaan van 666 zonnepanelen van het zonnepark maar wel dat de coöperatie eigenaar is geworden van deze zonnepanelen. Volgens de curator is het zonnepark te beschouwen als onroerende zaak. De curator betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de coöperatie.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 17-95 (de gemeente tegen de curator)

4.5.

De gemeente vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de door de besloten vennootschap Zonnegrond B.V. gedurende de huurovereenkomst op het gehuurde aangebrachte installaties, houdende zonnepanelen, door natrekking bestanddeel zijn geworden van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Langedijk sectie E, nummers 202, 201 en 935 en voor recht verklaart dat uitsluitend mr. A.J. van der Veen in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Zonnegrond B.V. gerechtigd was het wegbreekrecht als bedoeld in artikel 7:216 BW uit te oefenen;

II. de curator veroordeelt in de kosten van dit geding.

4.6.

De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat zij er belang bij heeft dat de opbrengst van het zonnepark valt in het faillissement van Zonnegrond B.V. omdat zij in dat faillissement vorderingen heeft ingediend. De gemeente stelt dat het zonnepark een onroerende zaak is en dat zij door natrekking eigenaar is geworden van het zonnepark. Daarbij doet het er volgens de gemeente niet toe voor wiens rekening en risico de zonnepanelen zijn gekocht of geïnstalleerd.

De gemeente stelt daarnaast dat zij enkel met Zonnegrond B.V. een huurovereenkomst heeft gesloten, zodat alleen aan de curator in het faillissement van Zonnegrond B.V. het wegbreekrecht toekomt van artikel 7:216 BW. Omdat 1724 B.V. nooit huur heeft betaald aan Zonnegrond B.V. en de gemeente geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van een onderhuurovereenkomst, is er naar mening van de gemeente geen rechtsgeldige onderhuurovereenkomst gesloten tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. De gemeente stelt tot slot dat het zonnepark in opdracht van Zonnegrond B.V. is aangebracht. Dit blijkt onder meer uit het feit dat op naam van Zonnegrond B.V. subsidie is verstrekt en een omgevingsvergunning is verleend. Ook staat het opleverdocument van SolarNRG op naam van Zonnegrond B.V.

4.7.

Het meest verstrekkende verweer van de curator is dat de gemeente geen belang heeft bij haar vordering. Zij voert daartoe enerzijds aan dat indien de verkoopopbrengst in het faillissement van Zonnegrond B.V. zou moeten worden verantwoord, 1724 B.V. een (boedel)vordering op Zonnegrond B.V. zal krijgen in verband met ongerechtvaardigde verrijking van Zonnegrond B.V. In een dergelijke situatie zal de gemeente haar concurrente vordering op Zonnegrond B.V. niet en haar boedelvordering op Zonnegrond B.V. slechts gedeeltelijk uitbetaald krijgen. Anderzijds stelt de curator dat de gemeente haar vordering te vroeg heeft ingesteld aangezien eerst uitgezocht dient te worden of de verkoopopbrengst van de zonnepanelen toekomt aan de curator of aan de coöperatie. Voorts voert de curator aan dat de grondslag van de vordering van de gemeente haar niet duidelijk is.

De curator betwist niet dat het zonnepark als onroerende zaak is aan te merken en door natrekking eigendom is geworden van de gemeente. De curator betwist wel dat het wegbreekrecht van artikel 7:216 BW enkel toekomt aan Zonnegrond B.V. Zij stelt dat 1724 B.V. de installatie heeft doen aanbrengen. Onderhuurders en derhalve 1724 B.V. kunnen naar haar mening gebruik maken van het wegbreekrecht als zij veranderingen aan het gehuurde hebben aangebracht. De opbrengst van de verkoop van de zonnepanelen valt volgens de curator in het faillissement van 1724 B.V. en niet in het faillissement van Zonnegrond B.V., zoals de gemeente stelt.

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In beide zaken

5.1.

In het navolgende zal de rechtbank de zonnepanelen en de daarbij behorende installatie (zoals omvormers, kabels, datakast en transformatorhuis) aanduiden als het zonnepark.

De zaak 16-407 (de coöperatie tegen de curator)

Inleidende opmerkingen

5.2.

De coöperatie heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis gewijzigd aldus dat thans onder VII. van haar dictum wordt gevorderd dat de curator aan haar een bedrag dient te betalen van € 100.000,- als schadevergoeding. In de dagvaarding had de coöperatie dit bedrag aangemerkt als een voorschot op een door de curator te betalen schadevergoeding. Onder III. van haar dictum vordert de coöperatie eveneens dat de curator als voorschot op schadevergoeding een bedrag dient te betalen van € 100.000,-. De rechtbank begrijpt dat ook ten aanzien van deze vordering het woord voorschot komt te vervallen en de vordering wordt gewijzigd overeenkomstig de vordering onder VII.

Roerend/ onroerend

5.3.

Voor de beantwoording van de vraag of de coöperatie eigenaar is geworden van de 666 zonnepanelen dient in deze zaak eerst de vraag te worden beantwoord of het zonnepark als een roerende of onroerende zaak moeten worden beschouwd.

5.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:3 BW zijn onroerend de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Volgens vaste jurisprudentie is van duurzame vereniging met de grond sprake, indien het betreffende bouwwerk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Bij de beantwoording van de vraag of een bouwwerk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Niet van belang is dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwwerk te verplaatsen. (HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478, het zogenaamde Portacabin-arrest).

5.5.

Uit de verklaringen en de stukken die partijen in het geding hebben gebracht, blijkt dat voor het plaatsen van de zonnepanelen gebruik is gemaakt van een metalen frame. Dit frame was bevestigd op betonnen palen die in de grond waren ingegraven. Aan iedere paal was een zogenaamd poertje bevestigd. De palen waaraan het frame bevestigd was, waren via de poertjes eenvoudig uit de grond te halen en te verwijderen. Aan het einde van een rij panelen was een omvormer opgesteld. De door de zonnepanelen opgewekte stroom ging via ondergrondse kabels naar de omvormers. Vanuit de omvormers ging de stroom vervolgens naar een verdeelkast via ondergrondse kabels. De omvormers waren voorts aangesloten op een datakast. De omvormers relatief dichtbij de verdeelkast waren verbonden met een voedingskabel 4G-10 mm, de andere omvormers waren verbonden met een voedingskabel 4G-16 mm. Vanuit de verdeelkasten ging de stroom via een ondergrondse kabel 4G-150 mm naar het transformatorhuis. Vanuit het transformatorhuis werd de stroom aan het net geleverd. Om het terrein stond een hek dat met een sleutel kon worden afgesloten.

5.6.

Gelet op de vormgeving van het zonnepark vormden de zonnepanelen, het frame en de betonnen palen zowel visueel als functioneel een onlosmakelijk geheel met de overige onderdelen van het zonnepark op het terrein zoals de omvormers, de verdeelkast en het transformatorhuis. De rechtbank is daarom van oordeel dat het zonnepark naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, welke bestemming ook naar buiten kenbaar was. Niet is gebleken van bijzonderheden in de aard en inrichting van het zonnepark, waaruit een bedoeling van de coöperatie om deze slechts tijdelijk met de grond te verenigen voor een (willekeurige) derde kenbaar was. De stelling van de coöperatie dat het zonnepark binnen drie dan wel vier dagen is verwijderd, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. De mogelijkheid dat het zonnepark technisch te verwijderen is doet, zoals in het hiervoor genoemde Portacabin-arrest werd beslist, niet terzake. Ook de stellingen van de coöperatie dat de tijdelijke aard van het zonnepark blijkt uit de looptijd van de huurovereenkomsten en de mogelijkheid deze tussentijds te beëindigen maken het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat dit geen aspecten van de aard en de inrichting van het zonnepark zijn die naar buiten kenbaar waren. Dit geldt eveneens voor de stellingen van de coöperatie dat de Belastingdienst het zonnepark als roerende zaak zou hebben gezien in het kader van de postcoderoosregeling, dat de partijen betrokken bij het zonnepark nooit een opstalrecht hebben gevestigd of dat de curator het zonnepark als roerende zaak heeft verkocht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het zonnepark dient te worden aangemerkt als onroerende zaak.

5.7.

Doordat het zonnepark is aan te merken als onroerende zaak is de gemeente, als eigenaar van de grond waarop het zonnepark was geplaatst, door natrekking eigenaar geworden van het zonnepark. De stelling van de coöperatie dat de eigendom van de zonnepanelen op het moment van factureren aan haar is overgedragen, gaat in deze situatie niet op. Aan de vereisten voor overdracht van een onroerende zaak zoals vermeld in de artikelen 3:84 en 3:89 BW is immers niet voldaan. Het subsidiaire standpunt van de coöperatie dat het zonnepark ten tijde van de verkoop door de curator gemeenschappelijk eigendom was van de coöperatie en 1724 B.V. moet om dezelfde reden worden verworpen. De gemeente is op grond van de wet door natrekking eigenaar geworden van het zonnepark en slechts de vestiging van een opstalrecht had die natrekking kunnen voorkomen. Partijen zijn het erover eens dat daarvan geen sprake is. Dit betekent dat het eigendom van het zonnepark nooit bij de coöperatie heeft gelegen, ook niet als mede-eigenaar binnen een gemeenschap.

5.8.

De coöperatie heeft aan haar vorderingen I tot en met III, V tot en met VII, IX en X ten grondslag gelegd dat de curator onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door roerende zaken in (mede)eigendom van de coöperatie te verkopen. Uit wat de rechtbank eerder heeft overwogen, blijkt dat er geen sprake is van verkoop van zaken die (mede) aan de coöperatie toebehoorden. Van onrechtmatig handelen door de curator is dan ook geen sprake. De rechtbank zal deze vorderingen van de coöperatie – die uitgaan van het tegendeel – dan ook afwijzen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van de coöperatie dan wel verweren van de curator geen bespreking.

Energieopbrengsten

5.9.

Met de vorderingen IV, VIII en XI beoogt de coöperatie dat de curator wordt veroordeeld om aan de coöperatie de energieopbrengsten van het zonnepark in de boedelperiode te betalen. De curator heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat het niet nakomen van de verplichtingen uit een overeenkomst door de curator kan leiden tot een vordering jegens de boedel, voor zover er uit de niet nakoming schade voortvloeit voor de coöperatie. Het betreft dan een concurrente boedelvordering. In de onderhavige procedure kan de rechtbank, gelet op het systeem van de Faillissementswet, de vordering tot betaling van de energieopbrengsten reeds om die reden niet toewijzen. Verder zijn ook deze vorderingen gestoeld op het onjuist gebleken uitgangspunt dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld door de eigendomsrechten van de coöperatie te negeren. De vorderingen onder IV, VIII en XI zullen derhalve eveneens worden afgewezen.

Superpreferente vordering, buitengerechtelijke kosten en kostenveroordeling

5.10.

Aangezien de rechtbank de vorderingen onder I tot en met XI zal afwijzen, dient ook de vordering van de coöperatie onder XII te worden afgewezen omdat deze volledig afhankelijk is van toewijzing van één van de vorderingen. Dit geldt ook voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

5.11.

De coöperatie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van curator worden begroot op:

- griffierecht 1.548,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × € 1.421,00)

Totaal € 4.390,00

De zaak 17-95 (de gemeente tegen de curator)

5.12.

Met betrekking tot het belang van de gemeente bij de onderhavige procedure stelt de rechtbank voorop dat artikel 3:303 BW bepaalt dat niemand een rechtsvordering toekomt zonder voldoende belang. Voor de ontvankelijkheid in een vordering tot verklaring voor recht is voorts vereist dat de eiser een concreet belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de vordering heeft. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente haar belang bij de door haar geformuleerde verklaringen voor recht, zoals opgenomen onder I van het petitum van de dagvaarding, voldoende heeft onderbouwd, zoals uit de hierop volgende overweging van de rechtbank blijkt.

5.13.

Vast staat dat dat de gemeente een vordering van afgerond € 70.000,- heeft ingediend in het faillissement van Zonnegrond B.V. en niet in het faillissement van 1724 B.V. De rechtbank volgt de curator niet in haar stelling dat het verantwoorden van de opbrengst van de verkoop van de zonnepanelen in het faillissement van Zonnegrond B.V. niet leidt tot een betere positie van de gemeente als schuldeiser en dat de gemeente daarom geen belang heeft bij haar vordering. Aan deze stelling legt de curator ten grondslag dat zij in dat geval rekening dient te houden met het erkennen van een vordering van 1724 B.V. op Zonnegrond B.V. uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, omdat 1724 B.V., zo stelt de curator, het zonnepark heeft laten aanbrengen en betaald. Het enkele feit dat de curator rekening houdt met een dergelijke vordering van 1724 B.V. betekent echter nog niet dat de gemeente daarmee geen belang zou hebben bij haar vordering. De stelling van de curator dat de gemeente haar vordering te vroeg heeft ingesteld, omdat tussen 1724 B.V. en de coöperatie nog niet vaststaat welke partij aanspraak kan maken op de verkoopopbrengst, kan ook niet worden gevolgd. Eerder in dit vonnis heeft de rechtbank zich immers al uitgesproken over de kwestie van de eigendom van het zonnepark en dat deze niet bij de coöperatie ligt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gemeente voldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij de door haar verzochte verklaringen voor recht.

5.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat het zonnepark is te beschouwen als onroerende zaak en dat het door natrekking eigendom is geworden van de gemeente.

5.15.

In het navolgende zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of er sprake was van een rechtsgeldige huurovereenkomst tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. Vervolgens zal de rechtbank zich buigen over het wegbreekrecht van de huurder.

Huurovereenkomst Zonnegrond B.V. en 1724 B.V.?

5.16.

Met betrekking tot de stelling van de gemeente dat er geen huurovereenkomst is gesloten tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. omdat 1724 B.V. nooit huur heeft betaald aan Zonnegrond B.V. overweegt de rechtbank als volgt.

In de huurovereenkomst tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. is in artikel 6 opgenomen dat 1724 B.V. een huurprijs dient te betalen van € 791,67 per hectare per maand. Door de gemeente is onvoldoende onderbouwd gesteld dat 1724 B.V. geen huurder is. Het enkele feit dat door haar geen huur zou zijn betaald, is hiervoor onvoldoende gelet op de inhoud van de schriftelijke huurovereenkomst.

5.17.

Ook de stelling van de gemeente dat zij geen toestemming heeft gegeven voor onderverhuur van de percelen treft geen doel. Het wel of niet geven van toestemming door de gemeente doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de onderhuurovereenkomst tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V.

Wegbreekrecht

5.18.

De gemeente en de curator verschillen van mening over de vraag of aan een onderhuurder het wegbreekrecht toekomt zoals opgenomen in artikel 7:216 BW. Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de gemeente nooit aanspraak heeft willen maken op haar eigendomsrechten terwijl het zonnepark door natrekking haar eigendom is geworden.

5.19.

Op grond van lid 1 van artikel 7:216 BW is een huurder tot de ontruiming van het gehuurde bevoegd de door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde ongedaan te maken. In de rechtspraak is nadere invulling gegeven aan de vraag hoe artikel 7:216 BW in het licht van de wetsgeschiedenis moet worden uitgelegd. In haar uitspraak van 25 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004: AP4373) overwoog de Hoge Raad dat de strekking van het artikel is dat de huurder bevoegd is natrekking ongedaan te maken door het feitelijk wegnemen van de veranderingen aan het gehuurde. De bepaling dient naar oordeel van de Hoge Raad ertoe ongerechtvaardigde verrijking van de verhuurder ten koste van de huurder te voorkomen.

5.20.

Het hof Arnhem-Leeuwarden is in haar arrest van 14 februari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1289) ingegaan op de situatie waarbij de huurovereenkomst niet was beëindigd maar tussen de oorspronkelijke verhuurder en een nieuwe huurder, met toestemming van de oorspronkelijke verhuurder, was voortgezet en waarbij de oorspronkelijke huurder van haar wegbreekrecht geen gebruik had gemaakt. Het hof was in dit arrest van oordeel, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat de nieuwe huurder bij het einde van de huurovereenkomst gebruik kon maken van het wegbreekrecht voor veranderingen die de oorspronkelijke huurder aan het gehuurde had aangebracht. Naar het oordeel van het hof was het wegbreekrecht, in de situatie die aan het hof was voorgelegd, overdraagbaar van huurder op een opvolgend huurder.

5.21.

Bij beantwoording van de vraag aan wie het wegbreekrecht toekwam in de onderhavige zaak is van belang dat het wegbreekrecht is uitgeoefend tijdens het bestaan van de huurovereenkomst tussen de gemeente en Zonnegrond B.V. en voordat Zonnegrond B.V. het gehuurde aan de gemeente heeft opgeleverd. Voorts is van belang dat er (zoals hiervoor onder 5.16 en 5.17 is overwogen) tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. een rechtsgeldige onderhuurovereenkomst is gesloten.

Onder deze omstandigheden en gelet op de ratio van artikel 7:216 BW is de rechtbank van oordeel dat het wegbreekrecht niet enkel tegen de (hoofd)verhuurder kan worden uitgeoefend door de (hoofd)huurder, maar ook door de onderhuurder indien deze op zijn kosten veranderingen aan het gehuurde heeft aangebracht. Daarom kan voor de beslissing op het gevorderde in het midden blijven wie de opdrachtgever voor het plaatsen van het zonnepark was: het wegbreekrecht is hoe dan ook rechtsgeldig uitgeoefend door huurster Zonnegrond B.V. dan wel door onderhuurster 1724 B.V. en heeft de natrekking doorbroken (en daarmee is voorkomen dat de gemeente ongerechtvaardigd werd verrijkt). In de relatie tussen Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. is kennelijk geen verschil van mening aan wie het wegbreekrecht toekwam. De conclusie is dan ook dat het in ieder geval niet uitsluitend Zonnegrond B.V. is die dit wegbreekrecht had omdat ook een onderhuurster dit recht kan uitoefenen. Omdat de gevorderde verklaring voor recht uitgaat van het tegendeel, wordt deze afgewezen. Voor zover de gemeente met de door haar gevorderde verklaring voor recht uit is op een beslissing door de rechtbank dat Zonnegrond B.V. eigenaar was van het zonnepark zodat de opbrengst van de verkoop daarvan uitsluitend in de boedel van Zonnegrond B.V. en niet in die van 1724 B.V. moet vallen, gaat de rechtbank hieraan voorbij omdat er geen vordering resteert die hierop ziet.

Kostenveroordeling

5.22.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van curator worden begroot op:

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × € 1.421,00)

Totaal € 3.129,00

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 16-407

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt de coöperatie in de proceskosten, aan de zijde van curator tot op heden begroot op € 4.390,00,

6.3.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 17-95

6.4.

wijst de vorderingen af,

6.5.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van curator tot op heden begroot op € 3.129,00,

6.6.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate, mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. A.K. Korteweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.1

1 type: MKG coll: LH/ SJ/ CK