Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11355

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1553
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om handhaving. Omvang van het geding. Tussen eisers en verweerder is niet in geschil dat ten aanzien van de recreatiewoningen sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zodat die partijen ervan uitgaan dat verweerder ter zake bevoegd is handhavend op te treden. Tussen deze partijen is evenmin in geschil dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Op grond van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omvang van het geding bepaald door het ingestelde beroep. Derde-partijen kunnen de omvang van het geding niet uitbreiden. Zij kunnen slechts reageren op beroepsgronden die door de eisende partij (in het beroepschrift) naar voren zijn gebracht. De door derde-partijen (ter zitting) ingenomen stellingen dat ten aanzien van hun recreatiewoningen geen sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, alsmede dat ten aanzien van hun recreatiewoningen sprake is van concreet zicht op legalisatie, vormen geen reactie op door eisers naar voren gebrachte beroepsgronden. Voorts valt niet in te zien dat de rechtbank is gehouden ambtshalve te toetsen of sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift in geval als het onderhavige waarin een verzoek om handhavend op te treden is afgewezen. De rechtbank is daarnaast niet gehouden ambtshalve te toetsen of sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daarmee vallen de stellingen van derde-partijen buiten de omvang van het geding.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3a
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/1553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. J. Rutteman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigde: H. Nieman).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [naam 1]te [woonplaats 2] (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk);

2. [naam 2] en [naam 3]te [woonplaats 3] (gemachtigde: mr. A. van Rossem).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers met betrekking tot de recreatiewoningen gelegen op de percelen [straat] [# 1] , [# 2] , [# 3] en [# 4] (hierna: de nummers [# 1] , [# 2] , [# 3] en [# 4] ) te [woonplaats 1] afgewezen.

Bij brief van 20 september 2016 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 27 maart 2017 hebben eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op hun bezwaar tegen het primaire besluit.

Bij op 30 maart 2017 verzonden besluit (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ten aanzien van de recreatiewoning met het nummer [# 2] gegrond verklaard, het primaire besluit ten aanzien van die recreatiewoning herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder bij het besluit een dwangsom wegens niet tijdig beslissen vastgesteld op € 200,00.

Bij brief van 19 april 2017 hebben eisers de rechtbank te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet geheel aan hun beroep tegemoetkomt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij sub 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van derde-partij sub 2 is verschenen.

Overwegingen

1. Het beroep van eisers richt zich tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een besluit op hun bezwaar tegen het primaire besluit. Vaststaat dat verweerder bij het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eisers heeft beslist. Voorts staat vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft erkend dat hij in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar een dwangsom aan eisers is verschuldigd en dat hij deze heeft vastgesteld op

€ 200,00.

Het bedrag van € 200,00 heeft verweerder, naar ter zitting is komen vast te staan, inmiddels uitbetaald. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eisers geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar is daarom niet-ontvankelijk.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar mede betrekking op het bestreden besluit, omdat eisers de rechtbank kenbaar hebben gemaakt dat het bestreden besluit niet geheel aan hun beroep tegemoetkomt. De rechtbank zal dat besluit daarom beoordelen.

3.1

De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het bestreden besluit ambtshalve te beoordelen.

3.2

Met betrekking tot het beroep gericht tegen het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoning met het nummer [# 2] , ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van procesbelang.

3.3

Er is sprake van procesbelang, wanneer het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt. Ook moet dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis hebben.

3.4

Eind december 2016 – en daarmee na het primaire besluit – hebben eisers de eigendom verkregen van de recreatiewoning met het nummer [# 2] . In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat er geen reden meer is af te zien van handhavend optreden ten aanzien van deze recreatiewoning, zodat het primaire besluit voor zover dat ziet op deze recreatiewoning dient te worden herroepen. Er zal, aldus verweerder, in principe alsnog handhavend moeten worden opgetreden tegen deze recreatiewoning. Omdat eisers de bereidheid hebben uitgesproken de overtreding ten aanzien van deze recreatiewoning te zullen beëindigen en er geen dringende reden is om nu handhavend op te treden, zal verweerder vooralsnog niet overgaan tot handhavend optreden. Het is wenselijk eerst de vaststelling van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor de percelen waarop de overige recreatiewoningen zijn gesitueerd af te wachten, zo staat verder in het bestreden besluit vermeld.

3.5

Gevraagd naar het belang bij een oordeel omtrent de recreatiewoning met het nummer [# 2] hebben eisers ter zitting verklaard dat zij wensen dat verweerder handhavend optreedt tegen alle vier de recreatiewoningen, inclusief die van henzelf.

3.6

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit reeds heeft geconcludeerd dat wat hem betreft handhavend moet worden opgetreden tegen de recreatiewoning met het nummer [# 2] . Eisers hebben ten aanzien van die recreatiewoning hun doel, het verkrijgen van een besluit waarin staat dat ten aanzien van hun recreatiewoning handhavend moet worden opgetreden, dus reeds bereikt. In zoverre ontbreekt procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit.

Dat eisers ter zitting, na aanvankelijk te hebben verklaard dat zij wensen dat tegen alle vier de recreatiewoningen handhavend wordt opgetreden, nog hebben verklaard dat, indien zou worden geconcludeerd dat tegen de overige drie recreatiewoningen niet handhavend hoeft te worden opgetreden, zij ook niet willen dat tegen hun eigen recreatiewoning handhavend wordt opgetreden, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft immers aangegeven, zoals ter zitting nader toegelicht, dat op het verzoek om handhaving ten aanzien van nummer [# 2] beslist zal worden, nadat duidelijk is hoe het aangekondigde persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht zal luiden. Tegen dat nog te nemen besluit kunnen eisers rechtsmiddelen aanwenden. Dat de besluiten ten aanzien van de overige recreatiewoningen thans wel voorliggen en dat deze procedure kan leiden tot een verschil in uitkomst tussen nummer [# 2] en de overige recreatiewoningen op het perceel, levert, gelet op het voorgaande, geen procesbelang op.

3.7

Het voorgaande betekent dat het beroep gericht tegen het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoning met het nummer [# 2] niet-ontvankelijk is.

4. De rechtbank zal het bestreden besluit, gelet op het voorgaande, uitsluitend inhoudelijk beoordelen voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , [# 3] en [# 4] .

5.1

De rechtbank zal ten behoeve van die inhoudelijke beoordeling allereerst de omvang van het geding vaststellen.

5.2

Tussen eisers en verweerder is niet in geschil dat ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , [# 3] en [# 4] sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zodat die partijen ervan uitgaan dat verweerder ter zake bevoegd is handhavend op te treden. Tussen deze partijen is evenmin in geschil dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5.3

Op grond van artikel 8:69, eerste lid, van de Awb wordt de omvang van het geding bepaald door het ingestelde beroep. Derde-partijen kunnen de omvang van het geding niet uitbreiden. Zij kunnen slechts reageren op beroepsgronden die door de eisende partij (in het beroepschrift) naar voren zijn gebracht.

De door derde-partijen (ter zitting) ingenomen stellingen dat ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] en [# 3] geen sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, alsmede dat ten aanzien van die recreatiewoningen sprake is van concreet zicht op legalisatie, vormen geen reactie op door eisers naar voren gebrachte beroepsgronden.

Voorts valt niet in te zien dat de rechtbank is gehouden ambtshalve te toetsen of sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift in geval als het onderhavige waarin een verzoek om handhavend op te treden is afgewezen. De rechtbank is daarnaast niet gehouden ambtshalve te toetsen of sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daarmee vallen de stellingen van derde-partijen buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal de stellingen van derde-partijen dan ook onbesproken laten.

6. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Zo kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, zoals ter zitting nader toegelicht, op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van handhavend optreden ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , [# 3] en [# 4] wordt afgezien. Verweerder wijst in dit verband op een combinatie van factoren. De recreatiewoningen zijn al ruim 50 jaar op het perceel aanwezig, het gebruik ervan valt onder het gebruiksovergangsrecht en er ligt een besluit van de gemeenteraad van de gemeente Bergen (van 29 september 2016) om in te stemmen de percelen waarop de recreatiewoningen zijn gesitueerd te bestemmen tot “Natuur” met voor iedere eigenaar persoonsgebonden overgangsrecht voor recreatief gebruik en dit te laten vertalen in een ontwerp-bestemmingsplan.

8.1

Eisers betogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan handhavend optreden onevenredig is te achten met het oog op de daarmee te dienen belangen.

Zij voeren daartoe, zoals ter zitting nader toegelicht, primair aan dat ten aanzien van de vraag of handhavend moet worden opgetreden tegen recreatiewoning met het nummer [# 4] reeds tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is geprocedeerd en dat hetgeen ten aanzien van die recreatiewoning is overwogen, evenzeer geldt voor de recreatiewoningen met de nummers [# 1] en [# 3] . Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2208, inzake de recreatiewoning met het nummer [# 4] blijkt dat het mogelijk gelden van het gebruiksovergangsrecht en de aanwezigheid van eventuele andere omstandigheden niet voldoende redenen vormen om af te zien van handhavend optreden. In het bestreden besluit zijn geen andere of nieuwe omstandigheden aangevoerd dan de omstandigheden die reeds in genoemde uitspraak aan de orde zijn geweest. De omstandigheid dat de gemeenteraad van de gemeente Bergen thans, anders dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, heeft aangekondigd de recreatiewoningen onder persoonsgebonden overgangsrecht te willen brengen, maakt dat volgens eisers niet anders, omdat die enkele aankondiging nog geen beslissing behelst en geen status heeft en de situatie op dit punt dus niet verschilt van die ten tijde van de uitspraak van de Afdeling.

Zij voeren daartoe subsidiair aan dat niet is aangetoond dat de recreatiewoningen reeds 50 tot 70 jaar aanwezig zijn op het perceel en niet is aangetoond dat deze onder het gebruiksovergangsrecht vallen. Bovendien heeft voornoemde aankondiging van het persoonsgebonden overgangsrecht volgens eisers geen status nu deze zich daarvoor in een onvoldoende vergevorderd stadium bevindt.

8.2

De rechtbank volgt verweerder in diens in zijn verweerschrift ingenomen standpunt dat genoemde uitspraak van de Afdeling inzake de recreatiewoning met het nummer [# 4] op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat ook in de voorliggende zaak geen sprake is bijzondere omstandigheden. Ten eerste is niet gebleken dat wat de Afdeling ten aanzien van de recreatiewoning met het nummer [# 4] in haar uitspraak heeft overwogen zonder meer ook heeft te gelden voor de recreatiewoningen met de nummers [# 1] en [# 3] . Ten tweede kan niet worden gezegd dat ten aanzien van recreatiewoning met het nummer [# 4] sprake is van een ten opzichte van de uitspraak van 18 juni 2014 ongewijzigde situatie. De situatie is reeds verschillend omdat de gemeenteraad van de gemeente Bergen thans, anders dan ten tijde van die uitspraak, heeft aangekondigd de recreatiewoningen, ook die met nummer [# 4] , onder het persoonsgebonden overgangsrecht te willen brengen. De vraag of de omstandigheid dat die aankondiging is gedaan met zich brengt dat van handhavend optreden kan worden afgezien gelet op de status ervan is, anders dan eisers hebben verondersteld, niet van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van een ten opzichte van de uitspraak uit 2014 gewijzigde situatie. De rechtbank volgt eisers aldus niet in hun primaire stelling.

8.3

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van eisers overweegt de rechtbank als volgt.

8.4

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Bergen ermee ingestemd om de percelen van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , ( [# 2] ), [# 3] en [# 4] te bestemmen tot “Natuur” met voor iedere eigenaar/eigenaren persoonsgebonden overgangsrecht voor recreatief gebruik en dit te laten vertalen in een ontwerp-bestemmingsplan.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de status van het raadsbesluit sindsdien ongewijzigd is, in die zin dat dit besluit nog niet is vertaald naar een ontwerp-bestemmingsplan. Het streven is nog dit jaar een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage te leggen waarin het persoonsgebonden overgangsrecht wordt opgenomen.

8.5

De rechtbank is van oordeel dat het voornoemde besluit van de gemeenteraad in ieder geval op dit moment niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden kon afzien. Het daarin aangekondigde persoonsgebonden overgangsrecht is daarvoor nog onvoldoende uitgekristalliseerd (zo is in ieder geval nog onduidelijk welke datum als peildatum zal worden gehanteerd) en heeft het, nu het nog niet is opgenomen in een ontwerp-bestemmingsplan, nog geen formele status. Aan het raadsbesluit kan onder deze omstandigheden niet die betekenis worden gehecht die verweerder daaraan hecht.

8.6

Ook de overige door verweerder resterende aangedragen omstandigheden bieden geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden kon afzien. De rechtbank overweegt daartoe dat zelfs als moet worden aangenomen dat ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers
[# 1] , [# 3] en [# 4] een gerechtvaardigd beroep op het gebruiksovergangsrecht kan worden gedaan, dat onverlet laat dat het in stand houden van de recreatiewoningen (volgens eisers en verweerder) in strijd is met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht verschaft geen bouw- of omgevingsvergunning vervangende titel voor de activiteiten bouwen.

De enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan bekend was met de aanwezigheid van de (volgens eisers en verweerder) zonder bouwvergunningen opgerichte (en qua gebruik mogelijk legaal aanwezige) recreatiewoningen en geruime tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft gericht, brengt evenmin met zich dat daartegen niet meer handhavend mag worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het bestuursorgaan in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien.

8.7

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verweerder – in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb – onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhavend optreden kon worden afgezien. De rechtbank volgt eisers aldus in hun subsidiaire stelling.

9. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , [# 3] en [# 4] , is gelet op het voorgaande gegrond. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen gericht tegen het primaire besluit voor zover verweerder daarbij hun verzoek om handhaving ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] , [# 3] en [# 4] heeft afgewezen, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 8.5 en 8.6 van deze uitspraak is overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:731, behoort de bestuursrechter namelijk als regel niet op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Uitgangspunt is dat de uitoefening van de handhavingsbevoegdheid bij het bestuursorgaan berust.

10. Met het oog op het door verweerder nieuw te nemen besluit op bezwaar hecht de rechtbank eraan nog het volgende op te merken.

Derde-partijen hebben ter zitting betoogd dat ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] en [# 3] geen sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, omdat volgens derde-partijen voor het bouwen van die recreatiewoningen geen omgevingsvergunning is en/of was vereist. Gelet op het tweede lid van artikel 2.3a van de Wabo blijft genoemd eerste lid volgens hen buiten toepassing.

Het ligt, gelet op dit betoog van derde-partijen, alsmede gelet op de inhoud van zowel het primaire als het bestreden besluit, in de rede dat verweerder in het nieuw te nemen besluit (in elk geval ten aanzien van de recreatiewoningen met de nummers [# 1] en [# 3] ) (meer) kenbaar uiteenzet zijn standpunt dat sprake is van genoemde overtreding.

11. Omdat de rechtbank het beroep gericht tegen het bestreden besluit (gedeeltelijk) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12.1

De rechtbank ziet, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8662, aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 123,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 0,25).

12.2

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers in verband met de vanwege het beroep tegen het bestreden besluit gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoning op de [straat] [# 2] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoningen op de [straat] [# 1] , [# 3] en [# 4] gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij een beslissing heeft genomen ten aanzien van de recreatiewoningen op de [straat] [# 1] , [# 3] en
[# 4] ;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen gericht tegen het primaire besluit voor zover verweerder daarbij hun verzoek om handhaving ten aanzien van de recreatiewoningen op de [straat] [# 1] , [# 3] en [# 4] heeft afgewezen, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 8.5 en 8.6 van deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in verband met de vanwege het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 123,75;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in verband met de vanwege het beroep tegen het bestreden besluit gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 december 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.