Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11344

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
15/810159-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onder invloed van een psychose die het gevolg is van ayahuasca-thee maakt verdachte zich schuldig aan een afpersing wen tweemaal een vernieling. Ondanks de psychose acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar gelet op de geldende jurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810159-17 (P)

Uitspraakdatum: 19 december 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 december 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Vught PPC.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.E. van der Plas en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Riel, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

hij op of omstreeks 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg, de Nieuwemeerdijk, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- verdachte een mes op de borst van [slachtoffer] heeft gericht (gehouden) en/of

- met dat mes stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- met dat mes in de/een hand(en) van [slachtoffer] heeft gesneden en/of geprikt en/of

- met dat mes op de/een hand(en) van [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd, althans gezegd "geef mij die tas maar".

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg, de Nieuwemeerdijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een tas (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

- ( op de weg) voor het door door [slachtoffer] bestuurde voertuig is gaan staan en/of

- een portier van het door [slachtoffer] bestuurde voertuig heeft geopend en/of

- een mes op de borst van [slachtoffer] heeft gericht (gehouden) en/of

- met dat mes stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- met dat mes in de/een hand(en) van [slachtoffer] heeft gesneden en/of geprikt en/of

- met dat mes op de/een hand(en) van [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd, althans gezegd "geef mij die tas maar",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

hij op of omstreeks 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en/of het glas van een (erker)raam (van de woning gelegen aan de [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Feit 3:

Primair

hij op of omstreeks 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (merk BMW, kenteken 19-RSV-7) heeft weggenomen (onder meer) een zonnebril (merk Rayban), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk (een raam) van een personenauto (merk BMW, kenteken 19-RSV-7), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde feit wegens gebrek aan bewijs voor het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van een zonnebril en tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte betoogt dat het dossier weliswaar voldoende bewijsmiddelen bevat om tot een bewezenverklaring te komen voor het eerste feit, maar er is onvoldoende bewijs voor de stekende bewegingen die verdachte met het mes zou hebben gemaakt richting het slachtoffer. Verdachte dient om deze reden partieel vrijgesproken te worden ten aanzien van deze gedraging.

Voorts is de raadsman het met de officier van justitie eens dat de inhoud van het dossier onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen voor hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Evenals de raadsman van verdachte en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de zonnebril, dan wel enig ander goed, heeft weggenomen. Om deze reden dient verdachte aldus vrijgesproken te worden van hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 primair 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op maandag 24 juli 2017 rijdt [slachtoffer] rond 1:18 uur op de Nieuwe Meerdijk richting Badhoevedorp als zij ineens een man midden op de weg ziet staan met zijn hand omhoog. Omdat zij niet om de man heen kan rijden, besluit zij voor hem te stoppen.2 Als [slachtoffer] tot stilstand komt loopt de man gelijk richting de auto van [slachtoffer] . Hij trekt vervolgens de deur open en schreeuwt hierbij “Vuurtje, geef me vuurtje, ik moet vuur”. Terwijl de man dit naar [slachtoffer] schreeuwt ziet zij dat hij tevens een mes in zijn hand heeft, met de punt naar haar gericht. Er ontstaat een situatie waarbij [slachtoffer] de deur dicht wil doen, maar verdachte de deur telkens weer open trekt. Hierbij maakt de man stekende bewegingen met het mes richting [slachtoffer] en snijdt haar hierbij tweemaal in haar handen. Nadat de man [slachtoffer] heeft geraakt met het mes begint hij te schreeuwen dat zij haar tas moet afgeven. Zij besluit hierop haar tas af te geven aan de man. Als de man de tas even uit zijn handen laat vallen, rijdt [slachtoffer] snel weg.3

[getuige] , die aan de Nieuwe Meerdijk woont, wordt rond 1:00 – 1:15 uur wakker van een tikkend geluid. Enige tijd later gaat het tikkende geluid over in harde klappen.4 Zij besluit te kijken waar al die geluiden vandaan komen. Als zij uit het raam kijkt, ziet zij een auto aan komen rijden. Zij ziet vervolgens dat een manspersoon de auto tot stoppen dwingt door midden op de weg te gaan staan. Vervolgens hoort ze de man schreeuwen: “je tas, je tas”.5

Ook [getuige] , een andere omwonende, wordt die nacht wakker van allerlei getoeter en geschreeuw. Hij besluit naar het raam te lopen om te kijken wat er aan de hand is. Hij ziet een manspersoon staan aan de bestuurderszijde van een donkerkleurige Ford Ka. Hij hoort de man schreeuwen: “geef hier die tas, geef hier die tas”. Vervolgens ziet hij dat de man de tas pakt en weg loopt. Daaropvolgend ziet hij dat de vrouw het portier dicht doet en snel weg rijdt.6

Bij de politie bekent verdachte dat hij de auto van [slachtoffer] heeft laten stoppen, haar om een vuurtje heeft gevraagd en dat hij, toen zij dat niet kon of wilde geven, haar om haar tas vroeg en hierbij een mes in zijn hand had.7 Ter zitting verklaart hij desgevraagd dat hij zich niet kan herinneren dat hij stekende bewegingen heeft gemaakt, maar dat dit goed mogelijk is.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 2 en 3 subsidiair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juli 2017, dossierpagina 19;

Feit 3 subsidiair:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2017, dossierpagina 22;

3.6.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde verweer met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de politie heeft verdachte niets willen zeggen over het mes, maar ter zitting verklaart hij dat hij zich niet kan herinneren dat hij het mes op de borst heeft gericht en stekende bewegingen heeft gemaakt. Het slachtoffer is daartegenover in haar verklaringen bij de politie duidelijk en consistent. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan haar verklaring. De verwondingen aan haar handen ondersteunen die verklaring. Op de vraag of het mogelijk is geweest dat hij wel het mes op de borst heeft gericht en de stekende bewegingen heeft gemaakt, maar dat hij het zich niet kan herinneren, antwoordt verdachte dat dit goed mogelijk is.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het wettelijke bewijsminimum en verwerpt aldus het verweer van de raadsman op dit punt.

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

Primair

hij op 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg, de Nieuwemeerdijk, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (met inhoud), toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- verdachte een mes op de borst van [slachtoffer] heeft gericht (gehouden) en

- met dat mes stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] heeft gemaakt en

- met dat mes in de handen van [slachtoffer] heeft gesneden en

- tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd, althans gezegd "geef mij die tas maar".

Feit 2:

hij op 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en het glas van een erkerraam van de woning gelegen aan de Nieuwemeerdijk 166, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft beschadigd.

Feit 3:

Subsidiair

hij op 24 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een personenauto (merk BMW, kenteken 19-RSV-7), toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen.

Feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij hetgeen de psycholoog in zijn rapport, gedateerd 20 november 2017, heeft beschreven. De psycholoog is van mening dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verkeerde onder invloed van een psychose maar dat deze psychose volledig toe te schrijven is aan het gebruik van Ayahuasca. Dit betreft een hallucinogeen middel waarvan bekend is dat het een psychotiserend effect kan hebben. Nu verdachte op de hoogte was van de werking van het middel en daarmee dus van de mogelijkheid van psychisch ontregelend gedrag, is het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Gelet op voorgaande heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie heeft hierbij een proeftijd van 3 jaar gevorderd en daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsrapport d.d. 28 november 2017 met als toevoeging een locatieverbod voor de gemeente Badhoevedorp.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman merkt op dat de psychiater en psycholoog tot verschillende conclusies komen ten aanzien van de toerekenbaarheid van verdachte met betrekking tot de gepleegde feiten. Ten aanzien van de toerekenbaarheid refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de op te leggen straf verzoekt de raadsman dat de rechtbank rekening houdt met het gegeven dat verdachte “first offender” is. Daarnaast heeft verdachte van begin af uitgesproken dat hij het heel erg vindt dat hij het slachtoffer dit heeft aangedaan en heeft hij meermaals zijn spijt betuigd. Gelet op voorgaande verzoekt de raadsman de zaak dan ook anders af te doen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De raadsman is van mening dat verdachte niet langer vast moet zitten dan de duur van de voorlopige hechtenis en verzoekt de rechtbank dan ook te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Daarnaast kan nog een voorwaardelijk deel opgelegd worden met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van een locatieverbod, nu dit verbod een grove inbreuk op het privéleven van verdachte inhoudt en geen strafvorderlijk belang dient.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de volgende rapportages is gebleken:

  • -

    het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 oktober 2017;

  • -

    het Pro Justitia rapport van J.M. Oudejans, GZ-psycholoog, van 20 november 2017 en J.L.M. Dinjens, psychiater, van 16 november 2017;

  • -

    het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 28 november 2017.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich – onder invloed van een psychose – schuldig gemaakt aan afpersing, waarbij hij ’s nachts op een donkere dijkweg een auto tot stilstand heeft laten komen door midden op de weg te staan. Verdachte heeft eerst op dwingende en intimiderende wijze de vrouwelijke bestuurder gesommeerd een aansteker te geven. Toen zij aangaf geen aansteker te hebben, heeft hij onder bedreiging van een mes geëist dat zij haar tas af zou geven. Hierbij heeft verdachte stekende bewegingen gemaakt met het mes richting de vrouw en heeft hij haar hierbij tweemaal in haar handen gesneden. Voorts heeft verdachte nog vernielingen aangericht aan een auto door een grote steen door het raam te gooien en heeft verdachte meermalen een grote steen tegen het raam en de deur van een woning gegooid, waardoor er schade is ontstaan.

Dergelijke feiten, gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plek, schokt de rechtsorde en draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Dat is in deze zaak ook gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring - ter zitting door het slachtoffer afgelegd - en de verklaring van één van de getuigen die het zo eng vond, dat zij niet eens uit het raam durfde te kijken om te zien wat er allemaal gebeurde.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk misdrijf is veroordeeld.

Daarnaast heeft rechtbank acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte Pro Justitia-rapport, opgesteld door J.M. Oudejans, GZ-psycholoog, van 20 november 2017 en J.L.M. Dinjens, psychiater, van 16 november 2017.

Zowel de psycholoog als psychiater hebben in het Pro Justitia rapport geoordeeld dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten in een psychose verkeerde, welke toe te schrijven is aan het gebruik van ayahuasca thee tijdens het verblijf van verdachte in Colombia. De psychiater beschrijft voorts dat de persoonlijkheid van verdachte gekenmerkt wordt door narcistische trekken en komt mede op grond hiervan tot een verminderde toerekenbaarheid. De rechtbank is echter van oordeel dat de psychiater onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven op welke wijze deze persoonlijkheid met narcistische kenmerken – niet geclassificeerd als een stoornis – de gedragskeuzes zou hebben beïnvloed. De rechtbank zal daarom de conclusie van de psychiater ten aanzien van de toerekenbaarheid van verdachte niet overnemen.

De psycholoog stelt dat de psychose het gevolg is van de consumptie van ayahuasca thee en er dus een volledig causaal verband bestond tussen de psychose en het gebruik van het middel. Wat betreft de inname van dit hallucinogene middel kan het volgende worden gezegd volgens de psycholoog. Verdachte heeft ruime ervaring met het gebruik van hallucinerende middelen. Dat het gebruik daarvan niet eerder een psychisch ontregelend effect op hem heeft gehad, laat onverlet dat verdachte kennis en besef had van de potentieel ontregelende effecten van het gebruik van hallucinerende middelen, met inbegrip van het gebruik van ayahuasca. Hij heeft over dat middel informatie ingewonnen, en het enkele feit dat hij toen, naar zijn zeggen, niet expliciet geïnformeerd is over (specifieke) risico’s, staat het besef van de risico’s van het gebruik niet in de weg, temeer daar verdachte goed op de hoogte was van de algemene risico’s van het gebruik van hallucinogenen, waartoe ayahuasca behoort. Op grond van deze overwegingen wordt geconcludeerd dat het tenlastegelegde, indien bewezen, verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en overweegt in aanvulling daarop nog als volgt.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting toegegeven gedurende zijn verblijf in Colombia regelmatig ayahuasca thee te hebben gedronken en daarbij ook veelvuldig cannabis te hebben gebruikt. Verdachte heeft ter zitting aangegeven te weten dat het mixen van verschillende soorten drugs onverstandig is en afgeraden wordt. Daarnaast heeft verdachte in het verleden geëxperimenteerd met verschillende hallucinogene drugs zoals LSD en paddo’s. Verdachte was voorts op de hoogte van het feit dat het gebruik van dit roesverwekkende middel ayahuasca effect heeft op de psychische toestand van de gebruiker. Gelet op voorgaande, in combinatie met het feit dat hij de ayahuasca tegelijk met cannabis heeft gebruikt kon verdachte weten dat het gebruik van de middelen niet geheel ontbloot waren van enig risico. Het is daarnaast van algemene bekendheid dat het psychisch functioneren na het gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. Dat verdachte deze wetenschap had, heeft hij ter zitting bevestigd door te verklaren dat iedereen met wie hij de ayahuasca thee heeft gedronken hier anders op reageerde.

De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en de gevolgen daarvan, nu, gelet op het voorgaande, de opgetreden psychose te wijten is aan zijn keuze om, ondanks de daaraan verbonden risico’s, het hallucinogene middel ayahuasca te gebruiken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsrapport, gedateerd 28 november 2017, noodzakelijk teneinde het recidiverisico te beperken. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een locatieverbod.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 1.239,97 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

Materiële schade

  • -

    verlies arbeidsvermogen : € 478,24

  • -

    ontvreemde tas met inhoud : € 105,25

  • -

    reiskosten : € 47,88

  • -

    parkeerkosten : € 8,60

Immateriële schade

- smartengeld : € 600,00

---------------------------------------------------------------- +

Totaal : €1.239,97

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bereid is de schade te vergoeden en het gevorderde een redelijk bedrag is. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedraag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 317, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.7 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF [12] MAANDEN. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes [6] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

-zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering voor zover deze niet zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Veroordeelde moet zich melden bij de reclassering zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende zijn proeftijd noodzakelijk acht;

-wordt verplicht om mee te werken aan een intakegesprek en, indien geïndiceerd, zich laat behandelen voor psychosegevoeligheid, waarbij onder andere aandacht is voor terugvalpreventie en existentiële thema’s, zoals identiteit en zingeving, bij een forensische GGZ instelling, zoals De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Hierbij dient veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

-wordt verboden om drugs te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De reclassering kan naleving van deze voorwaarde controleren door middel van urinecontroles.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat de duur gelijk is aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.239,97, bestaande uit € 639,97 als vergoeding voor de materiële en € 600,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.239,97, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en mr. E.M. van Poecke, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 december 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2017, dossierpagina 13.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2017, dossierpagina 14.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2017, dossierpagina 131.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2017, dossierpagina 133.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2017, dossierpagina 136.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2017, losse bijlage.