Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11225

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
HAA 15/465 en 15/466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op aftrek van voorbelasting die door gerechtsdeurwaarders en incassobureaus in rekening is gebracht voor diensten met betrekking tot een debiteurenportefeuille omdat niet is gebleken dat voor wat betreft de debiteurenportefeuille sprake is van economische activiteiten. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake is van algemene kosten die mede betrekking hebben op de overige activiteiten van belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/44
V-N 2018/11.2.4
Viditax (FutD), 05-01-2018
FutD 2018-0111 met annotatie van Fiscaal up to Date
Mr. A.J. Blank annotatie in NTFR 2018/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/465 en HAA 15/466

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 november 2017 in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. G. van Dam),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

16/1382

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting op haar aangiften voor de tijdvakken 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014. Verweerder heeft bij uitspraken van 19 december 2014 de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017 te Haarlem.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen bijgestaan door [A] en
[B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.W. Visser en
mr. H.R. Groen.

Partijen hebben ter zitting pleitnota’s overgelegd die in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

  1. Eiseres is opgericht op 23 mei 2005 en is – volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel – een advocatenkantoor. De activiteiten van eiseres in onderhavige tijdvakken bestonden uit de reguliere advocatuur en incassowerkzaamheden voor derden.

  2. Eiseres voerde aanvankelijk tegen vergoeding incassoactiviteiten uit ten behoeve van een energiebedrijf. Eiseres heeft de desbetreffende debiteurenportefeuille (de debiteurenportefeuille) van het energiebedrijf overgenomen.

3. Voor het jaar 2012 heeft eiseres een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend waarin zij verzoekt om teruggaaf van omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht door incassobureaus en/of gerechtsdeurwaarders met betrekking tot de debiteurenportefeuille. Bij brief van 2 september 2013 heeft verweerder meegedeeld dat die teruggaaf niet wordt verleend omdat volgens hem die kosten niet in rekening worden gebracht in verband met economische prestaties van eiseres. Gezien dit standpunt van verweerder heeft eiseres op haar aangiften voor de onderhavige tijdvakken geen omzetbelasting in aftrek gebracht die door incassobureaus en/of gerechtsdeurwaarders aan haar in rekening is gebracht met betrekking tot de debiteurenportefeuille. In bezwaar heeft zij verzocht om teruggaaf van de daarmee gemoeide bedragen.

Geschil

4. In geschil is of eiseres recht heeft op aftrek van de omzetbelasting (de voorbelasting) die aan haar in rekening is gebracht voor incassodiensten met betrekking tot de debiteurenportefeuille (de incassokosten).

5. Eiseres stelt primair dat haar werkzaamheden ten aanzien van de debiteurenportefeuille economische prestaties zijn en subsidiair dat de incassokosten deel uitmaken van haar algemene kosten. Er bestaat volgens eiseres een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen die kosten en haar totale belaste bedrijfsactiviteiten. Volgens eiseres is er indien sprake is van algemene kosten geen reden de pro rata toe te passen, omdat zij uitsluitend economische prestaties verricht. Zij heeft dan ook volledig recht op aftrek van de voorbelasting die betrekking heeft op de incassokosten. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en toekenning van aftrek van de voorbelasting.

6. Verweerder stelt dat het uitwinnen van een debiteurenportefeuille geen economische activiteit is. Eiseres heeft daarom geen recht op aftrek van de voorbelasting die drukt op de incassokosten, omdat die kosten uitsluitend betrekking hebben op die niet economische activiteit. Verweerder stelt verder dat indien sprake is van algemene kosten de pro rata methode dient te worden toegepast en dat eiseres daarmee ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) is belasting die de ondernemer in aftrek brengt de belasting die aan hem in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Uit artikel 1 Wet OB volgt dat enkel sprake is van belaste handelingen wanneer deze onder bezwarende titel plaatsvinden. Alleen indien een dienst wordt verricht onder bezwarende titel kan sprake zijn van een economische activiteit zoals bedoeld in artikel 9 van de BTW-richtlijn.

8. Nu eiseres stelt recht te hebben op aftrek van de voorbelasting, rust op haar de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan.

9. Vaststaat dat eiseres voor haar werkzaamheden met betrekking tot de debiteurenportefeuille geen vergoeding in rekening heeft gebracht aan het energiebedrijf of aan enig andere derde. Eiseres heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Van diensten onder bezwarende titel is dan ook geen sprake. Ter zitting heeft eiseres echter aangevoerd dat haar werkzaamheden met betrekking tot de debiteurenportefeuille moeten worden bezien in het licht van de vergoedingen die zij, voordat zij de debiteurenportefeuille had overgenomen, van het energiebedrijf ontving voor haar incassowerkzaamheden en dat aldus nog steeds sprake is van economische activiteiten. Met de overname van de debiteurenportefeuille is echter niet langer sprake van werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het energiebedrijf. Dit volgt reeds uit het feit dat, zoals eiseres ter zitting heeft verklaard, eventuele betalingen door de debiteuren die deel uitmaken van de portefeuille nog uitsluitend ten goede komen van eiseres. Eiseres heeft, ondanks dat verweerder daarnaar nadrukkelijk heeft gevraagd, op geen enkele wijze inzicht gegeven in de afspraken die zij met het energiebedrijf heeft gemaakt omtrent de overname van de debiteurenportefeuille. Dat er enig verband bestaat tussen die eerdere vergoedingen en de werkzaamheden na overname van de debiteurenportefeuille is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

10. Nu eiseres voor haar werkzaamheden met betrekking tot de debiteurenportefeuille geen vergoedingen ontvangt of in rekening brengt, verricht eiseres daarmee geen economische activiteiten. De incassokosten kunnen dan ook niet rechtstreeks worden toegerekend aan economische activiteiten van eiseres. De daarop drukkende voorbelasting kan daarom uitsluitend voor aftrek in aanmerking komen wanneer de incassokosten algemene kosten zijn die rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de economische activiteiten van eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat de advocatuurlijke werkzaamheden van eiseres en de incassowerkzaamheden die zij wel tegen vergoeding verricht, economische activiteiten zijn.

11. Of sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de incassokosten en de economische activiteiten van eiseres, oftewel van onlosmakelijke samenhang daartussen, dient te worden vastgesteld aan de hand van de objectieve inhoud van de ingekochte diensten en van de economische activiteiten van eiseres waarbij alle omstandigheden waaronder de dienstverrichting wordt verricht in aanmerking genomen moeten worden (vgl. Hof van Justitie van de EU van 26 september 1996, Enkler, C‑230/94, ECLI:EU:C:1996:352, punt 27). Ook de bewijslast dat sprake is van kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met haar prestaties onder bezwarende titel, rust op eiseres (vgl. Hoge Raad 29 september 2017, 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461, overweging 2.5.2.).

12. Met haar enkele stelling dat de incassokosten algemene kosten zijn, is eiseres daarin niet geslaagd. Gezien het feit dat incassokosten over het algemeen worden gemaakt teneinde betaling door de debiteur af te dwingen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres deze kosten ook zou hebben gemaakt wanneer zij voor het overige geen economische activiteiten zou verrichten. Het enkele gegeven dat met die activiteiten wellicht geld wordt ontvangen van de desbetreffende debiteuren, maakt dan ook niet dat reeds daarom de kosten geacht moeten te zijn gemaakt ten behoeve van de economische activiteiten van eiseres.

Eiseres heeft verder geen stukken overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat de incassokosten zijn gemaakt met het oog op haar advocatuurlijke werkzaamheden of haar incassowerkzaamheden tegen vergoeding en dat die kosten op enigerlei wijze zijn verwerkt in de vergoedingen die zij voor die economische activiteiten in rekening brengt.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft eiseres geen recht op aftrek van de omzetbelasting die aan haar door gerechtsdeurwaarders en incassobureaus in rekening is gebracht voor diensten met betrekking tot de debiteurenportefeuille. De beroepen zijn daarom ongegrond. Wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd over de pro rata regeling behoeft geen behandeling.

Proceskosten

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. drs. L.M. Brouwer-Harten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.