Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11224

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
15/870713-15
Formele relaties
Veroordeling feit: ECLI:NL:RBNHO:2016:4828, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achterwege laten voorwaardelijke invrijheidsstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870713-15 (VI)

V.I. zaaknummer: 99-000277-30

Uitspraakdatum: 17 oktober 2017

Beslissing achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling (ex artikel 15d Sr)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank rechtdoende in strafzaken d.d. 29 april 2016 is

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 14 mei 2016 is aangevangen.

De vordering en het verloop van de procedure

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 8 februari 2017 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel achterwege laat, omdat de veroordeelde zich na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, (artikel 15d, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht).

Bij tussenbeslissing van deze rechtbank d.d. 23 maart 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat meer duidelijkheid dient te worden verkregen over de aard en de omvang van de aan veroordeelde verweten gedragingen en heeft daartoe het onderzoek ter terechtzitting heropend en de behandeling van de vordering aangehouden.

De behandeling ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting is voortgezet ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2017.

De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 3 oktober 2017 de vordering aangevuld in die zin dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel achterwege dient te laten omdat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf én tevens gedurende de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, op de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht, - dus de periode van het voorarrest voorafgaand aan het vonnis van 29 april 2016 – ernstig heeft misdragen (artikel 15d, eerste lid onder b en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht).

De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde voor nieuwe strafbare feiten is aangehouden op 26 januari 2017 en daartoe vervolgens in verzekering is gesteld op 27 januari 2017. Op 1 februari 2017 is een bevel tot bewaring van verdachte verleend, waarna de raadkamer van deze rechtbank de gevangenhouding van veroordeelde heeft bevolen en vervolgens bij beslissing van deze rechtbank van 18 juli 2017 nog is geoordeeld dat er ernstige bezwaren en gronden zijn voor de voorlopige hechtenis van veroordeelde.

De officier van justitie heeft vervolgens gepersisteerd bij de schriftelijke vordering en de aanvulling daarvan. Hiertoe heeft zij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat in de afgelopen periode door de rechtbank is aangenomen dat ten aanzien van veroordeelde sprake is van ernstige bezwaren dat hij zich aan (nieuwe) strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Ook op dit moment zijn die ernstige bezwaren nog aanwezig. Een veroordeelde komt slechts in aanmerking voor een voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer hij zich tijdens de detentie op gepaste wijze gedraagt. Dat is in het onderhavige geval niet aan de orde. Veroordeelde heeft zich ernstig misdragen, zodat de vordering voor toewijzing vatbaar is, aldus de officier van justitie.

Veroordeelde en zijn raadsman hebben het woord gevoerd en, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in ieder geval voor wat betreft de aanvulling van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu die aanvulling niet onverwijld is ingediend. Bovendien ontbreekt ook de grond voor die vordering.

Voor het overige heeft de raadsman gepleit voor afwijzing van de vordering omdat er nog altijd geen duidelijkheid is verkregen over de omvang van de aan veroordeelde verweten gedragingen. Het onderzoek naar de feiten waarvoor veroordeelde zich thans in voorlopige hechtenis bevindt (onderzoek [naam onderzoek]), verloopt gefaseerd en is erg complex zodat de huidige verdenkingen nog kunnen komen te vervallen. De raadsman wijst voorts op de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling van het Openbaar Ministerie waarin onder meer staat opgenomen dat het bij een gecompliceerde verdenking verstandig kan zijn een vordering tot afstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen totdat een veroordeling is gevolgd. Een vordering tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan ook na een nieuwe veroordeling worden ingediend, terwijl toewijzing van de vordering onomkeerbaar is, ook als verdachte later wordt vrijgesproken. De ernstige bezwaren dragen thans nog een voorlopig karakter en daarbij komt dat zowel in de aanwijzing, de literatuur en de jurisprudentie steun is te vinden voor de opvatting dat de eis van ernstige bezwaren niet per definitie afhankelijk hoeft te worden gesteld van het oordeel van de rechter-commissaris, de raadkamer of de rechtbank zoals door de officier van justitie is betoogd.

De beoordeling

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Het betoog van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vorderingen volgt de rechtbank niet. De vordering van 8 februari 2017 is binnen een week nadat de bewaring van veroordeelde wegens nieuwe feiten is bevolen en dus onverwijld ingediend. Ook bevatte die vordering een grond voor het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten de grond dat veroordeelde zich na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen. Deze onverwijld ingediende vordering is door de officier van justitie vervolgens aangevuld met de vordering die is ingediend ter zitting op 3 oktober 2017.

Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de bij wet aan een dergelijke vordering gestelde eisen.

Daarbij komt dat de opvatting van de raadsman dat, ingeval de vordering niet onverwijld is ingediend dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering, naar het oordeel van de rechtbank geen steun vindt in de wet. De wet verbindt geen rechtsgevolg aan de niet-naleving van voormeld voorschrift, terwijl een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie evenmin voortvloeit uit de aard van het desbetreffende voorschrift (vergelijk ECLI:NL:HR:2014:2647).

De rechtbank stelt daarom vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering.

Beoordeling van de rechtbank

Gelet op de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast. Veroordeelde bevond zich voorafgaande aan het vonnis van 29 april 2016 in verzekering en voorlopige hechtenis, namelijk in de periode van 29 april 2015 tot en met 13 mei 2015 en van 15 juni 2015 tot en met 9 november 2015. Tijdens de onderbrekingen was sprake van schorsingen van die voorlopige hechtenis. Blijkens het vonnis van 29 april 2016 is de tijd die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, op de opgelegde vrijheidsstraf in mindering gebracht. Op 26 januari 2017 is veroordeelde wederom aangehouden op verdenking van (nieuwe) strafbare feiten, zoals naar voren gekomen tijdens het onderzoek ‘[naam onderzoek]’. Thans bevindt veroordeelde zich in voorlopige hechtenis voor die feiten. Zowel de rechter-commissaris als de raadkamer bij de beslissingen tot bewaring, respectievelijk gevangenhouding en nadien deze rechtbank op 18 juli 2017 hebben geoordeeld dat sprake is van ernstige bezwaren voor een aantal feiten op de vordering tot inbewaringstelling . Deze ernstige bezwaren zien onder meer op feiten die zouden zijn begaan gedurende de periode dat veroordeelde zich in verzekering en voorlopige hechtenis bevond voorafgaande aan het vonnis van 29 april 2016. De rechtbank wijst daarbij onder andere op de feiten die zouden zijn begaan in de periode van 17 maart 2015 tot en met 26 januari 2017 (feit 1) en op 26 september 2015, 4 november 2015 en in de periode van 29 maart 2015 tot en met 12 januari 2017 (feit 3). Daarmee is voldaan aan de vereisten die artikel 15d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht stelt. Immers, gelet op die ernstige bezwaren, is gebleken dat veroordeelde zich ernstig heeft misdragen tijdens de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht op de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht. Nu aan de vereisten die de wet stelt is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van de vordering, anders dan door de verdediging is betoogd, niet prematuur is.

De rechtbank zal de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling daarom toewijzen. De rechtbank kan daarbij niet bepalen op welk tijdstip de veroordeelde in vrijheid dient te worden gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 15f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, nu dit tijdstip, gelet op het verloop van de executie tot nu toe, thans niet bekend is.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering toe en bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel achterwege wordt gelaten.

Deze beslissing is genomen door mr. J.C. van den Bos, mr. R.A. Otter en mr. J.C.M. Swinkels, in tegenwoordigheid van mr. R.C.M. Martens en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2017.