Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11219

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2184
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afkeuring en terugvordering pgb 2013 naar aanleiding van administratief vooronderzoek.

Betrokkene heeft niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Zorgkantoor was in beginsel bevoegd pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De rechtbank acht het bezwaar van betrokkene ook gericht tegen de subsidiebeschikking en is van oordeel dat het zorgkantoor ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De in beroep door het zorgkantoor gemaakte belangenafweging volgt de rechtbank niet. Omdat niet in geschil is dat het hier gaat om AWBZ-zorg, die in 2013 is verleend door de zorgverleenster (moeder) aan betrokkene (haar minderjarig kind), dat in de gecorrigeerde belastingaanslag van de zorgverleenster het bedrag aan verleende pgb is aangemerkt als ‘inkomsten uit overige werkzaamheden, dat pas in 2014 een ‘bewust keuze’-gesprek’ heeft plaatsgevonden en het pgb over 2014 wel is goedgekeurd, ziet de rechtbank aanleiding de terugvordering over 2013 vast te stellen op nihil.

Wetsverwijzingen
Regeling subsidies AWBZ 2.6.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/2184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger] ,

(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Gezer).

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (de Staat)

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2014 (de beschikking administratief vooronderzoek) heeft verweerder de verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget (pgb) van eiser over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 afgekeurd en de kosten ten bedrage van € 12.606,00 afgewezen.

Bij besluiten van 18 september 2014 (de verantwoordingsbeschikkingen) heeft verweerder de verantwoording over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 en over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 afgekeurd naar aanleiding van het administratief vooronderzoek.

Bij besluit van 19 september 2014 (de beschikking subsidievaststelling pgb) heeft verweerder het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 12.606,00 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 5 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de beschikking administratief vooronderzoek mede gericht geacht tegen de verantwoordingsbeschikkingen van 18 september 2014.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt voor wat betreft het aandeel van de bestuursrechter hierin.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn vader, [wettelijk vertegenwoordiger] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Partijen hebben vervolgens nadere reacties ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek op 15 november 2017 gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 10 december 2012 heeft verweerder aan eiser, geboren op [geboortedatum] , op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) voor persoonlijke verzorging van € 12.606,00 toegekend. Bij dit besluit zijn de aan dit pgb verbonden verplichtingen opgenomen.

1.3

Eiser heeft in augustus 2013 een verantwoording over het eerste halfjaar van 2013 ingediend. Hierop is vermeld dat € 6.251,20 aan de zorgverleenster [zorgverleenster] , de moeder van eiser, is betaald. In februari 2014 heeft eiser een verantwoording over het tweede halfjaar van 2013 ingediend, waarop is vermeld dat € 6.354,80 aan de zorgverleenster is betaald.

1.4

Bij de beschikking administratief vooronderzoek van 18 september 2014 heeft verweerder het over 2013 verantwoorde bedrag van € 12.606,00 afgekeurd naar aanleiding van een administratief vooronderzoek. Uit die administratief vooronderzoek was immers gebleken dat eiser niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.

1.5

Bij de verantwoordingsbeschikkingen van 18 september 2014 heeft verweerder het over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 verantwoorde bedrag van €12.606,00 afgekeurd naar aanleiding van het administratief vooronderzoek.

1.6

Bij de beschikking subsidievaststelling pgb van 19 september 2014 heeft verweerder het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op nihil en € 12.606,00 van eiser teruggevorderd. Daarbij is overwogen dat de door eiser ingezonden verantwoording niet is geaccepteerd.

1.7

Eiser heeft bij brief van 14 oktober 2014, door verweerder ontvangen op 22 oktober 2015, bezwaar gemaakt. Bij het bezwaarschrift heeft eiser de zorgovereenkomst 2013 gevoegd.

1.8

Bij e-mail van 21 mei 2015 en bij brief van 22 mei 2015 heeft verweerder eiser naar aanleiding van het bezwaar meegedeeld dat het bezwaar, ondanks het ontbreken van bankafschriften, gegrond kan worden verklaard, indien de aangifte inkomstenbelasting 2012 en de definitieve aanslag 2013 van de belastingdienst kan worden overgelegd, waaruit blijkt welke inkomsten uit het pgb zorgverleenster [zorgverleenster] specifiek heeft opgegeven bij de belastingdienst. Coulancehalve worden de bankafschriften dan buiten beschouwing gelaten. Eiser heeft daarvoor een termijn tot 4 juni 2015 gekregen. Voorts is in de email vermeld dat indien deze gegevens niet tijdig worden aangeleverd, het zorgkantoor genoodzaakt om de beslissing te nemen op basis van de aanwezige informatie. Verweerder heeft de gevraagde informatie echter niet binnen de gestelde termijn van eiser ontvangen. Op 19 juni 2015 heeft eiser alsnog de aangifte inkomstenbelasting 2013 en 2014 van zorgverleenster [zorgverleenster] aan verweerder opgestuurd. Verweerder heeft daarop geantwoord bij e-mail van 22 juni 2015 dat de beslissing pas kan worden heroverwogen, als de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2013 van de belastingdienst is overgelegd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de besluiten van 18 september 2014 gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat gelet op de inhoud van de verleende zorg en het indicatiebesluit de persoonlijke verzorging AWBZ-zorg betreft en daarom uit het pgb mag worden betaald. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wettelijke vertegenwoordiger van eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om het pgb over het jaar 2013 deugdelijk te verantwoorden. Er was geen geldige zorgovereenkomst opgesteld over het jaar 2013, de zorgovereenkomst 2013 is pas achteraf opgesteld. Verder zijn er geen declaratieformulieren of urenbriefjes bijgehouden en er hebben geen girale betalingen aan de zorgverleenster plaatsgevonden. Er is dan ook niet voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder sub c en sub j, van de Rsa. Voorts is pas achteraf, in 2015, nadat het zorgkantoor daarom had gevraagd, belastingaangifte gedaan over het inkomen uit het pgb over het jaar 2013 van zorgverleenster [zorgverleenster] . Bovendien is het inkomen uit het pgb bij de belastingaangifte niet is opgegeven als ‘inkomen uit overig werk’ maar als een soort onkostenvergoeding. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding gezien alsnog het bedrag van € 12.606,00 goed te keuren. Verweerder meent dat de gevolgen van het niet kunnen verantwoorden van het pgb voor rekening en risico van eiser dienen te komen.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd aan dat nu vast staat dat de verleende zorg medisch noodzakelijk is en daadwerkelijk verleend is, verweerder de verantwoording van de besteding van het pgb niet had mogen afkeuren. De wettelijke vertegenwoordiger is zich ervan bewust dat over het jaar 2013 niet op de voorgeschreven wijze verantwoording is afgelegd, maar dit mag er niet toe leiden dat deze zorg onbetaald wordt gelaten. Uit vaste rechtspraak kan worden afgeleid dat als vaststaat dat de zorg daadwerkelijk is verleend, de budgethouder alsnog de gelegenheid wordt gesteld in beroep of zelfs in hoger beroep met een deugdelijke verantwoording te komen (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635). Dat verweerder hiernaar handelt blijkt uit e-mails van verweerder van 21 mei 2015 en van 22 juni 2015, waaruit kan worden afgeleid dat de beslissing herzien zou worden op het moment dat het fiscale traject was afgerond. In bezwaar is het, in verband met het indienen van een gewijzigde aangifte, niet gelukt de definitieve aanslag 2013 te overleggen, maar in beroep is de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2013 van 20 april 2016 alsnog overgelegd. Bij die aanslag is het inkomen uit het pgb als ‘inkomsten uit overige werkzaamheden’ aangemerkt. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder over het jaar 2014, waarin ook niet op de juiste wijze was verantwoord, heeft besloten een en ander door de vingers te zien. In het kader van een evenredige belangenafweging, in een geval als het onderhavige waarin vast staat dat de benodigde zorg daadwerkelijk is verleend en geen sprake is van fraude, dient verweerder coulant te zijn. Voorts heeft eiser er nog gewezen dat in 2013 geen bewuste keuzegesprek, waarbij het zorgkantoor uitleg geeft wat een pgb is en wat de verplichtingen daarbij zijn, is geweest. Eiser heeft nog verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en de noot van M.F. Vermaat. Voorts heeft eiser gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en dat recht bestaat om immateriële schadevergoeding.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zonder deugdelijke administratie niet gecontroleerd kan worden of het pgb is gebruikt om aan de zorgverleenster te betalen. Daarbij dient de zorg achteraf te worden betaald en niet vooraf. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2016, AMS 16/2275. Voorts heeft verweerder gesteld dat eiser aan de inhoud van de e-mail van 21 mei 2015 niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat als hij de belastingaangifte en belastingaanslag over 2013 heeft ingediend, het bezwaar gegrond zal worden verklaard. In de e-mail wordt immers gemeld dat het bezwaar gegrond kan worden verklaard. Nu de administratie van eiser op meerdere aspecten gebreken vertoont, leidt het in beroep alsnog overleggen van een definitieve aanslag niet tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat in 2014 wel is voldaan aan het vereiste van girale betalingen in tegenstelling tot het jaar 2013.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de zorgovereenkomst voor 2013 achteraf is opgesteld, dat geen declaratieformulieren of urenbriefjes zijn overgelegd en dat geen girale betalingen over 2013 aan de zorgverleenster hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. De wettelijke vertegenwoordiger van eiser wordt geacht bekend te zijn met deze verplichtingen, te meer nu in de toekenningsbeschikking pgb voor het jaar 2013 deze verplichtingen zijn opgenomen.

5.2

Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de definitieve belastingaangifte over 2013 pas achteraf is opgesteld en niet tot een deugdelijke verantwoording kan leiden, omdat overeind blijft dat de zorgovereenkomst 2013 pas achteraf is opgesteld en er geen urenbriefjes zijn overgelegd. Voor zover eiser naar aanleiding van de e-mails van verweerder van mei en juni 2015 een beroep doet op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit beroep niet kan slagen, omdat daaruit geen ongeclausuleerde en ondubbelzinnige toezegging blijkt dat de verantwoording bij het indienen van de definitieve belastingaanslag 2013 geaccepteerd zou worden.

5.3

Voorts heeft verweerder genoegzaam toegelicht dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie met het jaar 2014, omdat in 2014 wel girale betalingen zijn gedaan aan de zorgverlener.

5.4

Omdat de verplichtingen verbonden aan het ontvangen van een pgb niet zijn nageleefd, kan niet worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, eiser de ontvangen pgb daadwerkelijk heeft gebruikt voor het inkopen van AWBZ-zorg. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beginsel bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

6.1

De rechtbank heeft na de zitting van 11 april 2017 aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft verweerder verzocht aan te geven waarom in deze zaak geen belangenafweging ex artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich hieromtrent op het standpunt gesteld dat noch in het beroepschrift noch in het aanvullend beroepschrift wordt verwezen naar het besluit van 19 september 2014 en dat eiser zich in bezwaar niet heeft verzet tegen het feit dat het bezwaarschrift werd gericht geacht tegen de beschikking administratief vooronderzoek.

Omdat slechts bezwaar is gemaakt tegen de beschikking administratief vooronderzoek en niet tegen de verantwoordingsbeschikkingen dan wel de vaststellingsbeschikking, was verweerder niet gehouden het bezwaar tegen deze beschikkingen gericht te achten. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 14 december 2016, ECLI:NL: CRVB:2016:4641. De vermelding in het bestreden besluit dat het bezwaar mede is gericht tegen de verantwoordingsbeschikkingen is eigenlijk niet juist.

6.2

Het standpunt van verweerder gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De beschikking administratief vooronderzoek en de verantwoordingsbeschikkingen dateren van 18 september 2014 en de beschikking subsidievaststelling pgb van één dag later, te weten 19 september 2014. In het bezwaarschrift van eiser wordt geen van deze besluiten expliciet genoemd. Wel blijkt uit het bezwaarschrift duidelijk dat eiser zich niet kan vinden in de terugvordering, die wordt vastgesteld bij de beschikking subsidievaststelling pgb. Eiser eindigt zijn bezwaarschrift namelijk met de hoop dat de vordering teniet wordt verklaard, zodat zij niet in de financiële problemen komen. Verweerder heeft vervolgens nagelaten aan eiser te vragen tegen welke besluiten het bezwaar is gericht. Aan het enkele feit dat verweerder het bezwaar heeft gericht geacht tegen de beschikking administratief vooronderzoek en eiser zich daartegen niet heeft verzet, kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. Dit geldt te meer nu van eiser, die in bezwaar nog niet werd bijgestaan door een professionele gemachtigde, niet kon worden verwacht welke consequenties dat voor zijn procedure zou hebben. Ook het feit dat in het beroepschrift niet expliciet wordt verwezen naar de beschikking subsidievaststelling pgb maakt dit niet anders. In het beroepschrift wordt immers wel gewezen op een evenredige belangenafweging, hetgeen alleen aan de orde is bij de subsidievaststelling. Bovendien hangt de beschikking subsidievaststelling pgb van 19 september 2014 nauw samen met de beschikking administratief vooronderzoek, nu reeds daarin is vermeld dat de afgewezen kosten in mindering worden geacht op het totaal van de verantwoording over 2013 en het bedrag dat niet aan zorg is besteed, wordt verrekend of teruggevorderd. Beide beschikkingen hebben betrekking op de eindverantwoording van het pgb over het subsidiejaar 2013 en de afgewezen bedragen komen met elkaar overeen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het kader van rechtsbescherming in dit geval het bezwaar en beroep van eiser mede gericht dient te worden geacht tegen de beschikking subsidievaststelling pgb.

6.3

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in de zin van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, waardoor het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

7.1

De rechtbank zal vervolgens beoordeling of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

7.2

Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld de belangen van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen in dit geval dienen te prevaleren boven het belang van eiser, omdat niet is aangetoond dat het pgb, conform de geldende regels, aan AWBZ-zorg is besteed. De wettelijke vertegenwoordiger van eiser heeft als budgethouder van het pgb de verplichting om het pgb aan kwalitatief verantwoorde zorg te besteden, een juiste verantwoording hiervan af te leggen en juiste informatie te verstrekken aan het zorgkantoor, zodat het zorgkantoor volgens de daartoe vastgestelde objectieve criteria kan bepalen of de zorg waarvoor het pgb is verstrekt ook daadwerkelijk is verleend. Eiser heeft niet aangetoond dat het toegekende pgb over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, conform de geldende regels, is besteed aan de inkoop van AWBZ-zorg. De niet nakoming van de uit de pgb voortvloeiende verplichtingen komt voor rekening en risico van de budgethouder. In het geval van eiser vertoont de administratie dusdanige gebreken, de zorgovereenkomst is aantoonbaar achteraf opgesteld, de gewerkte uren zijn niet bijgehouden, de pgb-voorschotten zijn niet na afloop van de maand waarin de zorg is geleverd naar [zorgverleenster] overgemaakt, de administratie is onsamenhangend, dat het overleggen van een aangifte- en definitieve aanslag inkomstenbelasting 2013 niet kan leiden tot goedkeuring van de verantwoorde kosten.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij bovengenoemde belangenafweging ten onrechte verzuimd de volgende in deze zaak aan de orde zijnde omstandigheden voldoende in de beoordeling te betrekken. Het gaat hier om een situatie waarin niet in geschil is dat de zorg is verleend door de ouder, die tevens zorgverlener is.

Het feit dat het pgb over het jaar 2014 is goedgekeurd, is ook een aanwijzing dat de benodigde zorg ook in 2013 daadwerkelijk door de zorgverleenster, de moeder, is verleend.

Voorts valt uit de in beroep overgelegde belastingaanslag 2013 af te leiden dat de belastingdienst akkoord is gegaan met de door de zorgverleenster [zorgverleenster] gewijzigde belastingaangifte en dat zij € 12.606,00 uit het pgb van eiser heeft ontvangen. Daarbij komt dat een ‘bewust keuzegesprek’ in 2013 heeft niet plaatsgevonden. Pas in 2014 is tijdens een huisbezoek de pgb-regeling en de daarbij horende verplichtingen uit de Rsa uitgelegd aan de zorgverlener van eiser.

7.4

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de bijzondere individuele omstandigheden, niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank leidt voorts uit de gedingstukken af dat genoegzaam is aangetoond dat in 2013 aan [zorgverleenster] € 12.606,00 is uitbetaald ter zake van relevante AWBZ-zorg. De rechtbank ziet aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en het teruggevorderde bedrag aan pgb voor 2013 vast te stellen op nihil.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Voor toekennen van een half punt voor de reactie na heropening van het onderzoek bestaat geen aanleiding.

Verzoek schadevergoeding redelijke termijn

9.1

Eiser heeft aanspraak gemaakt op schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

9.2

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

9.3

Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

9.4

In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. In dit geval is er geen aanleiding van deze termijn af te wijken. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dat een hoger bedrag aan de orde zou zijn, zoals door eiser betoogd is, volgt de rechtbank niet.

9.5

De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Het bezwaarschrift is ontvangen op 22 oktober 2014. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 3 jaar en ruim 2 maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiser heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure in eerste aanleg meer dan twee jaren zou mogen bedragen. Daarmee is de redelijke termijn met 14 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,-.

9.6

De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn aan het bestuurlijke fase onderscheidenlijk de rechterlijke fase bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Van het tijdsverloop van 38 maanden kan een periode van bijna 17 maanden, te weten vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de beslissing op bezwaar, worden toegerekend aan de bezwaarfase en een periode van 21 maanden, te weten vanaf de beslissing op het bezwaar tot de uitspraak van de rechtbank worden toegerekend aan de beroepsfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet dan ook een periode van (17–6 =) 11 maanden worden toegerekend aan verweerder en een periode van (21–18 =) 3 maanden aan de Staat. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 1.500,00 11/14 deel te betalen, te weten € 1.178,57 en de Staat 3/14 deel, te weten € 321,43.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de beschikking subsidievaststelling pgb;

  • -

    stelt het terugvorderingsbedrag pgb 2013 vast op nihil en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade ten bedrage van € 321,43;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade ten bedrage van € 1.178,57;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrag van € 990,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 46,00 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.