Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:11181

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1624
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak; met nadere toelichting voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat niet is uitgesloten dat er nog ontwikkelmogelijkheden zijn; op dit moment (nog) niet gebleken van 'duurzaamheid' zoals op basis Wajong 2015 vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/8 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1624

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ritsma).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 11 april 2017 een tussenuitspraak gedaan. In die tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderbouwing van het standpunt van verweerder dat het ontbreken van arbeidsmogelijkheden bij eiseres niet duurzaam is, te algemeen was en onvoldoende gericht op de persoon van eiseres en haar specifieke omstandigheden. Daarnaast kon niet uit de diverse onderzoeken worden afgeleid of de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in gezamenlijk overleg hadden vastgesteld of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was te achten. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat een op latere heronderzoeken gerichte verantwoording ontbrak.

3. Verweerder heeft van de gelegenheid om het gebrek te herstellen gebruik gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 21 april 2017 een nader rapport uitgebracht. Vervolgens hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 10 mei 2017 gezamenlijk nader gerapporteerd.

In de rapportage van 10 mei 2017 wordt opgemerkt dat eiseres beperkt geacht wordt ten aanzien van het zelfstandig ondernemen van een taak, het uitvoeren van routinehandelingen, communiceren en interacties/relaties aangaan. Als gevolg daarvan beschikt zij niet over basale werknemersvaardigheden. Zij is momenteel nog niet voldoende in staat om instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en niet voldoende in staat om afspraken met een werkgever na te komen. Zij is echter wel leerbaar en kan vaardigheden ontwikkelen. Dat heeft eiseres laten zien in de begeleide woonvorm waar zij al enkele jaren woont en het blijkt ook uit het evaluatieverslag dat is opgemaakt van haar werk, onder intensieve begeleiding, in een cadeauwinkel in het kader van dagbesteding. Sociaal-emotioneel functioneert zij op een laag niveau, maar haar cognitieve en verbale vermogens zijn voldoende. Een verbetering van de belastbaarheid en of het aanleren van bekwaamheden is dan ook niet uit te sluiten. De genoemde beperkingen kunnen daarmee mogelijk afnemen en in een toekomstige beschutte werkomgeving kan met deze beperkingen rekening worden gehouden door middel van intensieve begeleiding. Het ontbreken van arbeidsvermogen is dan ook niet duurzaam.

4. In de zienswijze wordt aangevoerd dat de nadere motivering uitermate hypothetisch is. Eiseres meent dat het antwoord op de vraag of er ontwikkelmogelijkheden zijn beter door een specialist kan worden beantwoord dan door een generalist. Om die reden verzoekt eiseres om inschakeling van een deskundige; ter zitting heeft zij in dat kader een beroep op het arrest Korosec gedaan. Eiseres heeft zich verder beroepen op strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij wijst er in dat verband op dat vaststaat dat zij een indicatie voor dagbesteding heeft en dat verweerder dat gegeven doorslaggevend acht in het kader van de beoordeling van de duurzaamheid ten aanzien van personen die voor 1 januari 2015 al in de Wajong zijn gekomen. Ook wijst zij er op dat die groep op dit moment ook aan het nieuwe criterium wordt getoetst in het kader van een mogelijke verlaging van 5% per 1 januari 2018.

5. Gezien het beroep van eiseres op het arrest Korosec zal de rechtbank oordelen aan de hand van de stappen die te onderscheiden zijn in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2993).

Stap 1: de zorgvuldigheid van de besluitvorming

5.1

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek (inmiddels) voldoende zorgvuldig is geweest. Op 13 augustus 2015 heeft arbeidsdeskundige [naam 1] gesproken met eiseres en haar vader, op 17 augustus 2015 met haar vader, op 25 augustus telefonisch met de cliëntbegeleider van eiseres en met de gezinsouder van het gezinshuis waar eiseres woont.

De verzekeringsarts heeft eiseres op 21 september 2015 op het spreekuur gezien, waar ook de vader van eiseres aanwezig was, en heeft de beschikbare informatie bestudeerd. Het gaat daarbij om een behandelplan van 25 april 2012 en een behandelplan van Lijn5 uit 2013.

Arbeidsdeskundige [naam 2] heeft op 29 september 2015 telefonisch gesproken met de gezinsouder en de vader van eiseres en heeft de gespreksverslagen van arbeidsdeskundige [naam 1] bij zijn onderzoek betrokken.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zo blijkt uit de rapportage van 25 februari 2016, de dossiergegevens bestudeerd en is aanwezig geweest bij de hoorzitting op 22 februari 2016. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep was bij de hoorzitting aanwezig, waar werd gesproken met eiseres, haar vader en de gezinsouder. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 maart 2016 blijkt verder dat hij heeft overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar niet wat daar is besproken.

Na de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts op 21 april 2017 een nadere rapportage opgesteld, waarin op de tussenuitspraak wordt ingegaan. Verder is de gezamenlijke rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgesteld, waarin een nadere motivering van het in het bestreden besluit opgenomen standpunt dat het ontbreken van arbeidsmogelijkheden bij eiseres niet duurzaam is. Daarbij wordt concreet ingegaan op de persoon van eiseres en haar omstandigheden. Ook bevat de rapportage een op latere heronderzoeken gerichte verantwoording.

Stap 2: equality of arms

5.2

De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres op het Korosec-arrest aldus, dat in de beroepsfase geen evenwicht heeft bestaan tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen over de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsmogelijkheden bij eiseres. Daarom zou een deskundige moeten worden benoemd. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres voldoende mogelijkheden heeft gehad om nadere informatie in te brengen; zij heeft daarvan ook gebruik gemaakt. De verzekeringsartsen hebben de door eiseres ingebrachte rapporten bij de beoordeling betrokken. Daarnaast heeft eiseres tijdens de beroepsprocedure een brief van 3 juni 2016 van de behandelend orthopedagoog/GZ-psycholoog ingebracht, waarop namens verweerder is gereageerd. Van gebrek aan evenwicht in mogelijkheden bewijsmateriaal aan te dragen is dan ook geen sprake geweest. Voor het benoemen van een deskundige ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met hun gezamenlijke rapportage van 10 mei 2017 inmiddels voldoende en inzichtelijk gemotiveerd, in een gezamenlijk overleg en op basis van een (meer) concrete afweging van de feiten en omstandigheden die bij eiseres, als individu, aan de orde zijn, dat niet is uitgesloten dat er nog ontwikkelmogelijkheden zijn bij eiseres waardoor arbeidsmogelijkheden kunnen ontstaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat het er niet om gaat of eiseres ooit in een ‘normale werksetting’ zal kunnen werken, waarvan de behandelend orthopedagoog/GZ-psycholoog van Esdégé-Reigersdaal in zijn brief van 3 juni 2016 lijkt uit te gaan; het kan ook een beschutte werkplek betreffen.

De rechtbank ziet daarom ook op inhoudelijk vlak geen reden een deskundige te benoemen.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien het voorgaande van ‘duurzaamheid’, zoals op basis van de regelgeving vanaf 1 januari 2015 vereist voor een Wajong-uitkering, op dit moment (nog) niet is gebleken.

De rechtbank wijst hierbij ook op het bepaalde in artikel 1:1a, tweede en derde lid, van de Wajong 2015 waarin de mogelijkheden staan beschreven om op termijn alsnog als jonggehandicapte te worden aangemerkt: als iemand op zijn 18e verjaardag als gevolg van ziekte of gebrek geen arbeidsmogelijkheden had, en in die situatie is gedurende een tijdvak van 10 jaren daarna geen verandering gekomen, dan gaat de wetgever uit van de fictie dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam ontbreken.

6. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Een vergelijking met de groep die al een (oude) Wajong-uitkering had vóór de invoering van de Wajong 2015 gaat niet op omdat beide gevallen niet - in rechtens relevante zin - gelijk zijn.

7. Het voorgaande betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarden om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen en dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen.

8. Nu het bestreden besluit een gebrek bevatte dat pas met de nadere toelichting na de tussenuitspraak is hersteld, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Auwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.