Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10845

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
5937623
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wie was de werkgever van werknemer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5937623 \ CV EXPL 17-4043

Uitspraakdatum: 11 oktober 2017

Vonnis in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. T.D. Hendriks (DAS)

tegen

Hoogenboom's Bewakingsdienst B.V.

gevestigd te Badhoevedorp

gedaagde

verder te noemen: HB

gemachtigde: mr. S.C. de Lange

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft bij dagvaarding van 3 april 2017 een vordering tegen HB ingesteld. HB heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 13 september 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is op 1 november 2008 in dienst getreden bij de Hollandse Beveiligingscombinatie NVD HB (HBC). HBC is een samenwerkingsverband van NVD en HB. HB hield 50% van de aandelen van HBC.

2.2.

HBC kwam begin 2016 in zwaar weer te verkeren toen zij een grote opdracht verloor. HBC heeft [werknemer] op 29 maart 2016 aangeboden dat hij in dienst kon komen van HB, maar wel op basis van een arbeidsovereenkomst voor 120 uur in plaats van 137 uur per periode. [werknemer] heeft dit aanbod niet geaccepteerd.

2.3.

Op 24 mei 2016 is HBC failliet verklaard. De arbeidsovereenkomst van [werknemer] is dezelfde dag opgezegd door de curator. UWV heeft vervolgens een faillissementsuitkering uitgekeerd aan [werknemer] en aansluitend ontving hij een WW-uitkering.

2.4.

[werknemer] heeft vanaf mei 2013 werkzaamheden verricht bij HB. HB bepaalde wanneer en waar [werknemer] werkte. [werknemer] ontving roosters en opdrachten van HB. Op de loonstroken stond HBC als werkgever.

3 De vordering in hoofdzaak en incident

3.1.

[werknemer] vordert in de hoofdzaak dat de kantonrechter:
-voor recht verklaart dat [werknemer] in dienst is bij HB;
-HB veroordeelt tot het verschaffen van de toegang aan [werknemer] tot de werkvloer en het aanbieden van de overeengekomen werkzaamheden, binnen 72 uur na het wijzen van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat HB te laat is om de arbeid aan te bieden;
-HB veroordeelt tot betaling van € 1.779,53 per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag vanaf mei 2016 tot en met het rechtsgeldig einde van het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
-HB veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure.

3.2.

[werknemer] vordert in het incident dat de kantonrechter:
--HB veroordeelt tot het verschaffen van de toegang aan [werknemer] tot de werkvloer en het aanbieden van de overeengekomen werkzaamheden binnen 72 uur na het wijzen van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat HB te laat is om de arbeid aan te bieden;

-HB veroordeelt tot betaling van € 1.779,53 per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag vanaf mei 2016 tot en met het rechtsgeldig einde van het dienstverband;
-HB veroordeelt tot betaling van de kosten van de procedure.

3.3.

[werknemer] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat HB vanaf mei 2013 de feitelijk werkgever was van [werknemer] , en niet HBC. [werknemer] ontving van HB opdrachten en ook reprimandes. [werknemer] doet een beroep op het Albronarrest, Hoge Raad 5 april 2013, BZ1780.

4 Het verweer in hoofdzaak en incident

4.1.

HB betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat [werknemer] altijd in dienst is geweest bij HBC. HBC heeft [werknemer] gedetacheerd aan HB. HBC is altijd de werkgever van [werknemer] gebleven, er is geen nieuwe arbeidsovereenkomst opgemaakt en de loonstroken stonden ook op naam van HBC. Er is juridisch geen verschil tussen “feitelijk” werkgever of “formele” werkgever. Er is geen sprake van overgang van onderneming. Het Albronarrest is dan ook niet van toepassing op de onderhavige zaak.

5 De beoordeling in hoofdzaak en incident

5.1.

[werknemer] is in 2008 in dienst getreden bij HBC en heeft werkzaamheden voor HBC verricht. Na mei 2013 heeft [werknemer] in opdracht van HBC werkzaamheden verricht bij HB. HBC betaalde het loon van [werknemer] uit. HB heeft ter zitting toegelicht dat er ten aanzien van [werknemer] sprake was van een bijzondere situatie, aangezien hij, in afwijking tot de meeste van zijn collega’s bij HBC, niet ingezet kon worden op het enige beveiligingsproject dat HBC vanaf mei 2013 had. Dit is door [werknemer] niet betwist. Toen HBC dit project verloor aan een concurrent, gingen de werknemers van HBC die werkzaam waren op dat project over naar de concurrent, conform de daarvoor geldende regels. Omdat [werknemer] werkzaam was bij projecten van HB kwam hij niet in aanmerking om in dienst te komen bij de concurrent.

5.2.

In tegenstelling tot hetgeen [werknemer] stelt, leidt dit niet tot de conclusie dat [werknemer] in dienst is getreden bij HB. Het Albronarrest is niet van toepassing, omdat ten aanzien van de werkzaamheden van [werknemer] geen sprake was van overgang van onderneming. [werknemer] is voorts door HBC slechts gedetacheerd geweest bij HB. Nog los van het antwoord op de vraag of een stilzwijgende overgang van de ene werkgever naar de andere werkgever mogelijk is, wordt dit weersproken door het feit dat HBC het loon van [werknemer] is blijven uitbetalen. [werknemer] was dan ook tot aan het faillissement van HBC in dienst bij HBC.

5.3.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [werknemer] in de hoofdzaak zal afwijzen.

5.4.

Nu in dit vonnis al een eindbeslissing wordt gegeven over de vordering van [werknemer] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding en het geding eindigt reeds met dit vonnis.

5.5.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor HB worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 aan salaris van de gemachtigde van HB.

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

in het incident

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de proceskosten in het incident, die tot en met vandaag voor HB worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.T. Hoogland en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter