Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10840

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
5715540
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek art. 4:194a lid 1 BW afgewezen. Schulden behoorden bekend te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0104
ERF-Updates.nl 2018-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaaknr.: 5715540 \ EJ VERZ 17-69

datum uitspraak: 27 september 2017

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker sub 1]

wonende te [woonplaats]
en
[verzoeker sub 2]
wonende te [woonplaats]

en
[verzoeker sub 3]
wonende te [woonplaats]
verzoekers

hierna [verzoeker] te noemen

gemachtigde: mr. M. Hogenes

Belanghebbenden:
[belanghebbenden]

Verzoekers hebben het verzoek in hun hoedanigheid van erfgenamen gedaan.

Het verzoek betreft de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1969 en overleden te [plaats] op
[datum] 2016. Laatst gewoond hebbende te [woonplaats] . Hierna ook te noemen: erflater.

1 De procedure

1.1.

Op 16 december 2016 is ter griffie het verzoekschrift ontvangen van [verzoeker] dat strekt tot machtiging om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te mogen aanvaarden.

1.2.

Op 29 augustus 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De belanghebbenden zijn, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [verzoeker] ter toelichting van zijn standpunten naar voren heeft gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft mr. Hogenes bij brief, ontvangen op 4 april 2017, nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd en geen geregistreerd partner.

2.2.

Uit de verklaring uit het Centraal Testamenten Register blijkt dat erflater niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt.

2.3.

Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoek van verzoekers is gebaseerd op artikel 4:194a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond hiervan wordt een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair aanvaarden.

3.2.

Nu erflater niet bij uiterste wilsbeschikking over zijn nalatenschap heeft beschikt, is het erfrecht bij versterf van toepassing. Vaststaat dat alle erfgenamen zuiver hebben aanvaard. Erflater is op 4 november 2016 overleden en het verzoek is op 16 december 2016 ontvangen, zodat het verzoek tijdig is ingediend.

3.3.

Verzoekers hebben aangevoerd dat de notaris, mr. Hogenes, tegen hen heeft gezegd dat er geen schulden waren en dat ze de nalatenschap zuiver konden ervaren. Er was een positief banksaldo van circa € 6.000,00. Bij verzoekers waren ten tijde van het overlijden van erflater naar hun zeggen geen schulden bekend. Zij hebben daarom de nalatenschap, op aanraden van mr. Hogenes, zuiver aanvaard. Na circa vijf weken ontdekten verzoekers dat erflater in een schuldhulpverlenerstraject zat en zijn schulden, bij meerdere schuldeisers, voor zover bekend € 5.767,96 bedragen.

3.4.

Uit artikel 4:194a BW volgt dat de uitzonderingsclausule van dit artikel alleen bescherming biedt voor schulden die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het BW (artikel 3:11 BW). Goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij als niet te goeder trouw worden aangemerkt.

3.5.

De kantonrechter stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat verzoekers de schulden van erflater niet kende op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardden. Vervolgens is de vraag of zij de schulden behoorden te kennen.

3.6.

Uit de parlementaire geschiedenis van voornoemd wetsartikel volgt dat bij invulling van hetgeen een erfgenaam ‘behoorde te kennen’, het erom gaat wat hij redelijkerwijze had kunnen weten. Op grond van de wet rust op de erfgenaam de verplichting om de nalatenschap af te wikkelen. Onderdeel van de afwikkeling is het betalen van alle schulden. Om deze te kunnen betalen, zal de erfgenaam moeten weten welke schulden er zijn. Daarvoor is ten minste nodig dat hij de administratie van de erflater moet hebben geraadpleegd. In de situatie dat een erflater niet of nauwelijks een administratie voerde, rust op een erfgenaam de verplichting om nader onderzoek te doen naar de schulden van erflater.

3.7.

Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat de staat van de woning van erflater bedroevend was. Er was veel papier, maar verzoekers konden niet thuisbrengen wat wat was. Er was geen (op begrijpelijke wijze bijgehouden) administratie.

3.8.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat verzoekers de schulden behoorden te kennen. Zij hebben geen nader onderzoek gedaan naar mogelijke schulden van erflater, terwijl zij daartoe wel verplicht waren. Indien er geen (duidelijke) administratie van erflater is te vinden, dienen erfgenamen niet zuiver te aanvaarden. Daarbij komt ook nog dat, gelet op de staat van de woning en de geschiedenis van erflater, er onmiskenbaar reden toe was om onderzoek te doen naar schulden. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

6 Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.