Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1077

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
C/15/242730 / FA RK 16-2681
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man verzoekt om nihilstelling van de door hem aan de vrouw te betalen partnerbijdrage aangezien sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vraag is of de vrouw nog behoefte heeft aan een partnerbijdrage. Uitgaande van de in de eerdere beschikking vastgestelde behoefte, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw zelf volledig kan voorzien in haar behoefte. Zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat het vermogen van de vrouw sinds 2015 niet is toegenomen en dus € 820.000 bedraagt en rekening houdt met een – door de man niet betwiste - reservering van € 250.000 voor de periode na afloop van de 12jaars alimentatie termijn tot de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw, is naar het oordeel van de rechtbank het vermogen van de vrouw van een zodanige omvang dat van haar mag worden verwacht dat zij op dit vermogen en het eventueel daarop te verkrijgen rendement inteert. Naast het voorzien in haar eigen behoefte, heeft de vrouw nog een vermogen van minimaal € 400.000, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank toereikend is voor de aanschaf van een appartement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/242730 / FA RK 16-2681

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 8 februari 2017

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.H. van Olden, kantoorhoudende te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Bootsma, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties, van de man, ingekomen op 29 april 2016;

- het verweerschrift, met producties, van de vrouw, ingekomen op 28 juni 2016;

- de brief, met producties, van de advocaat van de man van 19 december 2016;

- de brief, met producties, van de advocaat van de vrouw van 22 december 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 januari 2017 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.H. van Olden en de vrouw bijgestaan door mr. M. Bootsma.

Beide partijen hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 13 juli 2010.

2.2

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw

een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 4.463 per maand moet voldoen.

2.3

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van
1 januari 2017 € 4.880,18 per maand.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht voornoemde beschikking te wijzigen in die zin dat de

partnerbijdrage wordt bepaald op nihil dan wel wordt verminderd tot € 804,66 per maand van januari tot maart 2016 en tot € 672,75 per maand vanaf maart 2016.

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

3.2

Voorts heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van hetgeen hij vanaf 1 januari 2016 teveel heeft betaald althans te bepalen dat de man de door hem aan de vrouw teveel betaalde partnerbijdrage inhoudt op / verrekent met de door de man aan de vrouw nog te betalen partnerbijdrage.

Tenslotte heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw de door de man aan het [naam] eventueel verschuldigde opslagkosten en boeten dient te vergoeden.

4 Verweer

De vrouw heeft, met uitzondering van de vergoeding van de opslagkosten en boeten van het [naam] , daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Beoordeling

5.1

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van de eerdere beslissing zijn vastgesteld.

5.2

De rechtbank stelt vast dat uit de huidige relatie van de man op [geboortedatum] een kind is geboren, voor welk kind de man onderhoudsplichtig is. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel die een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw rechtvaardigen.

ingangsdatum

5.3

De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de partnerbijdrage aan bij de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 29 april 2016. Vanaf dat moment heeft de vrouw immers daadwerkelijk rekening kunnen houden met een eventuele verlaging van de partnerbijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om voor de ingangsdatum bij een andere datum aan te sluiten. Op een eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw van teveel ontvangen partnerbijdrage komt de rechtbank later in deze beschikking terug.

5.4

De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.

behoefte vrouw

5.5

Bij beschikking van 13 juli 2010 heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 4.170 netto per maand. De vrouw heeft haar behoefte naar beneden bijgesteld tot € 3.824 netto per maand.

5.6

De stelling van de man dat niet langer sprake is van de aan de partnerbijdrage ten grondslag liggende lotsverbondenheid, volgt de rechtbank niet. Redengevend hiertoe is het volgende. De lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, is één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Het gewicht van de lotsverbondenheid neemt doorgaans toe naarmate het huwelijk langer heeft geduurd. Gelet op de vergaande gevolgen van de beslissing dient de rechter bij het oordeel dat van doorbreking van de lotsverbondenheid sprake is terughoudendheid te betrachten.

Vaststaat dat partijen 23 jaar gehuwd zijn geweest en dat – sedert de al lange tijd bestaande arbeidsongeschiktheid van de vrouw – sprake was van een traditioneel rollenpatroon waarbij de man werkte en de vrouw niet.

5.7

Ten aanzien van de stelling van de man dat in redelijkheid van de vrouw had mogen en kunnen worden verwacht dat zij inmiddels aanvullend in haar eigen levensonderhoud zou voorzien, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat de vrouw voor 45%-55% arbeidsongeschikt is verklaard. In voornoemde beschikking van 13 juli 2010 is overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw tegenover de betwisting door de man niet heeft onderbouwd dat zij in het geheel geen inkomsten uit arbeid meer kan behalen en dat de rechtbank er rekening mee houdt dat zij tot hetzelfde bedrag van € 908 bruto per maand waarvoor zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, in haar eigen behoeft zou moeten kunnen voorzien.

Volgens de vrouw is zij niet in staat in haar eigen onderhoud te voorzien. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij een verklaring van haar huisarts overgelegd van 30 juni 2016 waar in onder meer staat dat de vrouw geestelijk en lichamelijk niet in staat is om te werken en dat de scheidingsmelding haar geestelijk onderuit heeft gehaald; lichamelijk heeft zij veel klachten.

Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling dat zij 100% arbeidsongeschikt is onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om zich bij het UWV te laten herkeuren. Een verklaring van een huisarts is hiertoe onvoldoende. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het redelijk ervan uit te gaan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft gelijk aan het bedrag van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit de overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat de vrouw een WAO-uitkering ontvangt van € 766 netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Uitgaande van dit bedrag te verhogen met de vakantietoeslag, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw met een totaal bedrag van € 1.608 netto per maand wordt geacht in haar behoefte te kunnen voorzien, zodat een aanvullende behoefte resteert van € 2.216 netto per maand.

5.8

Voorts twisten partijen over de vraag in hoeverre bij de berekening van de behoefte van de vrouw rekening dient te worden gehouden met (inkomsten uit) het vermogen van de vrouw.

Vaststaat dat beide partijen in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk € 616.579 hebben ontvangen. Voorts blijkt uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2015 dat het box 3 vermogen van de vrouw in 2015 € 820.184 bedroeg. De man schat het vermogen van de vrouw per 1 januari 2017 op € 908.167 en haar rendement uit vermogen op € 900 per maand. Volgens de man volgt uit de overgelegde stukken dat de vrouw in circa 5 jaar (van 2010 tot 2015) € 220.000 heeft gespaard, ofwel circa € 43.000 per jaar. De vrouw heeft dus substantieel meer gespaard dan waar bij de vaststelling van de partnerbijdrage van is uitgegaan (€ 16.800 per jaar). De behoefte van de vrouw is dan ook substantieel lager geweest dan waarvan toen is uitgegaan. In redelijkheid kan de vrouw mede uit haar eigen vermogen voorziet in de huidige door haar gestelde behoefte, aldus de man.

De vrouw betwist dit. De vermogenstoename bestaat deels uit sparen en deels uit schenkingen van haar ouders. Na afloop van de 12 jaarstermijn voor de alimentatie is de vrouw 62 jaar en zij zal nog vijf jaar moeten overbruggen voordat zij AOW en pensioen ontvangt, aldus de vrouw. Om deze periode te overbruggen zal zij, volgens de vrouw, van haar vermogen in elk geval een bedrag van € 250.000 moeten reserveren. Voorts wil de vrouw graag een appartement kopen. Gelet hierop en nu het rendement uit vermogen negatief is, is het niet redelijk rekening te houden met inkomen uit vermogen, aldus de vrouw.

Zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat het vermogen van de vrouw sinds 2015 niet is toegenomen en dus (afgerond) € 820.000 bedraagt en rekening houdt met een – door de man niet betwiste - reservering van € 250.000 voor de periode na afloop van de 12jaars alimentatie termijn (augustus 2022) tot de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw (naar verwachting 67 jaar en 9 maanden, ofwel in november 2026), is naar het oordeel van de rechtbank het vermogen van de vrouw van een zodanige omvang dat van haar mag worden verwacht dat zij op dit vermogen en het eventueel daarop te verkrijgen rendement inteert.

Na aftrek van de reservering van € 250.000 resteert een vermogen van € 570.000. Ter overbrugging van de periode van 29 april 2016 (datum indiening verzoekschrift) tot augustus 2022 (6 jaar en drie maanden) heeft de vrouw, uitgaande van een aanvullende behoefte van
€ 2.216 per maand een bedrag van € 166.200 nodig. Hiervan uitgaande, heeft de vrouw, naast het voorzien in haar eigen behoefte, dan nog een vermogen van minimaal € 400.000. Naar het oordeel van de rechtbank is dit vermogen toereikend voor de aanschaf van een appartement.

In het voorgaande is nog geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de vrouw vanaf 1 januari 2023 een partnerpensioen gaat ontvangen van ten minste € 33.533 bruto per jaar en dat in de door haar berekende behoefte een bedrag van € 10.000 per jaar aan spaargeld is begrepen. Dat betekent dat de vrouw ook na aankoop van een appartement nog over financiële reserves zal kunnen beschikken.

Zodra de vrouw overgaat tot aanschaf van een appartement zal haar behoefte overigens lager zijn, omdat zij dan geen huur meer hoeft te betalen.

Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw met ingang van 29 april 2016 volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dus geen aanvullende behoefte meer heeft. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de draagkracht van de man en zal de door de man te betalen partnerbijdrage op nihil worden gesteld.

terugbetalingsverplichting

5.9

Zoals hiervoor in 5.3 is overwogen, zal de ingangsdatum van de nihilstelling van de partnerbijdrage 29 april 2016 zijn. Dat betekent dat de man vanaf die datum teveel partnerbijdrage aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank hanteert bij de beoordeling of de vrouw de teveel ontvangen bijdrage moet terugbetalen de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1001).

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een terugbetalingsverplichting voor de vrouw

in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw een behoorlijk vermogen heeft. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het betoog van de vrouw dat de door de man tot heden betaalde bijdrage is verteerd en daarom niet kan worden terugbetaald, verwerpt. De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot terugbetaling van hetgeen de man vanaf 26 april 2016 teveel aan partnerbijdrage heeft betaald.

Kosten [naam]

5.10

Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de door hem aan het [naam] eventueel verschuldigde opslagkosten en boeten dient te vergoeden, zal dit verzoek worden toegewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2010, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil met ingang van 29 april 2016;

6.2

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van de door de man aan haar teveel betaalde partnerbijdrage vanaf 29 april 2016;

6.3

bepaalt dat de vrouw de door de man aan het [naam] eventueel verschuldigde opslagkosten en boeten dient te vergoeden aan de man;

6.4

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.5

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. C.M. van Wechem, rechter, in tegenwoordigheid van H. van Kamperdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.