Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10664

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
6432490
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Verstoorde arbeidsverhouding. Geen billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0089
AR 2018/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6432490 \ AO VERZ 17-144 (PA)

Uitspraakdatum: 21 december 2017

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap blooming hotel en conferentielandgoed B.V.,

gevestigd te Bergen

verzoekende partij

verder te noemen: blooming

gemachtigde: mr. S. van Ketel

tegen

[naam 1]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman

1 Het procesverloop

1.1.

blooming heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 23 november 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben blooming en [verzoekster] bij brieven van 16 november 2017, 17 november 2017 en 22 november 2017 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedag] 1982, is op 30 mei 2016 in dienst getreden bij blooming. De laatste functie die [verzoekster] vervulde, is die van Rooms Division Manager, met een salaris van € 4.250,-, exclusief 8% vakantietoeslag. Op 30 mei 2017 is haar arbeidsovereenkomst verlengd voor onbepaalde tijd.

2.2.

Wekelijks hebben [verzoekster] en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), de algemeen directeur van blooming, een gesprek met elkaar over de lopende zaken in het hotel.

2.3.

Op 21 juli 2017 schrijft [verzoekster] aan [naam 2] , tijdens zijn vakantie, een e-mail over betalingen die gedaan moeten worden in het hotel. In de e-mail staat onder meer het volgende:

(…) ik begrijp niet waarom wij bureaucratischer zijn dan de gemiddelde overheidsinstelling terwijl er wel van ons verwacht wordt dat we flexibel en gastgericht zijn. Ik vind het vervelend om dit weer te moeten aanzwengelen. Een antwoord in de trant van ‘kan niet, mag niet’ is niet reëel en niet werkbaar.

2.4.

Bij e-mail van dezelfde dag reageert [naam 2] onder meer als volgt:

(…) Inderdaad vervelend dat dit een probleem is c.q. nog was.
Echter, sinds we de pas hebben, heeft niemand dit ‘probleem’ bij me aangezwengeld, m.a.w. pas nu begrijp ik (weer) dat dit niet werkbaar is. Na mijn vakantie komt er een oplossing. Daar heb je nu niks aan maar de belofte staat!

2.5.

Bij e-mail van 26 juli 2017 schrijft [verzoekster] aan [naam 2] onder meer het volgende:

Dank voor je bericht. Ik hoor echter zojuist dat er in jouw afwezigheid ook geen betalingen gedaan worden.

Niet alleen is dit een totaal idiote en onwerkbare situatie, NIEMAND HEEFT DE MOEITE GENOMEN OM DIT TE COMMUNICEREN MET MIJ EN MIJN AFDELING.

Zal ik iedereen maar naar huis sturen???? (…)

Wat een kansloze situatie, ik ben hier echt woest over.

2.6.

Op 8 september 2017 vindt er een gesprek plaats tussen [verzoekster] en [naam 2] over lopende zaken en kwesties. In dat gesprek uit [naam 2] (nogmaals) zijn ongenoegen over de e-mails van [verzoekster] . [naam 2] laat aan de hand van notities zien dat hij [verzoekster] wel zou hebben laten weten dat betalingen in zijn vakantie niet mogelijk waren. [verzoekster] antwoordt hierop als volgt: “zeg je dit nu om jezelf een goed gevoel te geven?

2.7.

Bij e-mail van 10 september 2017 e-mailt [verzoekster] aan [naam 2] het volgende:

In mijn bila van vrijdag met Mike zijn er dingen besproken die voor mij onacceptabel zijn. Een gesprek hierover is nodig. Ik wil Ingeborg als Hr adviseur hierbij aanwezig hebben en wil ook dat er verslaglegging van het gesprek plaatsvind.

2.8.

Op 11 september 2017 vindt er een gesprek plaats tussen [naam 2] en [verzoekster] , waarbij [naam 3] , HR adviseur (hierna te noemen: [naam 3] ) de verslaglegging heeft verzorgd. In het verslag staat onder meer het volgende:

Madelon heeft Mike uitgenodigd voor een gesprek omdat zij een mate van urgentie voelt hem een aantal zaken voor te leggen waar zij zich niet prettig bij voelt als het gaat om de samenwerking. Samengevat gaat het om 3 zaken:
1. invloedssfeer; Madelon voelt zich het belangrijkste MT lid maar wordt niet zo ingezet
2. middelen; ze mist de juiste financiële middelen om haar inkooprol binnen FD uit te voeren
3. vertrouwen; ze mist het vertrouwen in haar expertise
(…)
Kortom Madelon ervaart een verslechtering in de mogelijkheden haar functie goed uit te kunnen oefenen (in vergelijking met het begin van de samenwerking met Mike). Ze mist de middelen, het vertrouwen en invloedssfeer en als ze dat bij Mike probeert aan te kaarten, kapt hij het af met te stellen dat hij het probleem niet ziet (wat hij is tevreden met haar als RDM).

Mike start door te zeggen dat a) hij het ontstaan van dit overleg bijzonder vindt, mede doordat we wekelijks twee uur overleggen, en daardoor b) de gevraagde aanwezigheid van Ingeborg dat bevestigt/verzwaart. (…)

Dit gesprek vandaag heeft Madelon meer inzicht gegeven hoe Mike erin staat; beide erkennen wel dat de voorgangers (Hans en Eric) ook hun eigen stijl hadden, maar de huidige manier van werken doet Madelon beseffen dat ze zich afvraagt of ze nog vol voor deze baan kan gaan, omdat ze naar haar gevoel iets verloren heeft wat ze niet terug ziet komen.
(…)
Hoe nu verder?
Een vervolggesprek lijkt nodig als beiden over het gesprek van vandaag hebben kunnen nadenken. Madelon geeft dan aan graag 2 weken onbetaald verlof op te willen nemen om na te denken. Voor Mike komt dit verzoek als een onaangename verrassing en het voelt daarom voor hem als een mogelijke stap op weg naar de buitendeur van blooming.

2.9.

Vervolgens neemt [verzoekster] twee weken onbetaald verlof.

2.10.

Op 27 september 2017 komt [verzoekster] weer op het werk en vindt er een gesprek plaats tussen haar en [naam 2] . [naam 4] van HR heeft de verslaglegging van het gesprek verzorgd. [verzoekster] geeft aan dat haar mening nog hetzelfde is maar dat ze graag aan het werk wil. [naam 2] heeft hier moeite mee. Afgesproken wordt dat de volgende dag weer een gesprek zal plaatsvinden.

2.11.

Op 28 september 2017 vindt een gesprek plaats tussen [verzoekster] , [naam 2] en [naam 3] . Blooming doet een voorstel ter beëindiging van het dienstverband. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:

Al dat zorgt voor een onoverkomelijk arbeidsconflict in de zin van vertrouwen. Vertrouwen is namelijk opgebouwd uit drie bouwstenen, 1) geloofwaardigheid, 2) respect en 3} eerlijkheid
Je koerswijziging is niet geloofwaardig, de manier waarop je met name met mij denkt om te kunnen gaan getuigt niet van respect en tenslotte eerlijkheid.
De hele ontstane situatie en zeker ook de manier waarop betitel ik als niet eerlijk naar je team, je MT-collega’s en naar mij.

2.12.

Op 3 oktober 2017 zien [verzoekster] en [naam 2] elkaar weer. [verzoekster] geeft aan dat ze niet genoeg tijd heeft gehad om zich te laten adviseren en stelt dat ze graag wil blijven werken. Blooming stelt [verzoekster] vervolgens vrij van werkzaamheden.

2.13.

Er vindt mediation plaats, maar dit levert geen resultaat op.

3 Het verzoek

3.1.

Blooming verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, primair onderdeel g en subsidiair onderdeel h BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt blooming ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en subsidiair omstandigheden die zodanig zijn dat van blooming redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Blooming stelt dat [verzoekster] doelbewust een bom heeft gelegd onder de samenwerking met [naam 2] en met haar MT leden. [verzoekster] heeft het vertrouwen opgezegd, gesproken en geschreven over dingen die voor haar onacceptabel zijn. Daarnaast heeft zij op drie onderdelen zowel het beleid van de directie als het vertrouwen in de directie opgezegd. Door al hetgeen is gezegd en geschreven heeft blooming moeten constateren dat een samenwerking onmogelijk is. Onderlinge gesprekken en mediation hebben niets opgelost. Ook heeft [verzoekster] op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor haar eigen woorden en daden. Ten aanzien van de h-grond stelt blooming dat [naam 2] en [verzoekster] volledig van mening verschillen over de positie van [verzoekster] binnen de organisatie, de bevoegdheden die haar toekomen en over de positie en beleidsbevoegdheid van [naam 2] . [naam 2] heeft getracht [verzoekster] haar rol duidelijk uit te leggen, heeft beslissingen gemotiveerd en geprobeerd [verzoekster] mee te nemen in zijn gedachtengoed. [verzoekster] heeft echter stelselmatig laten weten dat een dergelijke uitleg niet voldoende was en haar mening niet gewijzigd. Zij heeft duidelijk aangegeven dat het gevoerde beleid van [naam 2] voor haar onacceptabel is, aldus blooming.

4 Het verweer

4.1.

[verzoekster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – aan dat zij haar mening heeft gegeven over zaken zoals zij dat altijd heeft gedaan Zij heeft kritische vragen gesteld en verschillen van inzicht aangegeven zoals dat hoort in haar MT-rol. [verzoekster] heeft zich professioneel opgesteld en aangegeven dat zij zich zal aanpassen aan de werkwijze van [naam 2] . Wat [verzoekster] betreft is er dan ook geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Van andere omstandigheden die zodanig zijn dat een voortduring van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet kan worden gevergd, is geen sprake.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verzoekster] (subsidiair) om toekenning van een billijke vergoeding van € 16.524,-.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of [verzoekster] recht heeft op een billijke vergoeding.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

De kantonrechter is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen en overweegt hierover als volgt. Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting leidt de kantonrechter af dat op enig moment verschil van inzicht is gerezen tussen [verzoekster] en blooming, meer in het bijzonder over de wijze waarop [verzoekster] zich heeft uitgelaten en haar standpunten heeft geformuleerd. Uit de e-mail van 26 juli 2017 volgt, naar het oordeel van de kantonrechter, dat de manier waarop [verzoekster] communiceert met [naam 2] verre van professioneel is. Ook de manier waarop [verzoekster] heeft gereageerd op de door [verzoekster] verstuurde e-mail getuigt niet van professionaliteit. Op 11 september 2017 vindt vervolgens een uitvoerig gesprek plaats waarbij [verzoekster] drie zaken heeft aangegeven waar zij zich niet prettig bij voelt als het gaat om de samenwerking, namelijk de invloedssfeer, de middelen en het vertrouwen. Dat [verzoekster] bij dit gesprek een derde persoon wenste, geeft ook aan dat op dat moment het vertrouwen van [verzoekster] in [naam 2] gering was. [verzoekster] stelt dat zij naar haar beleving minder mag meedenken over zaken dan alleen haar eigen vakgebied. Daarnaast stelt [verzoekster] dat zij het als onwerkbaar ervaart dat betaalmiddelen ontbreken om zaken te bestellen. Tot slot stelt [verzoekster] dat zij het vertrouwen mist in haar expertise. Al met al komt het er op neer dat [verzoekster] vraagtekens zet bij het functioneren van haar leidinggevende en bij haar baan bij blooming. Dit gesprek was aanleiding voor [verzoekster] om twee weken onbetaald verlof te nemen om na te denken. Op 27 september 2017 keert [verzoekster] terug en vindt er weer een gesprek plaats met [naam 2] . In het gesprek geeft [verzoekster] aan dat zij zich nog steeds niet kan vinden in de door haar genoemde punten maar dat zij in het vervolg alleen zal kijken naar haar functie en dat zij zich niet meer met andere zaken zal bemoeien. [verzoekster] wil ‘gewoon’ weer verder. Dit was vervolgens voor [naam 2] niet acceptabel. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben al deze gebeurtenissen en met name die vanaf het gesprek van 11 september 2017, waarin [verzoekster] een motie van wantrouwen heeft geuit, de verhouding tussen partijen dusdanig op scherp gesteld dat er inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van blooming niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. [verzoekster] kan worden verweten dat zij door haar handelwijze de mogelijkheid tot verdere samenwerking heeft weggenomen. Het gaat daarbij ook om de manier waarop [verzoekster] haar kritiek heeft geuit. Bovendien heeft [verzoekster] haar uitlatingen nimmer teruggenomen. Gelet op de positie die [verzoekster] binnen het management van blooming inneemt, is een zekere mate van vertrouwen en samenwerking met [naam 2] een vereiste. Het is daarbij niet mogelijk dat [verzoekster] zich in het vervolg niet meer bemoeit met zaken die haar afdeling niet raken. Haar functie vereist nu eenmaal samenwerking met [naam 2] en de overige MT leden. Nu het vertrouwen aan beide kanten ontbreekt, is sprake van een verstoring van de arbeidsverhouding.

5.4.

Herplaatsing ligt gelet op het bovenstaande niet in de rede. Dit klemt temeer nu sprake is van een kleine organisatie en [verzoekster] bij herplaatsing al dan niet dagelijks te maken zou hebben met [naam 2] .

5.5.

De kantonrechter dient in beginsel de arbeidsovereenkomst te ontbinden op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.

Blooming heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] , zodat het einde van de arbeidsovereenkomst dient te worden bepaald op een zo vroeg mogelijke datum. De kantonrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de grond voor de ontbinding vormen géén ernstige verwijtbaarheid van [verzoekster] opleveren. De conclusie is dat arbeidsovereenkomst met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 februari 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

5.6.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.7.

[verzoekster] heeft als gronden voor het ernstig verwijtbaar handelen gesteld dat blooming, in de persoon van [naam 2] , haar terugkeer heeft tegengehouden door haar op non-actief te stellen en aan te sturen op haar ontslag.

5.8.

De kantonrechter is van oordeel dat blooming, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, op goede gronden tot de op non- actiefstelling heeft kunnen komen, mede in afwachting van een gesprek met een mediator. Gelet op de samenstelling van het MT en het feit dat [verzoekster] en [naam 2] een ernstig verschil van inzicht hadden over de handelwijze van [verzoekster] , is de op non-actiefstelling niet te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen. Het voortduren van de arbeidsovereenkomst zou in de weg staan aan een goed functioneren van het managementteam, mede omdat [verzoekster] juist het gebrek aan vertrouwen heeft geuit. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van blooming zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW, zodat er geen aanleiding is om [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen. Partijen zijn het er voorts over eens dat, gelet op de korte duur van het dienstverband, geen recht bestaat op een transitievergoeding.

5.9.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft blooming geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.10.

Gelet op de aard van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2018;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter en op 21 december 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter