Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10621

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5432
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AOW-pensioen. Verschuiving ingangsdatum. Onevenredig zware last.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 7a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/56
PJ 2018/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5432

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: W.F.K. ter Hennepe),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: K. van Ingen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) per
21 september 2016 afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 14 april 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden
besluit 1 ingetrokken en het bezwaar van eiseres onder wijziging van de motivering ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd. Het onderzoek is ter zitting geschorst en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is hervat door de meervoudige kamer op 28 september 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] , heeft op 19 september 2016 verweerder verzocht om aan haar vanaf [datum] , de dag waarop zij 65 jaar werd, een AOW-uitkering toe te kennen naar de norm van een alleenstaande. Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat zij in september 2011 met vervroegd pensioen is gegaan en daardoor een lager pensioen ontvangt. Zij kon toen niet voorzien dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd. Door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd ondervindt zij onevenredig financieel nadeel. Voor een overbruggingsregeling komt zij niet in aanmerking. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat zij op 21 september 2016 de AOW-leeftijd nog niet had bereikt. Deze leeftijd bereikte zij pas op 21 juni 2017. Verweerder heeft dit besluit bij het bestreden
besluit 1 gehandhaafd.

2. Hangende het beroep van eiseres heeft verweerder het bestreden besluit 2 genomen, waarbij het bestreden besluit 1 is ingetrokken en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond is verklaard.

Bestreden besluit 1

3. Eiseres heeft geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1. De beroepsgrond dat het bestreden besluit 1 geen adequate reactie inhoudt op de bezwaargronden en dat eiseres niet is gehoord, levert geen procesbelang op, omdat met het bestreden besluit 2 alsnog een aanvullende motivering is gegeven en eiseres alsnog van een hoorzitting heeft afgezien. Het beroep van eiseres wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2, omdat verweerder niet aan het bezwaar tegemoet is gekomen. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Bestreden besluit 2

4. Volgens eiseres dient artikel 7a van de AOW in haar geval buiten toepassing gelaten te worden wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder geen deugdelijk individueel feitenonderzoek heeft verricht, zoals door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraken van 18 juli 2016 is bedoeld. Verweerder heeft volgens eiseres ten onrechte slechts beoordeeld of zij op grond van de inkomensgegevens in aanmerking kan komen voor een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Er dienen volgens eiseres echter meer factoren meegewogen te worden, zoals de schade vanwege het gemis van de AOW-uitkering gedurende negen maanden en de nadelige financiële effecten van de ABP-versleepregeling en fiscale nadelen. Ook is het volgens eiseres in strijd met een redelijke beleidsbepaling om het toetsmoment voor de vraag of sprake is van een onevenredige zware last te fixeren op de leeftijd van 64,5 jaar. Pas bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd is het AOW-gat ontstaan. Dat dient dan ook het toetsmoment te zijn. In de toelichting op artikel 4 van de OBR is verder te lezen dat bij de hantering van de entreetoets de draagkracht dient te worden gemeten. Niet is gebleken dat verweerder de draagkracht van eiseres heeft gemeten. Bij het onderzoek naar de vraag of sprake is van een onevenredig zware last kan volgens eiseres bovendien niet slechts van een aanname worden uitgegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7a van de AOW is als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd (voorheen 65 jaar) stapsgewijs verhoogd per leeftijdscohort. Als gevolg van deze wetswijziging en de Wet versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218) is het AOW-pensioen van eiseres negen maanden later ingegaan dan voor de inwerkingtreding van de wetswijziging geval zou zijn geweest.

6. Zoals de CRvB in de uitspraken van 18 juli 2016 heeft overwogen, is met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd van het AOW-pensioen sprake van een inmenging in het eigendomsrecht van een betrokkene. De CRvB heeft hierbij geconcludeerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel te achten is en in het algemeen niet leidt tot een schending van het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit laat onverlet dat het mogelijk is dat door de wetswijziging in concrete gevallen sprake is van een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en daarmee van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of er sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

7. In een aantal uitspraken van de CRvB van 18 juli 2016, zie onder meer ECLI:NL: CRVB:2016:2502 en ECLI:NL:CRVB:2016:2608, heeft de CRvB de vraag beantwoord of in die gevallen sprake was van een onevenredig zware last. Daarbij is overwogen dat de stelling dat sprake is van een kleine groep die te maken heeft met een inkomensterugval waarvoor niet van overheidswege wordt gecompenseerd, niet kan leiden tot een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht. Daarbij heeft de CRvB van belang geacht dat de overheid voor de schrijnende gevallen compenserende maatregelen met een beperkte middelentoets heeft getroffen (de OBR). Volgens de Toelichting bij de OBR is deze regeling bedoeld om mensen compensatie te bieden die op of voor 1 januari 2013 al deelnamen aan een vut-, prepensioen of daarmee vergelijkbare regeling die eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, voor wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen is en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-leeftijd. Deze regeling kent een inkomens- en vermogenstoets, waarbij het eigen huis en het pensioenvermogen buiten beschouwing blijven. Van personen die een inkomen of vermogen hebben boven de gestelde grenzen, wordt verondersteld dat zij voldoende financiële reserves hebben om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen. Geconcludeerd is dat de omstandigheid dat iemand zijn spaargeld diende aan te spreken of gedurende een periode een beroep op bijstand heeft moeten doen ter overbrugging van de periode dat wegens de wetswijziging geen AOW-pensioen is toegekend, niet leidt tot het oordeel dat sprake is van een onevenredig zware last.

8. In navolging van voornoemde uitspraken van de CRvB voert verweerder het beleid dat sprake is van een onevenredig zware last, als de betrokkene in aanmerking kan komen voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Verweerder heeft gesteld dat eiseres hiervoor niet in aanmerking komt, omdat haar inkomen in de maand waarin zij 64,5 jaar oud is hoger is dan € 3.049,20 (artikel 4 van de OBR). Gelet hierop leidt toepassing van artikel 7a van de AOW volgens verweerder in het geval van eiseres niet tot een onevenredig zware last.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de vraag of in het geval van eiseres sprake is van een onevenredig zware last aansluiting heeft kunnen zoeken bij de hiervoor bedoelde beperkte middelentoets van de OBR en hierbij andere door eiseres gestelde schadeposten buiten beschouwing heeft kunnen laten. Gelet op de hoogte van de inkomsten van eiseres, die na haar 65-ste leeftijd onveranderd is gebleven, komt zij voor deze overbruggingsuitkering niet in aanmerking. Hiermee wordt verondersteld dat eiseres het tijdelijke inkomensverlies kan opvangen. Als deze veronderstelling niet juist is dan ligt het vervolgens op haar weg om dit te onderbouwen. Dit heeft eiseres niet gedaan. Het is in dat geval niet aan verweerder om zelf verder onderzoek te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 augustus 2017 (ECLI:NL: RBOVE:2017:3161) te volgen. Bovendien is ook in beroep niet onderbouwd dan wel gebleken dat eiseres vanwege een inkomensverschil in de periode tussen het bereiken van de 65-jarige leeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, een onevenredig zware last heeft moeten dragen. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen.

10. Het bestreden besluit 2 houdt gelet op het voorgaande stand. Het beroep is ongegrond.

11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 990,-;
- bepaalt dat verweerder het griffiegeld van € 46,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, voorzitter, en mr. S. Slijkhuis en mr. A. Buiskool, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.