Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10620

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3323
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak op het verzoek om schadevergoeding. Afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3323

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2017 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: Th.W. van Nooij),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Feer).

Procesverloop

Eiser heeft verweerder bij brief van 3 januari 2017 verzocht om vergoeding van door hem geleden (belasting)schade ter hoogte van € 10.161,- bruto als gevolg van een nabetaling van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Op 13 juni 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Op 21 juli 2017 heeft eiser de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de geleden (belasting)schade ter hoogte van € 10.161,- bruto.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Aan eiser is in februari 2010 per 11 juli 2009 een Wajong-uitkering toegekend onder verrekening van inkomsten uit arbeid. Bij besluit van 18 juni 2014 heeft verweerder aan eiser over de periode van 1 februari 2010 tot en met 30 juni 2014 € 27.228,37 netto aan Wajong-uitkering nabetaald. Eiser stelt dat hij hierdoor belastingschade heeft geleden ter hoogte van

€ 10.161,- bruto en wenst deze vergoed te zien door verweerder.

2. Met ingang van 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wet nadeelcompensatie) in werking getreden. Daarbij is titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingevoerd. Deze titel van de Awb bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. De verzoekschriftprocedure maakt het mogelijk om aan de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding te doen. Deze procedure is in de plaats gekomen van de in de jurisprudentie ontwikkelde mogelijkheid om op te komen tegen een zelfstandig schadebesluit en de schadeprocedures van artikel 8:73 en artikel 8:73a van de Awb. Op grond van het overgangsrecht is titel 8.4 van de Awb niet van toepassing op zaken waarbij de datum van het (vermeende) schade toebrengende besluit of handelen ligt vóór 1 juli 2013.

3.1.

Voor zover eiser stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit tot nabetaling van de Wajong-uitkering van 18 juni 2014 is titel 8.4 van de Awb van toepassing. In artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

3.2.

Zoals ook door eiser ter zitting is bevestigd is het besluit van 18 juni 2014 tot nabetaling van de Wajong-uitkering niet onrechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding moet dan ook worden afgewezen.

4. Voor zover eiser bedoeld heeft te stellen dat sprake is van een onrechtmatig besluit van vóór 1 juli 2013 heeft eiser niet duidelijk kunnen maken welk besluit dat dan zou zijn en om welke reden dat besluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Eiser kan verweerder om een zuiver schadebesluit verzoeken. Eiser zal daarbij gemotiveerd moeten aangeven welk besluit van vóór 1 juli 2013 volgens hem onrechtmatig is geweest en waarom.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, voorzitter, en mr. A. Buiskool en
mr. A.T.B. de Vries, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.