Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1060

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Crisisheffing. Er wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121 en 126. Er is geen strijd met: de wettelijke bepalingen van de Wet LB, artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM en het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM. Tevens is geen sprake van een individuele buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 32bd, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0511
V-N Vandaag 2017/392
V-N 2017/20.20.14

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/239

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2017 in de zaak tussen

[X] B.V., thans genaamd [X] B.V. gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: drs. H.T.M. Herman-Droog),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2013 op 29 april 2013 aangifte loonheffingen gedaan, waarbij onder meer een bedrag van € 13.747 aan pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing) in de zin van artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is aangegeven. Dit bedrag is afgedragen op 29 april 2013. Tegen deze afdracht heeft eiseres met dagtekening 22 mei 2013 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2013 afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017 te Haarlem. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden
mr. H.E. Erceylan en A. de Groot.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een vennootschap die deel uitmaakt van een concern dat actief is in de automobielbranche.

2. Eiseres is een dochtermaatschappij van [A BEDRIJF] N.V. en maakt met een aantal andere vennootschappen deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waarvan [A BEDRIJF] N.V. de moedermaatschappij is.

3. Het loon uit dienstbetrekking van de werknemers dat eiseres over 2012 heeft aangegeven bedroeg volgens de jaargegevens in totaal € 4.277.222. De ingehouden loonheffingen 2012 bedroeg € 1.590.368.

4. Voor de jaren 2010 tot en met 2013 bedroeg het door eiseres aangegeven loon en de ingehouden loonheffingen respectievelijk:

2010 2011 2012 2013

Loon € 3.441.314 € 4.146.639 € 4.277.222 € 3.267.417

Loonheffingen € 1.275.410 € 1.574.163 € 1.590.368 € 1.212.905

Geschil

5. Tussen partijen is in geschil of eiseres gehouden was de crisisheffing af te dragen. Meer in het bijzonder is in geschil:

  • -

    of de crisisheffing in strijd is met de wettelijke bepalingen van de Wet LB;

  • -

    of de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM);

  • -

    of de crisisheffing in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

6. Eiseres stelt dat zich op het standpunt dat de bovenstaande vragen bevestigend moeten worden beantwoord en dat geen crisisheffing is verschuldigd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot teruggaaf van de betaalde loonheffing.

7. Verweerder stelt dat de bovenstaande vragen ontkennend moeten worden beantwoord en dat crisisheffing verschuldigd is. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

9. Ingevolge artikel 32bd, eerste lid, van de Wet LB wordt, in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarover in het voorafgaande kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven, voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als op 31 maart van het kalenderjaar genoten loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 16%, voor zover dat loon in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan € 150.000. Ingevolge het tweede lid van dit artikel van de Wet LB behoort voor de toepassing van het eerste lid tevens tot het loon van een werknemer het loon dat die werknemer heeft genoten van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap. Het eerste lid vindt in de in de vorige volzin bedoelde gevallen toepassing bij de inhoudingsplichtige die in het voorafgaande kalenderjaar het grootste deel van het loon van de werknemer heeft verstrekt.

10. Eiseres stelt dat de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM, omdat een inbreuk wordt gemaakt op het ongestoorde genot van eigendom. Daarbij voert zij aan dat de heffing (materieel) terugwerkende kracht heeft. Voorts betoogt eiseres dat de crisisheffing in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.

11. De rechtbank stelt voorop dat belastingen in beginsel een inmenging vormen in het door artikel 1 van het EP EVRM gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling voorziet echter uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen. Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ moet zijn en een ‘legitimate aim’ moet dienen, en dat er een ‘fair balance’ dient te bestaan tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang. Bij deze laatste toets is van belang dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge toekomt (Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124).

12. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden stuiten af op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arresten van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121 en ECLI:NL:HR:2016:124. In de genoemde arresten is beslist dat de crisisheffing voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is, en dat daarmee derhalve aan de vereisten van ‘lawfulness’ is voldaan. Voorts is beslist dat het heffen van belastingen in het algemeen belang, zoals in de slotzin van artikel 1 van het EP EVRM ligt besloten, in beginsel voldoet aan het vereiste van een ‘legitimate aim’, en dat er geen grond is om daarover anders te oordelen in het onderhavige geval waarin de wetgever ter oplossing van de ernstige begrotingsproblemen in 2013 en 2014 een reeks ingrijpende maatregelen heeft genomen, waarvan de crisisheffing deel uitmaakt. Ten slotte is beslist dat met de invoering van de crisisheffing de ‘fair balance’ op regelniveau niet is geschonden. In het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van schending van de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR evenmin sprake is, en dat de bij de vormgeving van de crisisheffing gemaakte keuzes niet evident van redelijke grond ontbloot zijn en dat de wetgever de hem op fiscaal gebied toekomende ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

13. Het voorgaande laat onverlet dat onder omstandigheden sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last. Eiseres heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die tot de conclusie nopen dat voor haar sprake zou zijn van een individuele buitensporige last.

14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en
mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.