Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:1039

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1140
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek terugkomen op strafontslag, PTSS, erkenning PTSS als beroepsziekte geen nieuw feit, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.I. Feenstra),

en

De korpschef van politie, de politiechef van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.E. te Riele).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser om terug te komen op het ontslagbesluit van 27 juni 2013 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Te Riele en M.F. Rijnbeek.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.1.

Verweerder heeft ten behoeve van het besluit op bezwaar de Commissie voor de bezwaarschriften - een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - gevraagd advies uit te brengen. Uit het advies van die commissie, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, blijkt dat mr. [naam 1] voorzitter was van die commissie. Eiser is van mening dat, omdat mr. [naam 1] in diverse procedures ook als gemachtigde van verweerder optreedt, de commissie niet voldoet aan het vereiste van artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, dat de voorzitter van de commissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

1.2.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat mr. [naam 1] een zelfstandige juridische praktijk voert dat zij ook als gemachtigde voor verweerder heeft opgetreden.

Verweerder heeft evenwel, door eiser niet weersproken, gesteld dat mr. [naam 1] sinds medio 2015 niet meer als gemachtigde heeft opgetreden. Gelet daarop volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat mr. [naam 1] in januari 2016 niet als onafhankelijk voorzitter van de Commissie voor de bezwaarschriften kon optreden.

1.3.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:13 van de Awb geen stand kan blijven, treft geen doel.

2.1.

Eiser is op 1 januari 2003 in dienst getreden bij de politie. Hij heeft laatstelijk gewerkt in de functie van medewerker basispolitiezorg bij het basisteam [lokatie] van de voormalige politieregio Kennemerland. Bij besluit van 27 juni 2013 heeft verweerder aan eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, sub j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) opgelegd. Het door eiser tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 18 maart 2014 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door eiser geen beroep ingesteld.

2.2.

Op 9 december 2014 heeft eiser een aanvraagformulier vaststelling ziekte als beroepsziekte ingevuld. Bij brief van 21 juli 2015 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de schade die eiser lijdt c.q. zal lijden als gevolg van het verleende ontslag. Daarbij is verzocht om het ontslagbesluit te herzien.

2.3.

Volgens een advies van landelijke Adviescommissie PTSS Politie van 12 november 2015 is de bij eiser gediagnosticeerde PTSS beroepsgerelateerd en begonnen na een incident in 2006. Bij besluit van 24 november 2015 heeft verweerder de bij eiser vastgestelde PTTS als beroepsziekte erkend.

3. Verweerder ziet geen aanleiding om terug te komen op het besluit tot strafontslag van 27 juni 2013. Volgens verweerder zijn er geen nieuwe feiten of omstandigheden.

De diagnose PTSS was reeds eerder bij eiser gesteld, daarom is aan het strafontslag ook een medisch onderzoek voorafgegaan. Zoals de bezwarenadviescommissie in het advies van 25 januari 2016 heeft overwogen is de erkenning van PTSS als beroepsziekte wel een nieuw gegeven, maar geen relevant feit dat noopt tot herziening van het ontslagbesluit.

De inwerkingtreding van de Circulaire PTSS Politie en het Protocol Advies Commissie PTSS vormt geen nieuw feit. Aan de kritiek op het medisch onderzoek van destijds kan niet worden toegekomen in de herzieningsprocedure, omdat geen toetsing van het oorspronkelijk besluit plaatsvindt. Verweerder heeft daarom, met verwijzing naar en overname van het advies van bezwarenadviescommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

4. Volgens eiser had het strafontslag destijds niet verleend mogen worden en had hij niet arbeidsongeschikt uit dienst mogen gaan. De impact van de ziekte is ernstig onderschat. Ten tijde van de bezwaarprocedure was bekend dat eiser wegens PTSS arbeidsongeschikt was, maar daar is onvoldoende aandacht aan geschonken. Eiser heeft forse kritiek op het destijds door de bedrijfsarts verrichtte onderzoek en de waarde die verweerder bij de ontslagverlening daaraan heeft gehecht. Als nieuw feit geldt, anders dan in 2013, dat PTSS bij eiser als beroepsziekte is erkend. Volgens eiser worden veel PTSS-dossiers ambtshalve herzien. Eiser heeft toegelicht dat hij door zijn toenmalige gemachtigde onjuist is geadviseerd en dat hij die gemachtigde aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die daardoor is geleden. In dat kader is hij ook gehouden het verzoek om herziening te doen.

Het in stand blijven van het strafontslag belemmerd de afwikkeling en de vaststelling van de schadevergoeding in verband met de erkenning van de beroepsziekte, aldus eiser.

5.1.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

5.2.

Zoals door Afdeling bestuursrecht van de Raad van State in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, is overwogen en door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, is onderschreven, geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook (nog steeds) voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

5.3.

Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

6.1.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere uitkomst met betrekking tot het disciplinair ontslag en het besluit van 18 maart 2014 kunnen leiden. Zoals uit de stukken blijkt was in 2010 reeds bekend dat eiser aan PTSS leed. Daarvoor was door verweerder ook een begeleidingstraject ingezet en is voorafgaande aan het strafontslag een medisch onderzoek ingesteld, onder meer naar de toerekenbaarheid. Voor zover bij de kwaliteit van dat onderzoek en hoe verweerder daar mee om is gegaan vraagtekens zijn te plaatsen, had dat in een beroepsprocedure tegen het ontslagbesluit aangevoerd kunnen en moeten worden. De kritiek op dat onderzoek, wat daar ook van zij, is geen nieuw feit als hier bedoeld.

6.2.

De erkenning van PTSS als beroepsziekte, het door eiser gevolgde traject bij de Stichting Centrum ’45 en het in beroep door eiser overgelegde expertiserapport van [naam onderzoeksbureau] van 29 november 2016 bieden, nog daargelaten dat het rapport van [naam onderzoeksbureau] niet bij de aanvraag is overgelegd en verweerder er bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening mee heeft kunnen houden, de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Naar vaste jurisprudentie kan een andere (diagnostische) interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden niet worden beschouwd als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Zie hierover onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5338.

6.3.

De inwerkingtreding van de Circulaire PTSS Politie en het Protocol Advies Commissie PTSS kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin gelden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan verweerder had dienen terug te komen van zijn besluit van 18 maart 2014. Uit het gegeven dat verweerder beleid en een werkwijze heeft ontwikkeld over hoe om te gaan met politiemensen bij wie de diagnose PTSS is gesteld en die daar mogelijk schade van ondervinden, kan naar het oordeel van de rechtbank een omslag in denken ter zake van de zorgplicht in individuele gevallen destijds niet zonder meer worden afgeleid. Meer in het bijzonder valt niet in te zien dat dit aspect zodanig relevant is dat dit verweerder had moeten nopen terug te komen van zijn standpunt met betrekking tot de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. Daarbij is, anders dan eiser meent, geen sprake van een duuraanspraak waarbij is aangewezen dat bij de toetsing een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst.

6.5.

De rechtbank stelt voorts vast dat, als gevolg van het verleende strafontslag, de vaststelling van eisers rechten in verband met de erkenning van PTSS als beroepsziekte niet gerelateerd kan worden aan een hem (in geval van een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid mogelijk) toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering. De regeling voorziet er echter in dat die aanspraken op andere wijze worden beoordeeld en vastgesteld.

De beroepsgrond dat het in stand blijven van het strafontslag de afwikkeling en de vaststelling van de schadevergoeding in verband met de erkenning van de beroepsziekte belemmerd, treft aldus geen doel.

6.6.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.