Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10092

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
6395206
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onregelmatige opzegging; transitievergoeding; billijke vergoeding; achterstallig loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6680
AR-Updates.nl 2018-0006
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6395206 \ AO VERZ 17-137

Uitspraakdatum: 11 december 2017

Beschikking in de zaak van:

Magdalena Catharina Maria Verkade-Pronk, h.o.d.n. Bewind voor jou, wonende en zaakdoende te Avenhorn, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam 1], wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij

verder te noemen: Verkade q.q. en [naam 1]

gemachtigde: mr. I.M. Thieme, advocaat

tegen

de besloten vennootschap HB Andijk B.V.,

gevestigd te Andijk

verwerende partij

verder te noemen: HB Andijk

gemachtigde: mr. H.R. Kant, advocaat

1 Het procesverloop

1.1.

Verkade q.q. heeft een verzoek gedaan om HB Andijk te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en nevenverzoeken. HB Andijk heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 13 november 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Verkade q.q. heeft ter zitting een aangepast overzicht met ontvangsten per bank overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Verkade q.q. bij brief van 7 november 2017 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1

Verkade q.q. is bij beschikking van de rechtbank de dato 6 april 2017 tot bewindvoerder benoemd over de goederen toebehorende aan [naam 1] .

2.2

[naam 1] geboren op [geboortedag] 1975, is sedert medio 2014 bij HB Andijk in dienst. De laatste functie die [naam 1] vervulde, is die van houtbewerker.

2.3.

[naam 1] en de directeur aandeelhouder van HB Andijk, mevrouw [naam 2] , zijn althans waren bevriend.

2.4.

Voordat de goederen van [naam 1] formeel onder bewind gesteld waren heeft HB Andijk, in de persoon van [naam 2], [naam 1] geholpen bij zijn financiële zaken.

2.5.

HB Andijk heeft aan schuldeisers van [naam 1] een aantal betalingen gedaan, welke in mindering strekten op het hem toekomende loon.

2.6.

Blijkens loonstroken bedroeg het loon in 2015 € 2.200,00 per vier weken bruto en in 2016 € 2.244,17 bruto per vier weken, hetgeen conform de toepasselijke C.A.O. voor de houtverwerkende industrie is.

2.7

Tussen partijen werd geen loonsverlaging in 2017 overeengekomen.

2.8.

Bij brief van 19 juli 2017 heeft HB Andijk aan [naam 1] het navolgende bericht: “Na ampel beraad is de beslissing genomen u geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. Uw werkzaamheden eindigen derhalve op 21 – 08- 2017. (…)”

2.9

Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato 1 augustus 2017 is HB Andijk veroordeeld onder meer tot betaling van achterstallig loon over de periode januari 2015 tot en met juni 2017 van een bedrag groot € 15.000,00, welke bedrag inmiddels is voldaan.

3 Het verzoek

3.1.

Verkade q.q. verzoekt HB Andijk:

I. te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.626,00;
II. te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding;
III. te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over de periode 1 juni 2017 tot en
met 1 september 2017, uitgaande van € 2.244,17 per vier weken;
IV. te gebieden over te gaan tot het verstrekken van deugdelijke salarisspecificaties over
1 juni 2017 tot en met 1 september 2017, alsmede een jaaropgaaf over 2017
en een deugdelijke eindafrekening, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per
dag;
V. te gebieden over te gaan tot het voldoen van een bedrag dat voortvloeit uit de
uitbetaling van 11,7 vakantiedagen en 290,7 roostervrije uren uit hoofde van de
eindafrekening;
VI. te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over januari 2015 tot en met juni
2017 zijnde – na wijziging van eis ter zitting – € 18.686,20 (= € 19.605,95 - € 919,75);
VII. te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de
hiervoor genoemde bedragen;
VIII. te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde
bedragen;
IX. te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt Verkade q.q. – kort gezegd – het navolgende ten grondslag.

Omdat [naam 1] meer dan 24 maanden in dienst is geweest komt hem krachtens het bepaalde in artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een transitievergoeding toe, welke, door Verkade q.q. uitgaande van een loon van € 2.244,17 per vier weken wordt berekend op
€ 2.626,00.

[naam 1] meent verder dat hem een billijke vergoeding toekomt omdat de arbeidsovereenkomst, welke gold voor onbepaalde tijd, onregelmatig is opgezegd. [naam 1] verwijst naar het bepaalde in artikel 7:681 BW en 7:672 lid 9 BW.

HB Andijk is in gebreke gebleven het loon te betalen over de maanden juni tot en met augustus 2017. Ter zake komt hem € 2.244,17 per vier weken toe. Ook is HB Andijk in gebreke gebleven het loon over 2015 tot en met 1 juni 2017 te voldoen. Ter zake het achterstallig loon heeft Verkade aangevoerd dat [naam 1] € 62.218,68 netto had behoren te ontvangen, dat [naam 1] € 21.069,32 (hierbij is rekening gehouden met het bedrag van € 919,75 dat op 25 juli 2017 is ontvangen) per bank heeft ontvangen en € 7.463,16 netto ten behoeve van [naam 1] aan derden is betaald. Ook is naar aanleiding van het kort geding vonnis € 15.000,00 ontvangen. Een achterstand van € 18.686,20 resteert.

[naam 1] heeft nog vakantiedagen en roostervrije uren open staan welke nu de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen moeten worden uitbetaald, krachtens het bepaalde in artikel 25 van de C.A.O. Op grond van het bepaalde in de C.A.O. resteert te betalen een vergoeding voor 11,7 vakantiedagen en 290,7 roostervrije uren.

4 Het verweer

4.1.

HB Andijk verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding moet worden afgewezen, gezien het handelen en nalaten van [naam 1] .

4.2.

Met betrekking tot de vorderingen tot betaling van achterstallig loon stelt HB Andijk dat [naam 1] niets meer te vorderen heeft. Ter onderbouwing van dit verweer legt zij een overzicht, onderbouwd met bescheiden, over waaruit dit zou moeten volgen.

4.3.

Verkade q.q. heeft de juistheid van het overzicht betwist en onder meer aangevoerd dat [naam 1] onder dwang heeft getekend voor de ontvangst van diverse contante betalingen. In werkelijkheid heeft hij deze niet ontvangen, aldus Verkade q.q.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan Verkade q.q. een transitievergoeding moet worden toegekend. Daarnaast is onder meer aan de orde de vraag of HB Andijk moet worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding en achterstallig loon.

5.2.

Verkade q.q. heeft het verzoek om een billijke vergoeding tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dit betekent dat ook het verzoek met betrekking tot de transitievergoeding tijdig – binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd – is ingediend.

5.3.

Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of de laatste arbeidsovereenkomst van 1 september 2016 tussen HB Andijk en [naam 1] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd betrof. Op de door HB Andijk overgelegde arbeidsovereenkomst is met pen achter “bepaalde tijd van” ingevuld “21-8-2016 tot 21-8-2017”. Op de door Verkade q.q. overgelegde arbeidsovereenkomst staat dit niet. Wat hier ook van zij, de kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ter zitting heeft Verkade q.q. onweersproken verklaard dat meerdere arbeidsovereenkomsten zijn getekend die langer dan 24 maanden hebben geduurd. De kantonrechter stelt als onbetwist vast dat [naam 1] medio 2014 bij HB Andijk in dienst is getreden en dat de laatste arbeidsovereenkomst op 1 september 2016 is getekend en dat het dienstverband op 21 augustus 2017 is beëindigd. Dit betekent dat een periode van 24 maanden is overschreden en dat op grond van artikel 7:668a BW de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. De kantonrechter kwalificeert de brief van HB Andijk van 19 juli 2017 daarom als een opzegging van de arbeidsovereenkomst en niet als een aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Transitievergoeding

5.4.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of Verkade q.q. recht heeft op een transitievergoeding. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Aan deze voorwaarden is voldaan. Dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, zoals HB Andijk lijkt te betogen, is onvoldoende gebleken. HB Andijk heeft de berekening van de transitievergoeding door Verkade q.q. niet betwist. Verkade q.q. heeft dus aanspraak op een transitievergoeding van € 2.626,00. HB Andijk zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 21 september 2017. De wettelijke verhoging over de transitievergoeding ligt voor afwijzing gereed, nu dit geen loon is waarover de wettelijke verhoging is verschuldigd.


Billijke vergoeding

5.5.

Verkade q.q. vordert verder betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW. In dat kader moet worden beoordeeld of HB Andijk de arbeidsovereenkomst met [naam 1] rechtsgeldig heeft opgezegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan geen sprake. Artikel 7:671 lid 1 BW geeft als hoofdregel dat de werkgever de arbeidsovereenkomst slechts rechtsgeldig kan opzeggen met schriftelijke instemming van de werknemer. [naam 1] heeft niet schriftelijk ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Van de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in artikel 7:671 lid 1 onder a tot en met h BW is evenmin sprake. Dit betekent dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is.

5.6.

[naam 1] berust in de opzegging en maakt aanspraak op een billijke vergoeding. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. In een geval als bedoeld in dat artikel is reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een opzegging die niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van Verkade q.q. om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

5.7.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een punitief, dat wil zeggen ‘bestraffend’ effect heeft.

5.8.

HB Andijk valt een ernstig verwijt te maken, nu zij de arbeidsovereenkomst met [naam 1] onregelmatig heeft opgezegd. De kantonrechter begrijpt dat HB Andijk aanvoert dat [naam 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld gedurende zijn dienstverband. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, nu HB Andijk dit onvoldoende heeft onderbouwd. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding kan worden gelet op hetgeen [naam 1] aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Ook kan er rekening mee worden gehouden dat [naam 1] na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst een WW-uitkering ontving en inmiddels ander werk heeft gevonden en dat hij daar inkomsten uit geniet. Tenslotte kan bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin [naam 1] zich thans bevindt, de aan [naam 1] toekomende transitievergoeding worden betrokken. De kantonrechter gaat ervan uit dat [naam 1] per 1 november 2017 ander werk heeft en dat het inkomen dat [naam 1] daaruit geniet even hoog is als het inkomen dat [naam 1] bij HB Andijk verdiende, zodat de inkomensschade zal worden berekend over de periode van 21 augustus tot 1 november 2017. Het loon over deze periode bedraagt € 5.610,43 (inkomen per week bij een loon per vier weken van € 2.244,17 is € 561,04 x 10 weken). Hierop strekt in mindering de WW-uitkering die [naam 1] ontving. De kantonrechter begroot de door [naam 1] ontvangen WW-uitkering op € 3.927,28 (70 % van € 561,04 gedurende tien weken). Omdat de transitievergoeding mede bedoeld is om de werknemer in staat te stellen ander werk te verkrijgen, en de daarmee gepaard gaande kosten worden geschat op € 1.500,00, zal de transitievergoeding tot € 1.126,00 in mindering worden gebracht. Dat leidt tot een inkomensschade van afgerond € 550,00. Het voorgaande leidt ertoe dat de billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 550,00.

5.9.

De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking, omdat aangenomen moet worden dat HB Andijk vanaf dat moment in verzuim is met de betaling daarvan. De gevorderde wettelijke verhoging over de billijke vergoeding zal worden afgewezen. De billijke vergoeding is geen loon waarover de wettelijke verhoging is verschuldigd.

Achterstallig loon 1 juni 2017 tot en met 1 september 2017 en salarisspecificaties

5.10.

De kantonrechter stelt als onvoldoende betwist vast dat het salaris van [naam 1] in 2017, evenals in 2016, € 2.244,17 bruto per vier weken bedroeg. HB Andijk heeft verder niet betwist dat aan [naam 1] gedurende voornoemde periode geen loon is betaald. Wel voert HB Andijk aan dat [naam 1] niet heeft gewerkt en daarom geen recht heeft op loon. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, gelet op het ter zitting onweersproken gebleven standpunt van Verkade q.q. dat [naam 1] gedurende deze periode heeft gewerkt, vakantiedagen heeft opgenomen en afwezig was wegens ziekte.
Nu Verkade q.q. onder VI betaling van het achterstallig loon tot en met juni 2017 verzoekt en [naam 1] zich heeft neergelegd bij de opzegging per 21 augustus 2017, zal dit verzoek worden toegewezen over de periode 1 juli 2017 tot 21 augustus 2017.

De gevorderde wettelijke verhoging is toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding ziet de wettelijke verhoging te matigen tot 20 %. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment van verzuim.

5.11.

Tegen het verzoek van Verkade q.q. tot het verstrekken van een deugdelijke salarisspecificatie over de periode 1 juni tot 21 augustus 2017, een jaaropgaaf over 2017 en een deugdelijke eindafrekening is geen afzonderlijk gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verzoek zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking. De kantonrechter ziet aanleiding tot matiging van de dwangsom naar € 50,00 per dag met een maximum van
€ 2.000,00.


Vakantiedagen en roostervrije uren

5.12.

Ten aanzien van de verzochte betaling van de openstaande vakantiedagen van 11,7 en roostervrije uren van 290,7 is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Dit deel van het verzoek zal daarom worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding ziet deze te matigen tot 20 %. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment van verzuim.

Achterstallig loon 2015, 2016 en 2017 tot en met juni

5.13.

De kantonrechter volgt de berekening van Verkade q.q. ten aanzien van de hoogte van het netto loon dat [naam 1] over voornoemde periode had behoren te ontvangen, zijnde
€ 62.218,68. HB Andijk heeft de hoogte van dit bedrag immers niet inhoudelijk weersproken. [naam 1] heeft per bank € 21.069,32 (inclusief de betaling van € 919,75 op 25 juli 2017) ontvangen. HB Andijk heeft, zoals ter zitting is komen vast te staan, € 7.625,29 aan derden betaald. Verder heeft HB Andijk naar aanleiding van het vonnis van 1 augustus 2017 € 15.000,00 voldaan. Het voorgaande betekent dat nog een bedrag van € 18.524,07 openstaat.

5.13.

Ten aanzien van de loonachterstand is verder nog van belang dat volgens de stellingen van Verkade q.q. een schuldeiser (UWV) loonbeslag heeft gelegd en dat HB Andijk op grond daarvan € 350,00 per loonbetaling dient af te dragen aan de beslaglegger. Dit bedrag is echter niet aan de schuldeiser afgedragen en ook niet betaald aan [naam 1] , aldus Verkade q.q. HB Andijk voert aan dat het beslag iets is tussen haar en de beslaglegger. De kantonrechter stelt vast dat HB Andijk niet met stukken heeft onderbouwd dat loonbeslag is gelegd en dat zij op grond daarvan € 350,00 van het vier wekelijks loon aan de schuldeiser heeft voldaan. De kantonrechter houdt hiermee daarom geen rekening.

5.14.

HB Andijk stelt dat zij € 20.298,50 contant aan [naam 1] heeft voldaan. Ter onderbouwing heeft HB Andijk door [naam 1] getekende verklaringen overgelegd waarin staat dat hij voorschotten heeft ontvangen. [naam 1] heeft aangegeven dat hij de betreffende bedragen nimmer heeft ontvangen. Ter zitting is gebleken dat [naam 1] deze verklaringen ondertekende zonder dat daar op dat moment betaling tegenover stond. Volgens HB Andijk betrof het een registratie van eerder gedane betalingen. Toegegeven werd door HB Andijk dat op hetzelfde moment een aantal verklaringen betreffende betalingen die in het verleden zouden hebben plaats gevonden door [naam 1] zijn ondertekend. Desgevraagd op de zitting zei [naam 2] dat de verklaringen werden ondertekend naar aanleiding van “een systeem” dat HB Andijk had bijgehouden. Niet duidelijk kon worden gemaakt hoe dat systeem in elkaar zat. De administratie van HB Andijk bestempelt de kantonrechter als onduidelijk en ondeugdelijk. De risico’s daarvan komen voor haar rekening. De kantonrechter zal hiermee behoudens met de op de bonnetjes vermelde bedragen, geen rekening houden. Voor de op de bonnetjes vermelde bedragen is dat naar het oordeel van de kantonrechter anders, nu [naam 1] erkent dat hij regelmatig € 50,00 leefgeld ontving van HB Andijk. Nu volgens de stellingen van Verkade q.q. [naam 1] vanaf mei 2016 wekelijks € 50,00 ontving zal over 2016
€ 1.700,00 (34 weken x € 50,00) en over 2017 € 450,00 (het bedrag dat [naam 1] volgens HB Andijk in 2017 contant heeft ontvangen) in mindering worden gebracht op het openstaande bedrag van € 18.524,07. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van achterstallig loon toewijzen tot een bedrag van € 16.374,07 netto.

5.15.

De gevorderde wettelijke verhoging over het achterstallig loon is toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding ziet de wettelijke verhoging te matigen tot 20 %. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment van verzuim.

5.16.

De proceskosten komen voor rekening van HB Andijk, omdat zij merendeels ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt HB Andijk tot betaling aan Verkade q.q. van een transitievergoeding van
€ 2.626,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 september 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt HB Andijk tot betaling aan Verkade q.q. van een billijke vergoeding van
€ 550,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking;

6.3.

veroordeelt HB Andijk tot betaling aan Verkade q.q. van het achterstallig loon over de periode 1 juli 2017 tot 21 augustus 2017, uitgaande van € 2.244,17 per vier weken, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 20 % en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verzuim tot de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt HB Andijk tot afgifte aan Verkade q.q. van deugdelijke salarisspecificaties over 1 juni 2017 tot 21 augustus 2017, een jaaropgave over 2017 en een eindafrekening, op straffe van een door HB Andijk te verbeuren dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig zal zijn hieraan te voldoen, met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis, met een maximum van € 2.000,00;

6.5.

gebiedt HB Andijk over te gaan tot het voldoen van een bedrag dat voortvloeit uit de uitbetaling van 11,7 vakantiedagen en 290,7 roostervrije uren uit hoofde van de eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 20 % en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verzuim tot de dag van de gehele betaling;

6.6.

veroordeelt HB Andijk tot betaling van het achterstallig loon over januari 2015 tot en met juni 2017, zijnde (het bruto equivalent van) € 16.374,07 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 20 % en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verzuim tot de dag van de gehele betaling;

6.7.

veroordeelt HB Andijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Verkade q.q. tot en met vandaag vaststelt op € 678,00, te weten:

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 600,00 ;

6.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst het verzochte voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr S.B. Rip, kantonrechter en op 11 december 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter