Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10090

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
15/710441-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak regiomanager thuiszorgorganisatie t.z.v. het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van een cliënt en dood door schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710441-13 (P)

Uitspraakdatum: 30 november 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.G. Hendriks en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 25 december 2012 te Haarlem, en/of (elders) in Nederland, in zijn hoedanigheid van regiomanager van [thuiszorgorganisatie] , opzettelijk [slachtoffer 1] , tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzorging hij krachtens overeenkomst, verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft hij, verdachte,

niet, althans onvoldoende zorggedragen voor:

- een goede overdracht van de bedrijfsvoering en/of een verantwoord beheer van de personenalarmeringen en/of de huissleutels van contractanten van [thuiszorgorganisatie] , en/of

- de aanwezigheid en/of een verantwoord beheer van de zorgdossiers, en/of

- de aanwezigheid van gediplomeerde en/of (voldoende) deskundige en/of bekwame zorgverleners, en/of

- ( duidelijke) afspraken, althans (een) (duidelijke) werkwijze(n)/procedure(s)/ richtlijn(en) met betrekking tot personenalarmeringen en/of huissleutels van contractanten en/of de wijze van handelen bij een gesloten deur, en/of

toen hij vernam dat de zorgbehoevende [slachtoffer 1] een alarmmelding had gedaan,

- niet (voldoende) geïnformeerd en/of onderzoek gedaan naar de oorzaak en/of toedracht van de alarmmelding van [slachtoffer 1] en/of naar de zorgvraag en/of de risico's bij die [slachtoffer 1] , en/of

- de ZZP'er(s) en/of de verpleegkundige(n) van [thuiszorgorganisatie] die zich (mede) op zijn verzoek naar de woning van [slachtoffer 1] begaf/begaven, (telkens) niet (voldoende) geïnformeerd en/of geïnstrueerd, en/of

- terwijl deze ZZP'er(s) en/of verpleegkundige(n) [slachtoffer 1] aldaar niet had(den) gezien en/of gehoord en/of geen hulp aan [slachtoffer 1] had(den) verleend, aan haar/hen medegedeeld dat zij kon(den) vertrekken, en/of

- nagelaten zich ervan te vergewissen of tijdig en/of adequaat op de alarmmelding en/of zorgvraag was gereageerd,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 25 december 2012 te Haarlem en/of (elders) in Nederland, in zijn hoedanigheid van regiomanager van [thuiszorgorganisatie] , grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of onoordeelkundig, althans met aanmerkelijke verwaarlozing van de in deze te betrachten zorgvuldigheid heeft gehandeld en/of heeft nagelaten, immers heeft hij, verdachte, (telkens)

niet, althans onvoldoende zorggedragen voor:

- een goede overdracht van de bedrijfsvoering en/of een verantwoord beheer van de personenalarmeringen en/of de huissleutels van contractanten van [thuiszorgorganisatie] , en/of

- de aanwezigheid en/of een verantwoord beheer van de zorgdossiers, en/of

- de aanwezigheid van gediplomeerde en/of (voldoende) deskundige en/of bekwame zorgverleners, en/of

- ( duidelijke) afspraken, althans (een) (duidelijke) werkwijze(n)/procedure(s)/ richtlijn(en) met betrekking tot personenalarmeringen en/of huissleutels van contractanten en/of de wijze van handelen bij een gesloten deur, en/of

toen hij vernam dat de zorgbehoevende [slachtoffer 1] een alarmmelding had gedaan,

- niet (voldoende) geïnformeerd en/of onderzoek gedaan naar de oorzaak en/of toedracht van de alarmmelding van W. [slachtoffer 1] en/of naar de zorgvraag en/of de risico's bij die [slachtoffer 1] , en/of

- de ZZP'er(s) en/of de verpleegkundige(n) van [thuiszorgorganisatie] die zich (mede) op zijn verzoek naar de woning van [slachtoffer 1] begaf/begaven, (telkens) niet (voldoende) geïnformeerd en/of geïnstrueerd, en/of

- terwijl deze ZZP'er(s) en/of verpleegkundige(n) [slachtoffer 1] aldaar niet had(den) gezien en/of gehoord en/of geen hulp aan [slachtoffer 1] had(den) verleend, aan haar/hen medegedeeld dat zij kon(den) vertrekken, en/of

- nagelaten zich ervan te vergewissen of tijdig en/of adequaat op de alarmmelding en/of zorgvraag was gereageerd,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten een ketoacidose en hypothermie, heeft bekomen en dat deze ten gevolge hiervan aan cardiale uitputting is overleden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van verdachte. Hiertoe is betoogd dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder in strijd met het verbod van willekeur, door [medewerker 1] niet als verdachte aan te merken. Door wel strafrechtelijke vervolging tegen verdachte en niet tegen [medewerker 1] in te stellen, is geen sprake geweest van een redelijke en billijke belangenafweging, aldus de raadsman.

Bij de beoordeling van dit verweer geldt als uitgangspunt dat aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie wordt begrensd door de beginselen van goede procesorde. Het gelijkheidsbeginsel, waarop de raadsman een beroep heeft gedaan, is zo’n beginsel. Het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Wanneer het Openbaar Ministerie handelt in strijd met een beginsel van goede procesorde, kan dit leiden tot de conclusie dat onzorgvuldig en willekeurig is gehandeld. Onzorgvuldig en willekeurig handelen kan in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging.

De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de uitleg die de officier van justitie ter terechtzitting heeft gegeven, dat niet gezegd kan worden dat sprake is van gelijke gevallen. [medewerker 1] was ten tijde van het incident met vakantie gestuurd en mocht niet werken. Hij had derhalve op dat moment, anders dan verdachte die was aangesteld als regiomanager, geen taken en verantwoordelijkheden (meer) binnen de organisatie. Het verweer dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De rechtbank stelt voorts vast dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing daarvan.

3 Inleiding
De rechtbank stelt op grond van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.


[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , is in april 2012 cliënt geworden bij thuiszorgorganisatie [thuiszorgorganisatie] te [vestigingsplaats] . Diezelfde maand wordt tevens een personenalarmering voor [slachtoffer 1] aangevraagd bij [organisatie] . Bij de totstandkoming van de zorgovereenkomst met [thuiszorgorganisatie] en de aanvraag van de personenalarmering bij [organisatie] is namens [thuiszorgorganisatie] de toenmalige vestigingsmanager [medewerker 1] betrokken.

Op 20 december 2012 om 17:23 uur doet [slachtoffer 1] een alarmmelding. Zij zegt dat zij knel ligt onder de bank. Deze alarmmelding komt via [organisatie] terecht bij [medewerker 1] . [medewerker 1] is op dat moment echter met vakantie gestuurd en mag niet werken. [medewerker 1] belt om 17:26 uur de opvolgend regiomanager, verdachte. Verdachte belt vervolgens [medewerker 2] , op dat moment werkzaam als ZZP-er voor [thuiszorgorganisatie] , en vraagt haar diezelfde avond langs te gaan bij [slachtoffer 1] . [medewerker 2] belt aan bij de woning van [slachtoffer 1] , echter er wordt niet opengedaan. Ook krijgt zij geen gehoor wanneer zij het telefoonnummer van [slachtoffer 1] belt. [medewerker 2] neemt weer contact op met verdachte en hij vraagt haar te overleggen met [medewerker 3] , de “Eerst Verantwoordelijke Verpleegkundige”. De volgende dag, op 21 december 2012, gaat [medewerker 3] bij [slachtoffer 1] langs maar ook dan wordt niet opengedaan. Zij heeft hierover diezelfde dag telefonisch contact met verdachte.

Op zaterdag 22 december 2012 ontvangt de politie een melding van de schoondochter van [slachtoffer 1] . Zij is woonachtig in Noorwegen en maakt zich zorgen omdat ze haar schoonmoeder al een paar dagen telefonisch niet te pakken kan krijgen. De politie gaat kort daarna ter plaatse en ziet [slachtoffer 1] door het keukenraam roerloos op de grond in de woonkamer liggen. Met de sleutel die bij de buren ligt, gaat de politie naar binnen. Op dat moment ademt [slachtoffer 1] wel maar zij is totaal niet aanspreekbaar. Tevens ziet [slachtoffer 1] er grauw uit en voelt zij zeer koud aan. Haar voeten, tot ongeveer de enkels, hebben een donkere blauwe dan wel zwarte kleur.

[slachtoffer 1] wordt opgenomen in het ziekenhuis. Zij overlijdt op 25 december 2012 aan cardiale uitputting na een ketoacidose (verzuring van het bloed) en hypothermie (onderkoeling).

Verdachte is sinds 1 november 2012 in dienst van [thuiszorgorganisatie] in de functie van regiomanager. Hem is primair ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 1] , tot wiens verpleging of verzorging hij krachtens overeenkomst verplicht was, opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gelaten, welk feit de dood tot gevolg heeft gehad. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij schuld heeft aan de dood van [slachtoffer 1] .

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Als regiomanager was verdachte verantwoordelijk voor het maken en (doen) uitvoeren van een plan van aanpak als hem een probleem werd voorgelegd. Daarnaast was verdachte direct betrokken bij de verkeerde keuzes die zijn gemaakt voor de deur van [slachtoffer 1] . Had hij de juiste kennis gehad, volgens de juiste protocollen gewerkt en in het totaal adequater gereageerd op de melding die bij hem binnen kwam, dan was [slachtoffer 1] op 20 december 2012 gevonden en was de kans groot geweest dat de lichamelijke gevolgen voor [slachtoffer 1] heel anders waren geweest.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe - kort samengevat - de volgende punten aangevoerd.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat:

- de dagvaarding partieel nietig is,

- op verdachte in persoon geen verplichting krachtens overeenkomst rustte tot onderhoud, verpleging of verzorging,

- de aan verdachte ten laste gelegde feitelijke handelingen en/of het nalaten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden dan wel aan verdachte kunnen worden toegerekend,

- er geen causaal verband bestaat tussen de ten laste gelegde gedragingen en/of nalaten en het overlijden van het slachtoffer,

- niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehandeld.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat:

- de aan verdachte ten laste gelegde feitelijke handelingen en/of het nalaten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden dan wel aan verdachte kunnen worden toegerekend,

- er geen sprake is van schuld in strafrechtelijke zin.

Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat in de tenlastelegging de verkeerde rechtspersoon staat vermeld.

5 Oordeel van de rechtbank

5.1.

Vrijspraak

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, wegens onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde opzet van de verdachte, dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe is het volgende redengevend.

Voorop gesteld dient te worden dat het begrip “opzet” in een juridische context een ruimere betekenis heeft dan in het algemene spraakgebruik. Als wordt gezegd dat iemand iets met opzet of opzettelijk heeft gedaan, wordt daarmee in het algemeen bedoeld dat die persoon expres zo heeft gehandeld en met een bepaald doel voor ogen. Opzet in juridische zin kent echter nog meer varianten. De lichtste vorm daarvan is “voorwaardelijk opzet”.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vergelijk Hoge Raad d.d. 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en Hoge Raad d.d. 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862).

De vraag die in deze derhalve beantwoord dient te worden is of bewezen kan worden dat verdachte wist dat zijn handelwijze de aanmerkelijke kans op het in hulpeloze toestand van [slachtoffer 1] laten in het leven zou roepen, met alle gevolgen van dien, en dat hij – in het bevestigende geval – niettemin die gevolgen bewust op de koop toe heeft genomen. Die vraag dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord.

Verdachte heeft zowel bij de politie en de rechter-commissaris als ter terechtzitting steeds verklaard dat hij, op het moment dat hij werd gebeld door [medewerker 1] , niet wist dat er sprake was van een urgente situatie. Hij heeft begrepen dat er iemand bij [slachtoffer 1] langs moest en ging ervan uit dat er sprake was van geplande zorg. Teneinde te verifiëren om welke cliënt het precies ging, heeft verdachte [medewerker 1] ongeveer 20 minuten later, toen hij inmiddels thuis was en had ingelogd in het systeem, nog eens teruggebeld. Ook tijdens dat telefoongesprek is hem de urgentie van de melding van [slachtoffer 1] niet duidelijk geworden. Verdachte heeft vervolgens [medewerker 2] gebeld met het verzoek bij [slachtoffer 1] langs te gaan en toen [medewerker 2] hem terugbelde met de mededeling dat er door [slachtoffer 1] niet werd opengedaan, heeft hij [medewerker 2] verzocht contact op te nemen met de vaste verpleegkundige van [slachtoffer 1] , [medewerker 3] . De volgende dag heeft verdachte zelf contact gehad met [medewerker 3] .

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, met de kennis van nu, beter had moeten doorvragen tijdens het gesprek met [medewerker 1] . Als hij op dat moment doordrongen zou zijn geweest van de urgentie van de melding, zou hij anders hebben gehandeld.

Uit de verklaringen van verdachte en de gedragingen van verdachte net nadat hij de melding van [medewerker 1] had ontvangen, kan niet worden opgemaakt dat verdachte wist noch dat hij de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand zou laten. Dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] was gevallen, kan op grond van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met zekerheid worden vastgesteld. Getuige [medewerker 2] verklaart weliswaar dat zij van verdachte had gehoord dat [slachtoffer 1] was gevallen maar zij is eerst op 23 januari 2013 door de politie gehoord. Op dat moment was reeds bekend dat [slachtoffer 1] een personenalarmering had en een alarmmelding had gedaan omdat zij was gevallen. Getuige [medewerker 3] heeft verklaard dat zij niet wist dat [slachtoffer 1] was gevallen. Tijdens haar verhoor bij de politie op 5 februari 2013 verklaart zij dat zij van [medewerker 2] alleen maar had gehoord dat [medewerker 1] had gebeld met de mededeling dat [slachtoffer 1] had gebeld en dat er iemand langs moest. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte kan worden verweten dat hij tijdens zijn telefoongesprekken met [medewerker 1] niet goed heeft doorgevraagd wat de reden was van het telefoontje van [medewerker 1] op dat moment en waarom er iemand bij [slachtoffer 1] langs moest gaan, kan niet bewezen worden dat verdachte met opzet [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gelaten, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. De enkele verklaring van [medewerker 1] dat hij aan verdachte heeft doorgegeven dat [slachtoffer 1] was gevallen en klem lag onder de bank en dat er daarom iemand naar haar toe moest, is onvoldoende om tot bewijs van (voorwaardelijk) opzet te komen.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit

Om tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde te komen, dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat verdachte schuld in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht heeft aan de dood van [slachtoffer 1] . Er dient sprake te zijn van min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Bij de beoordeling van de mate van schuld dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waarbij echter de ernst van het gevolg niet redengevend is voor de mate van schuld.

Zoals hiervoor reeds overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte verweten kan worden dat hij tijdens de telefoongesprekken met [medewerker 1] , met name tijdens het eerste telefoongesprek, niet goed heeft doorgevraagd wat de reden was van het telefoontje van [medewerker 1] op dat moment en waarom er iemand bij [slachtoffer 1] langs moest gaan. Verdachte heeft in dit verband slechts verklaard dat hij tijdens dit telefoongesprek niet heeft doorgevraagd omdat hij op geen enkel moment het gevoel heeft gekregen dat er sprake was van een urgente situatie maar heeft ter terechtzitting ook erkend dat hij, met de kennis van nu, beter had moeten doorvragen. Hij heeft 20 minuten later teruggebeld naar [medewerker 1] en hem gevraagd om welke cliënt het precies ging alsmede naar de indicatiestelling van deze cliënt. Ook tijdens dat telefoongesprek heeft verdachte kennelijk niet het signaal gekregen dat er sprake was van een acute zorgvraag. Ook hier heeft te gelden dat de enkele verklaring van [medewerker 1] dat hij aan verdachte heeft doorgegeven dat [slachtoffer 1] was gevallen en klem lag onder de bank en dat er daarom iemand naar haar toe moest, onvoldoende is om aan te nemen dat een mededeling van zodanige urgentie ook daadwerkelijk aan verdachte is gedaan. Verdachte heeft na het tweede telefoongesprek met [medewerker 1] een ZZP-er ingeschakeld en haar gevraagd bij [slachtoffer 1] langs te gaan. Toen zij aangaf dat er niet werd opengedaan, heeft hij haar laten overleggen met de vaste verpleegkundige van [slachtoffer 1] . De volgende dag heeft verdachte zelf contact gehad met de vaste verpleegkundige die hem liet weten dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk bij haar stiefdochter of buurvrouw zou zijn.

De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak gaat om een zeer ernstig incident met onomkeerbare gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in de genoemde omstandigheden evenwel te ver om verdachte de hem verweten gedraging in strafrechtelijke zin aan te rekenen als grof of aanmerkelijk onachtzaam of nalatig. Verdachte heeft weliswaar niet voldoende doorgevraagd tijdens de telefoongesprekken met [medewerker 1] echter, in de keten van communicatie die is ontstaan nadat [slachtoffer 1] een alarmmelding had gedaan, waren meerdere personen betrokken. Niet is vast te stellen in hoeverre de verdachte verweten gedraging mede in de hand is gewerkt door de handelwijze van deze overige betrokkenen.

Wat betreft de overige in de tenlastelegging genoemde – op de (gebrekkige) bedrijfsvoering gerichte – gedragingen is de rechtbank van oordeel, nog daargelaten of alle tenlastegelegde verwijten kunnen worden bewezen, dat niet aannemelijk is geworden dat er een zodanig verband bestaat tussen dit incident en de aan verdachte verweten gedragingen dat de dood van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als het gevolg van die (gebrekkige) bedrijfsvoering aan verdachte kan worden toegerekend.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Nu de rechtbank reeds op grond van het bovenstaande zowel ten aanzien van het primair als het subsidiair ten laste gelegde tot vrijspraak komt, zal zij de overige door de raadsman gevoerde verweren onbesproken laten.

6 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.594,53 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. Dit laat onverlet dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

7 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. K.I. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. V.J.M. Goldschmeding

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2017.