Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:10006

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
6069798 \ VV EXPL 17-100
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Concurrentie- en relatiebeding in tijdelijk contract rechtsgeldig. Geen onbillijke benadeling werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6290
JAR 2017/262
AR-Updates.nl 2017-1423
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6069798 \ VV EXPL 17-100

Uitspraakdatum: 6 juli 2017 (bij vervroeging)

Vonnis in kort geding in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Royaal Vastgoed B.V.

gevestigd te Zaandam

eiseres is conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie

verder te noemen: Royaal Vastgoed

gemachtigde: mr. S.I.P. Schouten

tegen

1 [werknemer 1]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie

verder te noemen: [werknemer 1]

gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp

2 [werknemer 2]
wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie
verder te noemen: [werknemer 2]
gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp

1 Het procesverloop

1.1.

Royaal Vastgoed heeft [werknemer 1] en [werknemer 2] op 16 juni 2017 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Royaal Vastgoed bij brief van 26 juni 2017 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Royaal Vastgoed is in februari 2014 opgericht en exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het investeren in grond. Ze zoekt daartoe strategisch gelegen percelen (landbouw)grond. Indien het Royaal Vastgoed na onderzoek aannemelijk lijkt dat op een perceel in de toekomst ontwikkeling kan plaatsvinden, onderzoekt zij de mogelijkheid het perceel aan te kopen. Na aankoop wordt het perceel in kleinere kavels gesplitst en aan derden verkocht.

2.2.

[werknemer 1] is met ingang van 1 september 2015 bij Royaal Vastgoed in dienst getreden. Zijn functie zoals opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst luidde ‘adviseur’. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor drie maanden en vervolgens verlengd voor een periode van zes maanden. Met ingang van 1 september 2016 is hij voor onbepaalde tijd in dienst. Wegens wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden hebben partijen per 1 februari 2017 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten.

2.3.

[werknemer 2] is met ingang van 6 juni 2016 bij Royaal Vastgoed in dienst getreden in de functie van adviseur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor drie maanden en vervolgens verlengd voor een periode van zes maanden. Met ingang van 6 maart 2017 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor een periode van twaalf maanden.

2.4.

In de laatste door [werknemer 1] en [werknemer 2] ondertekende arbeidsovereenkomsten zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
6. Verbod van nevenwerkzaamheden
Het is de Werknemer niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Werkgever in welke vorm dan ook, betaalde of onbetaalde nevenwerkzaamheden te verrichten of tijdens het dienstverband voor eigen rekening werkzaamheden te verrichten.
(…)

8. Non-concurrentiebeding
De Werknemer verbindt zich om zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van één jaar na het einde daarvan, op enigerlei wijze, direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor anderen, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de Werkgever of met dat van andere ondernemingen waarmee de Werkgever in een groep is verbonden, noch daarbij diens bemiddeling of advisering, in welke vorm ook, direct of indirect, te verlenen, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben. In de uitoefening van zijn functie zal Werknemer kennis opdoen van een samenhangend geheel van financiële, organisatorische en (marketing)technische informatie die Werkgever onderscheidt van zijn concurrenten en in belangrijke mate zijn marktpositie bepaalt. Werknemer krijgt bovendien, gelet op zijn functie volledig inzicht in de locatie waar Werkgever actief is, alsmede de financiële positie van Werkgever en haar klanten. Werkgever heeft er een groot belang bij dat voornoemde kennis niet gebruikt wordt door zijn concurrenten. Het in dit artikel opgenomen concurrentiebeding is derhalve noodzakelijk vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen als bedoeld in artikel 653 lid 2 BW

9. Relatiebeding
De Werknemer verbindt zich op gedurende een periode van één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, op enigerlei wijze, direct noch indirect, noch voor zichzelf, noch voor anderen, in enigerlei vorm professionele diensten te verrichten of doen verrichten (waaronder begrepen derden ertoe bewegen om) voor en/of op enigerlei wijze in contact te treden (actief en/of passief) met personeelsleden, cliënten en/of relaties van de Werkgever en/of afnemers van producten en/of diensten van de Werkgever, of van andere ondernemingen waarmee de Werkgever in een groep is verbonden, behoudens uitdrukkelijke, schriftelijke toestemming van de Werkgever. Werkgever heeft een zwaarwegend belang bij het overeenkomen van dit relatiebeding omdat zijn onderneming volledig afhankelijk is van het behoud van zijn klanten en relaties. Gelet op het feit dat werknemer gelet op zijn functie veel contact met de klanten en relaties van werkgever zal krijgen is ter voorkoming van een groot afbreukrisico een relatiebeding noodzakelijk om de onderneming van werkgever te beschermen. (…)”

2.5.

Naast [werknemer 1] en [werknemer 2] heeft Royaal Vastgoed nog drie medewerkers in dienst.

2.6.

Op 22 september 2016 is de domeinnaam www. ignvastgoed.nl geregistreerd.

2.7.

Op 22 mei 2017 hebben [werknemer 1] en [werknemer 2] de besloten vennootschap IGN Vastgoed B.V. opgericht. Het bij de Kamer van Koophandel geregistreerde e-mailadres van deze onderneming is info@ ignvastgoed.nl .

2.8.

Op 31 mei 2017 hebben [werknemer 1] en [werknemer 2] hun arbeidsovereenkomsten opgezegd.

2.9.

Op 31 mei 2017 heeft tussen [werknemer 1] en een voormalig werkneemster van Royaal Vastgoed een WhatsApp conversatie plaatsgevonden waarin [werknemer 1] onder meer de volgende berichten heeft verzonden:
“ [werknemer 2] en ik hebben vandaag ontslag genomen bij Royaal”
“gaan voor ons zelf”
“meer moneys”
“nou toch hebben we het gedaan”
“grond verkopen”

3 De vordering

3.1.

Royaal Vastgoed vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [werknemer 1] en [werknemer 2] :
1. verbiedt:
- tot en met 30 juni 2017 het in artikel 6 van hun arbeidsovereenkomsten opgenomen nevenwerkzaamhedenbeding te schenden en;
- tot en met 30 juni 2018 het in artikel 8 van hun arbeidsovereenkomsten opgenomen non-concurrentiebeding en in artikel 9 van hun arbeidsovereenkomsten opgenomen relatiebeding zowel gedurende als tijdens de resterende tijd van hun dienstverband te schenden,
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per gedaagde per overtreding, alsmede € 2.500,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt indien zij binnen 24 uur na betekening van het vonnis daarmee in gebreke blijven tot een maximum van € 100,000,00 per gedaagde, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom van een door de rechter te bepalen dwangsom met maximum;
2. gebiedt aan Royaal Vastgoed binnen twee dagen na dit vonnis alle informatie en documenten te verstrekken die betrekking hebben op de percelen grond waarvan zij het voornemen hadden of hebben deze aan te schaffen voor eigen commerciële doeleinden dan wel reeds hebben aangeschaft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,00 per gedaagde indien zij binnen 24 uur na betekening van het vonnis daarmee in gebreke blijven alsmede € 1.500,00 voor iedere dag dat zij in gebreke blijven tot een maximum van € 75.000,00 per gedaagde, althans op straffe van een door de rechter te bepalen dwangsom met maximum.

3.2.

Royaal Vastgoed legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [werknemer 1] en [werknemer 2] zich reeds voor de op 31 mei 2017 gedane opzeggingen bezig hielden met werkzaamheden die concurrerend zijn met die van hun werkgever. Zij hebben twee houdstervennootschappen en een gezamenlijke werkmaatschappij IGN Vastgoed B.V. opgericht. Daarnaast hebben zij op 22 september 2016 de domeinnaam www. IGNvastgoed.nl geregistreerd. Aan een ex-werkneemster van Royaal Vastgoed heeft [werknemer 1] meegedeeld dat [werknemer 2] en hij op 31 mei 2017 ontslag hebben genomen zodat ze meer geld konden verdienen en dat hun activiteiten zouden bestaan uit het verkopen van grond. Ook hebben ze toegegeven reeds grond te hebben aangekocht, hetgeen later door hun advocaat werd afgezwakt met de mededeling dat ze op 31 mei 2017 zouden hebben meegedeeld dat ze grond ‘op het oog hadden om te kopen’. Om definitief te kunnen vaststellen of [werknemer 1] en [werknemer 2] aan Royaal Vastgoed een corporate opportunity hebben onthouden en daarmee het concurrentiebeding hebben geschonden, vordert Royaal Vastgoed afgifte van de in de vordering genoemde stukken. Gelet op de gebleken intentie van [werknemer 1] en [werknemer 2] om zo spoedig mogelijk concurrerende werkzaamheden uit te voeren en omdat dit naar alle waarschijnlijk reeds gaande is, heeft Royaal Vastgoed een spoedeisend belang bij het gevorderde.

4 Het verweer en de (voorwaardelijke) tegenvordering

4.1.

[werknemer 1] en [werknemer 2] concluderen tot afwijzing van de vordering. [werknemer 1] en [werknemer 2] stellen zich op het standpunt dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat de concurrentie- en relatiebedingen nietig zijn dan wel vernietigd dienen te worden.

4.2.

[werknemer 2] voert – samengevat – aan dat het in zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opgenomen concurrentie- en relatiebeding niet voldoet aan de minimale formele vereisten van artikel 7:653 lid 2 BW. [werknemer 2] is van mening dat het concurrentiebeding algemeen van aard is, nu een omschrijving van de specifieke financiële, organisatorische en (marketing)technische informatie die hij bij Royaal Vastgoed zal verwerven en die beschermd moet worden door het beding, ontbreekt. Voorts is het gelijkluidend aan het concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst van [werknemer 1] , terwijl hij binnen Royaal Vastgoed een andere functie heeft. Verder ontbreekt een functienaam in de overeenkomst en in het concurrentiebeding. Ook de motivering van het relatiebeding is algemeen van aard nu deze niet specifiek is toegespitst op zijn functie en er niet uit volgt om welk risico het voor Royaal Vastgoed gaat. Ook is de motivering gelijkluidend aan de motivering die is opgenomen in de arbeidsovereenkomst van [werknemer 1] .
Voor zover wel voldaan is aan de minimale formele toets, voert [werknemer 2] aan dat op dezelfde gronden niet is voldaan aan de inhoudelijke motiveringsplicht ex artikel 7:653 lid 3 sub a BW, nu uit de bedingen onvoldoende blijkt om welke concrete zwaarwegende bedrijfsbelangen het gaat en de noodzaak van de bedingen onvoldoende is toegelicht. Daarnaast betwist [werknemer 2] dat hij beschikt over specifieke financiële, organisatorische en marketingtechnische informatie.
[werknemer 1] en [werknemer 2]

4.3.

[werknemer 1] en [werknemer 2] – deze laatste ingeval wordt geoordeeld dat Royaal Vastgoed wel aan de motiveringplicht heeft voldaan – voeren aan dat hun belangen zwaarder wegen dan het belang van Royaal Vastgoed en dat zij bij handhaving van de bedingen onbillijk worden benadeeld in de zin van artikel 7:653 lid 3 sub b BW. Zij betwisten dat zij het hart van Royaal Vastgoed vormen en niet zouden kunnen worden vervangen. Zij zijn maar korte tijd werkzaam geweest bij Royaal Vastgoed en hebben bij Royaal Vastgoed geen enkele cursus gedaan. Royaal Vastgoed wordt met hun vertrek (nagenoeg) niet in haar concurrentiepositie geschaad. De grondmarkt is een grote wereld, die is onder te verdelen in verschillende branches. [werknemer 1] en [werknemer 2] zijn van plan zich op een andere branche te richten dan Royaal Vastgoed, dat zich richt op agrarische grond en woningbouw. Omdat de verkoop van grond uit koude leads bestaat, is het vrijwel uitgesloten dat [werknemer 1] en [werknemer 2] contact opnemen met dezelfde leads als Royaal Vastgoed. Voor [werknemer 1] is het daarnaast nagenoeg onmogelijk om in een andere branche dan de grondmarkt werkzaam te zijn. Hij heeft geen diploma’s en heeft enkel en alleen werkervaring opgedaan binnen de grondmarkt. [werknemer 1] en [werknemer 2] kunnen thans een belangrijke positieverandering ondergaan door te gaan ondernemen en zich daarmee verder te ontwikkelen en ontplooien. [werknemer 1] en [werknemer 2] kan geen verwijt worden gemaakt van voor de beëindiging van het dienstverband. Zij bouwen geen pensioen op, er is geen sprake van trainingen, begeleiding en doorgroeimogelijkheden.

4.4.

[werknemer 1] en [werknemer 2] stellen zich ten aanzien van de vordering tot het verstrekken van informatie en documenten op het standpunt dat onvoldoende is onderbouwd, dat zij Royaal Vastgoed een corporate opportunity zouden hebben ontnomen. Zij betwisten grond te hebben gekocht.

4.5.

Verder concluderen [werknemer 1] en [werknemer 2] tot afwijzing dan wel matiging van de gevorderde dwangsommen.

4.6.

[werknemer 1] en [werknemer 2] vorderen, in voorwaardelijke reconventie, te weten voor zover de kantonrechter een of meer van de gevoerde verweren honoreert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- primair het concurrentie- en relatiebeding geheel zal schorsen;
- subsidiair het concurrentie- en relatiebeding gedeeltelijk zal schorsen, namelijk door het beding niet van toepassing te laten zijn voor een andere branche dan de branche voor de woningbouw, het beding te schorsen tot maximaal zes maanden en de geografische spreiding van het beding te schorsen tot de statutaire zetel van Royaal Vastgoed;
met veroordeling van Royaal Vastgoed in de proceskosten en nakosten.

4.7.

[werknemer 1] en [werknemer 2] leggen aan de vordering ten grondslag hetgeen zij in conventie als verweer hebben gevoerd.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als Royaal Vastgoed daarbij een spoedeisend belang heeft. Gelet op de aard van de vorderingen is hiervan sprake.

5.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Royaal Vastgoed heeft ter zitting verklaard het geschilpunt ten aanzien van de door [werknemer 1] en [werknemer 2] al dan niet in acht genomen opzegtermijn in de onderhavige procedure buiten beschouwing te laten, onder voorbehoud van haar recht dit punt in een eventuele bodemprocedure alsnog aan de orde te stellen.

5.4.

Het eerste onderdeel van het petitum zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat [werknemer 1] en [werknemer 2] bij de opzegging van hun arbeidsovereenkomsten een opzegtermijn van een maand in acht hebben genomen, is het in artikel 6 van de arbeidsovereenkomsten opgenomen nevenwerkzaamhedenbeding thans niet meer van kracht.

5.5.

Vooropgesteld wordt dat [werknemer 1] de geldigheid van het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en het relatiebeding niet heeft betwist, zodat hij daaraan in beginsel is gehouden.

5.6.

Nu [werknemer 2] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met Royaal Vastgoed heeft, dient te worden beoordeeld of de in deze arbeidsovereenkomst opgenomen bedingen rechtsgeldig zijn. Uitgangspunt is immers dat een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig is, tenzij uit de bij het beding opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van de werkgever.

5.7.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:653 lid 2 BW volgt dat aan dit artikellid de gedachte ten grondslag ligt dat een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd “dubbel nadeel” ondervindt, omdat een dergelijk beding belemmerend werkt bij een overstap naar een andere baan, terwijl bij aanvang van de overeenkomst vaststaat dat deze in beginsel van korte duur is. Van belang is verder dat in het beding zelf gemotiveerd dient te worden welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die het desbetreffende beding vereisen. Dit noopt de werkgever tot een concrete afweging van de over en weer bestaande belangen en voorkomt daarmee een lichtvaardig gebruik van het beding (Kamerstukken II 2013/4, 33818, 3, p. 16-18). De kantonrechter komt tot het voorlopige oordeel dat de in de arbeidsovereenkomst onder 8 en 9 vermelde motiveringen voldoende onderbouwen om welke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen het gaat en waarom die het desbetreffende beding vereisen. In het concurrentiebeding wordt voldoende specifiek ingegaan op de kennis die [werknemer 2] zal vergaren en in het relatiebeding wordt expliciet gewezen op het klantencontact. Daarmee zijn de belangen gespecificeerd met betrekking tot de werkzaamheden en de functie van [werknemer 2] . Dat het beding geen functienaam bevat en dat het gelijkluidend is aan het beding van [werknemer 1] doet hieraan niet af. Daarbij heeft Royaal Vastgoed ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat [werknemer 2] in zijn functie in aanraking is gekomen met vertrouwelijke informatie en kennis heeft genomen van de werkwijzen en knowhow van Royaal Vastgoed. [werknemer 2] deed in overleg met de twee directeuren van Royaal Vastgoed onderzoek naar aan te kopen percelen grond en stelde verkoopbrochures op. Royaal Vastgoed heeft voorts stukken overgelegd waaruit blijkt dat [werknemer 2] inzicht had in de financiële positie van twee klanten van Royaal Vastgoed. Royaal Vastgoed heeft dan ook voldoende onderbouwd dat het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding in dit concrete geval noodzakelijk is in de zin van artikel 7:653 lid 2 BW. Ook [werknemer 2] is dus in beginsel gehouden aan het in zijn contract opgenomen verbod van nevenwerkzaamheden en van het concurrentie beding en het relatiebeding.

5.8.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of [werknemer 1] en [werknemer 2] in verhouding tot het te beschermen belang van Royaal Vastgoed door (onverkorte) handhaving van de bedingen in onbillijke mate wordt benadeeld. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is hiervan geen sprake. Royaal Vastgoed heeft er in dit kader op gewezen dat [werknemer 1] en [werknemer 2] twee van de in totaal drie door Royaal Vastgoed tot nu toe gerealiseerde projecten hebben begeleid en verkocht. Daarmee vormen zij, anders dan zij zelf betogen, het hart van de organisatie. Daarbij is [werknemer 1] van alle medewerkers het langst in dienst en kent hij de werkwijze van Royaal Vastgoed het beste. [werknemer 1] en [werknemer 2] zullen de bij Royaal Vastgoed opgedane kennis over haar werkwijze direct kunnen toepassen. Daarnaast is de kans aanwezig dat [werknemer 1] en [werknemer 2] zakelijke mogelijkheden die ze kunnen hebben gevonden tijdens hun dienstverband bij Royaal Vastgoed, voor zichzelf bewaren en na hun uitdiensttreding te eigen bate zullen benutten. Vast staat in elk geval dat [werknemer 1] en [werknemer 2] op 31 mei 2017 al grond op het oog hadden om te kopen. Voorts heeft Royaal Vastgoed erop gewezen dat de grondmarkt een zeer kleine wereld is, zonder strikt gescheiden branches, waarbij de kans groot is dat [werknemer 1] en [werknemer 2] in contact zullen blijven of weer zullen komen met klanten en relaties van Royaal Vastgoed indien zij na uitdiensttreding dezelfde activiteiten blijven ontplooien als zij tijdens het dienstverband ten behoeve van Royaal Vastgoed deden. Royaal Vastgoed heeft voorts onvoldoende weersproken gesteld dat [werknemer 1] en [werknemer 2] door haar intern voor hun functies zijn opgeleid. [werknemer 1] en [werknemer 2] hebben enerzijds naar voren gebracht dat zij geen enkele opleiding hebben genoten bij Royaal Vastgoed, maar anderzijds “zijn opgeleid binnen de branche inhoudende de verkoop van gronden”. Nu vaststaat dat [werknemer 1] slechts ongeveer zes maanden bij een ander bedrijf in deze branche heeft gewerkt en [werknemer 2] geen enkele eerdere ervaring in deze branche had, kan het niet anders dan dat zij door Royaal Vastgoed voor hun functies zijn opgeleid. Verder snijdt, zoals Royaal Vastgoed terecht heeft opgeworpen het argument van [werknemer 2] dat er binnen Royaal Vastgoed geen sprake was van doorgroeimogelijkheden, geen hout, reeds omdat [werknemer 2] nog geen jaar bij Royaal Vastgoed werkzaam was.

5.9.

Royaal Vastgoed heeft voorts weersproken dat [werknemer 1] , zoals deze heeft betoogd, alleen ervaring zou hebben op het gebied van de grondmarkt en dat er voor hem geen mogelijkheden zijn om buiten de branche waarin Royaal Vastgoed werkzaam is aan de slag te gaan. Zij heeft erop gewezen dat [werknemer 1] voordat hij bij haar in dienst trad ongeveer tien jaar in de direct sales heeft gewerkt. [werknemer 1] heeft dit niet betwist.

5.10.

[werknemer 1] en [werknemer 2] hebben gelet hierop vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij in verhouding tot het te beschermen belang van Royaal Vastgoed door (onverkorte) handhaving van de bedingen onbillijk wordt benadeeld, terwijl het belang van Royaal Vastgoed duidelijk is, zoals hiervoor onder 5.7. uiteen is gezet. De kantonrechter zal de gevorderde voorlopige voorziening behoudens het onder 5.4. overwogene toewijzen, met dien verstande dat zij het petitum aldus zal lezen dat het [werknemer 2] en [werknemer 1] tot en met 30 juni 2018 wordt verboden het in hun arbeidsovereenkomsten opgenomen non-concurrentiebeding en relatiebeding te schenden. Gelet op de gevorderde dwangsom ineens van € 25.000,00 per persoon per overtreding, acht de kantonrechter het gevorderde maximum van de per dag te verbeuren dwangsommen buitensporig hoog. Het maximum zal daarom worden bepaald op € 50.000,00; voor het overige zal de kantonrechter de formulering van dit onderdeel van de vordering letterlijk volgen.

5.11.

[werknemer 1] en [werknemer 2] hebben erkend dat zij op 31 mei 2017 reeds percelen grond op het oog hadden om te kopen. Royaal Vastgoed heeft daarom op zichzelf gezien belang bij haar vordering [werknemer 1] en [werknemer 2] te gebieden alle informatie en documenten te verstrekken die betrekking hebben op de percelen grond waarvan zij het voornemen hebben deze aan te schaffen dan wel deze reeds hebben aangeschaft. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering toewijzen, eveneens versterkt met een dwangsom. De kantonrechter zal het maximum van de te verbeuren dwangsommen bepalen op
€ 25.000,00 per persoon.

5.12.

Nu de voorwaarde waaronder de tegenvordering is ingesteld niet is vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke tegenvordering.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer 1] en [werknemer 2] , omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verbiedt bij wijze van voorlopige voorziening [werknemer 1] en [werknemer 2]
tot en met 30 juni 2018 het in artikel 8 van hun arbeidsovereenkomsten opgenomen non-concurrentiebeding en in artikel 9 van hun arbeidsovereenkomsten opgenomen relatiebeding te schenden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per gedaagde per overtreding, alsmede € 2.500,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt indien zij binnen 24 uur na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijven tot een maximum van € 50,000,00 per gedaagde;

6.2.

gebiedt bij wijze van voorlopige voorziening [werknemer 1] en [werknemer 2] aan Royaal Vastgoed binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle informatie en documenten te verstrekken die betrekking hebben op de percelen grond waarvan zij het voornemen hebben (gehad) deze aan te schaffen voor eigen commerciële doeleinden dan wel reeds hebben aangeschaft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,00 per gedaagde indien zij binnen 24 uur na betekening van het vonnis daarmee in gebreke blijven alsmede
€ 1.500,00 voor iedere dag dat zij in gebreke blijven tot een maximum van € 25.000,00 per gedaagde;

6.3.

veroordeelt [werknemer 1] en [werknemer 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Royaal Vastgoed tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 80,42

griffierecht € 117,00

salaris gemachtigde € 600,00 ;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter