Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9943

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16-006789
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen opname DNA-gegevens. Feit (valsheid in geschrift) valt wel onder de uitzonderingen van de Wet DNA, maar concrete aanwijzingen voor recidiverisico voor ander feit leiden toch tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 16-006789

Parketnummer: 15-0934596-16

Uitspraakdatum: 12 december 2016

Beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 10 november 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. T.W. Gijsberts ingediend bezwaarschrift van

[veroordeelde] , veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

domicilie kiezende te (1017 CB) Amsterdam, Herengracht 478,

ten kantore van mr. T.W. Gijsberts, advocaat.

Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel

van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 23 september 2016 op 10 oktober 2016 bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.

Op 28 november 2016 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.

Veroordeelde is niet verschenen, wel mr. T.W. Gijsberts voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. L.F. Ringnalda.

2 Standpunten

Het standpunt van veroordeelde komt er - zakelijk weergegeven - op neer, dat bezwaarde is veroordeeld wegens valsheid in geschrift en oplichting (zij heeft betaalgegevens in de salaris-administratie van haar werkgever gewijzigd, waardoor zij meer salaris uitgekeerd heeft gekregen tot bedrag van € 14.020,48). Veroordeelde doet een beroep op de uitzonderingsgronden, die zijn vermeld in de memorie van toelichting: valsheid in geschrift is een voorbeeld van een misdrijf waarbij DNA onderzoek niet of nauwelijks rol kan spelen. Dat geldt eveneens voor oplichting, onder verwijzing naar jurisprudentie.

Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat er ten aanzien van veroordeelde ook nog andere verdenkingen lopen, namelijk bezit van hennep in het kader van een hennepkwekerij, dat zij eerder dit soort feiten heeft gepleegd (oplichting en verduistering), en dat DNA wel degelijk een rol kan spelen bij dit soort delicten.

3 Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 23 september 2016 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van [veroordeelde] voornoemd op 11 juli 2016 door de politierechter in deze rechtbank ter zake van valsheid in geschrift en oplichting, meermalen gepleegd.

Veroordeelde heeft op 9 november 2016 door afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.

Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig ingediend.

-uitzonderingen-

Ten aanzien van de aard van het misdrijf overweegt de rechtbank dat tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel misdrijven zijn genoemd waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, te weten valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering. Deze delictsomschrijvingen kunnen echter niet categorisch worden uitgesloten, omdat bij deze misdrijven telkens gevallen denkbaar zijn waarin DNA-onderzoek wel van betekenis kan zijn. In deze gevallen dient te worden gekeken naar de aard van het concreet gepleegde delict waarop het bevel tot afname ziet, met de toets of het bepalen en verwerken van een DNA-profiel in dat geval redelijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

De vraag die dus dient te worden beantwoord, is of het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde gelet op de aard van dit concrete in de onderliggende strafzaak gepleegde delicten redelijkerwijs van belang kan zijn voor het voorkomen, opsporen, vervolgen dan wel berechten van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat in dit concrete geval, waarin veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting door het vervalsen van betaalgegevens in de salarisadministratie zodat zij meer salaris uitbetaald kreeg dan waar zij recht op had, DNA-onderzoek in beginsel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de opheldering van dergelijke door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. In een geval als het onderhavige zal in beginsel ook in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek, zodat er sprake is van een door de wetgever bedoelde uitzondering.

-recidivegevaar-

Ondanks dit oordeel dient het DNA-profiel van veroordeelde onder bepaalde in de wetsgeschiedenis genoemde omstandigheden toch te worden bepaald en verwerkt. Zo kunnen er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn of indien de veroordeelde in het verleden ook andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft. Hierbij is van belang of in zijn algemeenheid, bijvoorbeeld op grond van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie of andere bijzondere omstandigheden deze persoon betreffend, sprake kan zijn van een concreet recidivegevaar voor misdrijven waar DNA-onderzoek in de toekomst wel kan bijdragen aan het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten daarvan.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van veroordeelde van 15 november 2016 blijkt onder meer dat veroordeelde wordt verdacht van – kort gezegd – hennepteelt, gepleegd in november 2015.

Anders dan de raadsvrouw ter zitting betoogde, komt een dergelijke afweging niet in strijd met de onschuldpresumptie. Het gaat immers om de toets ten aanzien van het risico op recidive.

Uit het reclasseringsrapport van 28 juni 2016 met betrekking tot veroordeelde blijkt dat zij tot het delictgedrag is gekomen, omdat zijn zeer hoge geldschulden heeft. Daarbij is veroordeelde bij vonnis van de politierechter van 11 juli 2016 veroordeeld een bedrag van

€ 14.020,48 aan de staat te voldoen. De reclassering concludeert dat veroordeelde geen zelfinzicht heeft en sluit, gezien haar forse schulden, recidive niet uit. Op basis van haar justitiële documentatie stelt men dat er is sprake van een (beginnend) delictpatroon.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een concreet recidivegevaar voor misdrijven waar DNA-onderzoek in de toekomst wel kan bijdragen aan het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten daarvan.

De rechtbank zal het bezwaarschrift dan ook ongegrond verklaren.

4 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

5 Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door:

mr. L.J. Saarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.