Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9941

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4747
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omgevingsvergunning voor de aanleg van een fietspad door de Amsterdamse waterleidingduinen is ten onrechte verleend. Bij de aangehaakte verleende verklaring van geen bedenkingen (vvgb), afgegeven in het kader van de uitvoering van de Flora-en faunawet (Ffw), is ten onrechte aangenomen dat het recreatieve doel van het fietspad een dwingende reden van groot openbaar belang is die ontheffing van het bepaalde in artikel 11 van de Ffw rechtvaardigt. Daarnaast is miskend dat het verbod als opgenomen in artikel 9 Ffw is overtreden. Bovendien is voor wat betreft de aangehaakte vvgb, afgegeven in het kader van de uitvoering van de natuurbeschermingswet 1998, bij de rechtbank twijfel over de vraag of de aanleg en het gebruik van het fietspad geen blijvende schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken (Natura 2000) gebied.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet 75d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1294
JM 2017/38 met annotatie van L. Boerema
JNA 2016/71 met annotatie van Boerema
AR 2017/1702
AR 2016/3889
AR 2017/1703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4747

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2016 in de zaak tussen

de Stichting Natuurbelang Amsterdamse Waterleidingduinen, te Heemskerk, eiseres,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder

(gemachtigde: K. Mahi en M. de Vries).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

de provincie Noord-Holland

(gemachtigde: mr. A.T.P. van Mierlo),

de gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

(gemachtigde: mr. H.A. Schoordijk),

de staatssecretaris van Economische Zaken (Rijksdienst ondernemend Nederland),

(gemachtigde mr. J.E.W. Tieleman),

de raad van de gemeente Zandvoort

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder omgevingsvergunning verleend aan de Provincie Noord-Holland voor het aanleggen en in gebruik nemen van een fietspad met bijbehorende voorzieningen, gelegen in de Amsterdamse Waterleidingduinen tussen de Vogelenzangseweg in Vogelenzang en het ecoduct aan de Zandvoortselaan in Zandvoort.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] , voorzitter van de Stichting, bijgestaan door de gemachtigde en drs. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de raad van de gemeente Zandvoort is niemand verschenen. De overige derde-partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens de provincie zijn tevens verschenen ing. [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en dr. [naam 6] . Namens gedeputeerde staten van Noord-Holland zijn tevens verschenen ir. [naam 7] en [naam 8] .

Overwegingen

1.1.

Op 22 januari 2015 heeft de Provincie Noord-Holland een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het project waarvoor een omgevingsvergunning is gevraagd bestaat uit de aanleg van een fietspad met bijbehorende voorzieningen door de rand van de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD), in eigendom en beheer van Waternet, tussen de Vogelenzangseweg in Vogelenzang en de Natuurbrug Zandvoort over de Zandvoortselaan, gemeente Zandvoort. Dit traject maakt deel uit van het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid” en het voormalig beschermd natuurmonument “Duinen bij Vogelenzang”. Het grootste deel van het tracé loopt over een bestaande dienstweg van Waternet. Het fietspad waarvoor de aanvraag is gedaan wordt 1,75 meter breed, ingebed in een cunet van 2,30 meter, en op sommige plaatsen breder (bij bochten en op steile terreindelen).

1.2.

Op 11 augustus 2015 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (Rijksdienst) in het kader van de uitvoering van de Flora- en Faunawet (Ffw) namens de staatsecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) afgegeven.

1.3.

Op 18 augustus 2015 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland in het kader van de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) een vvgb afgegeven.

1.4.

Naast het voorgaande hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland op 2 maart 2015 een advies in het kader van de Provinciale milieuverordening Noord-Holland gegeven. De raad van de gemeente Zandvoort heeft op 22 september 2015 een vvgb afgegeven.

1.5.

Bij bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op de volgende activiteiten als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

a. het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a:

b. het uitvoeren van werkzaamheden in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo (aanlegvergunning); en

c. het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

De handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend zijn tevens aan te merken als:

d. het uitvoeren van handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 van de Ffw gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan de minister (staatssecretaris) op grond van artikel 75, derde lid, Ffw bevoegd is ontheffing te verlenen;

e. het uitvoeren van handelingen die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, Nbw 1998 geldt; en

f. het verrichten van werkzaamheden in een grondwaterbeschermingsgebied.

2. Het beroep van eiseres is gericht tegen alle vergunde activiteiten en in het bijzonder tegen de in het kader van de Ffw en Nbw 1998 afgegeven vvgb’s. Deze vvgb’s maken op grond van het bepaalde in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, deel uit van de verleende omgevingsvergunning en liggen daarom naast de vergunde activiteiten ter beoordeling voor.

3. Ingevolge artikel 75d, eerste lid, van de Ffw wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, niet verleend dan nadat de staatssecretaris heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo. Met betrekking tot de door de Rijksdienst namens de staatssecretaris in het kader hiervan afgegeven vvgb overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Uit artikel 75b in combinatie met artikel 75d van de Ffw volgt dat voor handelingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen, niet wordt verleend dan nadat Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

Op grond van het bepaalde in artikel 75, derde lid, van de Ffw, kan onder meer van de verboden als genoemd in de artikelen 9, 10 en 11 ontheffing worden verleend.

Op grond van het vijfde lid worden vrijstellingen en ontheffingen in beginsel slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Op grond van het zesde lid worden, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

a. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

b. teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of,

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

In artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (het Besluit) zijn dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, aangewezen als één van de andere belangen, als genoemd in artikel 75, zesde lid, aanhef en onder c, van de Ffw.

3.2.

Vast staat dat de aanleg en het gebruik van het fietspad een verboden handeling als genoemd in artikel 11 van de Ffw oplevert met betrekking tot de ter plaatse aanwezige zandhagedissen. Om die reden heeft de Rijksdienst de onder 1.2 genoemde vvgb afgegeven. De Rijksdienst heeft hierbij - kort samengevat - overwogen dat de zandhagedis een beschermde diersoort is als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, dat uit onderzoek is gebleken dat de gunstige staat van instandhouding van de zandhagedis door het fietspad niet in gevaar komt, dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is en dat er een dwingende redenen zijn van groot openbaar belang om ontheffing te verlenen van het verbod als genoemd in artikel 11 Ffw.

3.3.

Eisers heeft zich gemotiveerd tegen deze verleende vvgb gekeerd. Zo stelt eiseres zich - kort samengevat- onder verwijzing naar onderzoek van de door haar ingeschakelde deskundigen op het standpunt dat de gunstige staat van instandhouding wel degelijk gevaar zal lopen door het fietspad, dat er alternatieven zijn voor de aanleg van het fietspad en dat er geen dwingende redenen zijn van groot openbaar belang om ontheffing te verlenen van het verbod als opgenomen in artikel 11 van de Ffw.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat op grond van het hiervoor onder 3.1 weergegeven kader in dit geval slechts ontheffing van het in artikel 11 van de Ffw neergelegde verbod kan worden verleend indien is voldaan aan de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort én aan de (aanvullende) voorwaarde dat geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 75 van de Ffw en in het Besluit nader aangeduide belangen. Daargelaten de vraag of het fietspad afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de zandhagedis, is de rechtbank van oordeel dat aan laatstgenoemde voorwaarde niet is voldaan, nu zich in dit geval geen dwingende redenen van openbaar belang als bedoeld in het Besluit voordoen. De opgevoerde reden voor de aanleg van het fietspad - kort gezegd: het stimuleren van de bereikbaarheid van de kust door middel van een veilig en recreatief aantrekkelijke fietsverbinding tussen de Haarlemmermeer en Zandvoort - betreft een reden die louter recreatief van aard is. Een dergelijke reden van recreatieve aard acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om aangemerkt te kunnen worden als dwingende reden van groot openbaar belang. Voor een dergelijk standpunt van verweerder zijn in de rechtspraak tot op heden ook geen aanknopingspunten te vinden. Verweerder heeft voorts gesteld dat het bestaande fietspad aan de Vogelenzangseweg, dat als alternatief gebruikt kan worden, te druk en daardoor onveilig is, maar verweerder heeft deze stelling niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat het bestaande fietspad mogelijk onveilig is, betekent bovendien op zichzelf genomen nog niet dat sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang die maken dat juist het onderhavige fietspad zou moeten worden gerealiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Rijksdienst in redelijkheid niet om die reden tot ontheffing van het verbod in artikel 11 van de Ffw door afgifte van een vvgb heeft kunnen besluiten. Verweerder kon deze vvgb dan ook niet aan het bestreden besluit tot verlening van een omgevingsvergunning ten grondslag leggen.

3.5.

Eiseres heeft verder gemotiveerd gesteld en de deskundige van verweerder heeft ter zitting ook erkend, dat niet uit te sluiten valt dat er op het fietspad zandhagedissen zullen worden aangereden en gedood. Uit de uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1227) volgt dat met elke doding van een dier dat, zoals de zandhagedis, daargelaten of die doding voorzienbaar dan wel incidenteel is, het verbod van artikel 9 wordt overtreden. Ingebruikname van het fietspad zal dus leiden tot overtreding van het bepaalde in artikel 9 van de Ffw. Hiervoor is geen ontheffing of vvgb verleend, terwijl blijkens de tekst van de vvgb wel is uitgegaan van een aanvraag die ziet op werkzaamheden die bestaan uit de aanleg en ingebruikname van een fietspad. De Staatssecretaris had om die reden moeten beoordelen of voor de overtreding van het verbod van artikel 9 van de Ffw een ontheffing mogelijk was. Nu dat niet is geschied, heeft de omgevingsvergunning mede betrekking op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Ffw waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is verleend. Verweerder kon derhalve niet de omgevingsvergunning verlenen zonder dat met betrekking tot het in artikel 9 van de Ffw neergelegde verbod een verklaring van vvgb was gevraagd en verleend. Ook om deze reden had verweerder de omgevingsvergunning voor het fietspad niet mogen verlenen.

3.6.

Het bestreden besluit kan daarom vanwege strijd met het bepaalde in de artikelen 9, 11 van de Ffw geen stand kan houden.

4. Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 47 eerste lid, van de Nbw 1998 wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo. Met betrekking tot de door gedeputeerde staten in het kader van de uitvoering van de Nbw 1998 afgegeven vvgb overweegt de rechtbank als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning van het college van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge het tweede lid kunnen gedeputeerde staten in afwijking van het eerste lid bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.

Ingevolge het derde lid kunnen gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen:

a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of

b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang.

4.2.

Het Natura 2000-gebied is bij beschikking van 7 december 2004 van de Europese Commissie geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

4.3.

Het Natura-2000 gebied Kennemerland-Zuid, waarvan de Amsterdamse Waterleidingduinen onderdeel uitmaken, is door de staatssecretaris van economische zaken aangewezen als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998 vanwege meerdere instandhoudingsdoelen.

4.4.

Ter plaatse van het tracé van het fietspad komen in ieder geval de volgende habitattypen en instandhoudingsdoelen voor:

- H2130A, Grijze duinen kalkrijk - uitbreiden van het areaal en verbetering;

- H2130B, Grijze duinen kalkarm - behoud van het areaal en verbeteren van de kwaliteit;

- H2160, Duindoornstruwelen - behoud van areaal en kwaliteit;

- H2180A, Droog duinbos - behoud van areaal en kwaliteit;

- H1014, Nauwe korfslak - behoud van oppervlakte en kwaliteit gebied en behoud van huidige populatieomvang;

- H1318, Meervleermuis - behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied en behoud

van de huidige populatieomvang.

4.5.

Beide typen Grijze duinen zijn door de Europese Commissie aangemerkt als ‘prioritair habitattype’.

4.6.

Verweerder heeft door [naam 9] een passende beoordeling laten uitvoeren als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998. [naam 9] heeft in het rapport van 21 januari 2015, waarin de passende beoordeling is beschreven, geconcludeerd dat de aanleg en het gebruik van het fietspad geen significante effecten heeft voor de instandhoudingsdoelen van de in 4.4 genoemde habitattypen. [naam 9] heeft zich bij het opstellen van deze passende beoordeling mede gebaseerd op herhaalde veldbezoeken en adviezen van het Ecologisch Adviesbureau

[naam 8] , kenniscentrum [naam 10] en Stichting [naam 11] . In beroep heeft [naam 8] zijn stellingen nog aanvullend gemotiveerd, gereageerd op de stellingen van eiseres en de conclusie dat geen sprake is van significante effecten van de aanleg en het gebruik van het fietspad gehandhaafd.

4.7.

Volgens eiseres gaat veel meer van de in 4.4 genoemde habitattypen verloren dan verweerder heeft aangenomen en is wel sprake van significante negatieve effecten.

Eiseres heeft ter ondersteuning van haar stelling op dit punt gewezen op de door [naam 13] Ecologie opgestelde notitie “oppervlaktebepaling habitattype grijs duin” van 19 oktober 2015 die daarin tot deze conclusie komt, mede omdat verweerder niet van de juiste kartering zou zijn uitgegaan, en, omdat verweerder bij de berekening van de oppervlakte aan grijs duin dat door het fietspad verloren gaat niet de gehele oppervlakte van het cunet ter plaatse waar Grijs duin verloren gaat heeft meegeteld, terwijl het cunet na begroeiing, anders dan verweerder stelt, niet meer kwalificeert als Grijs duin. Eiseres heeft voorts ecologisch onderzoek laten verrichten door drs. [naam 12] , van [naam 12] Ecologisch Onderzoek. Deze onderschrijft in de brief van 5 augustus 2016, en de aanvulling daarop van 5 september 2016, de stelling van [naam 13] over het cunet, ook voor wat betreft de ontwikkeling van droog Duinbos. Daarnaast stelt [naam 12] dat [naam 8] de verschillende Habitattypen niet juist in kaart heeft gebracht. Met betrekking tot het habitat voor de Nauwe korfslak is verweerder er ten onrechte van uitgegaan dat een kleine populatie die niet levensvatbaar is verloren zal gaan, en dat er verder geen significante gevolgen zijn van het fietspad op instandhoudingsdoeleinden van de korfslak. Daarnaast heeft eiseres, onder verwijzing naar het rapport van drs. [naam 2] Ecologisch Adviesbureau van 2 mei 2016 en 9 september 2016, betoogd dat de aanleg en ingebruikname van het fietspad ook significante gevolgen heeft voor de zandhagedis, terwijl verweerder dit niet heeft onderzocht.

4.8.

Uit het arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 mei 2014, in de zaak C-521/12, Sweetman (ECLI:EU:C:2013:220), volgt dat slechts toestemming kan worden verleend voor een plan of project in de zin van artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn als, na alle aspecten van het plan of project te hebben geïdentificeerd die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen en rekening houdend met de beste wetenschappelijke kennis ter zake, de zekerheid is verkregen dat het plan of project geen blijvende schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat over het feit dat dergelijke gevolgen ontbreken (zie in die zin het arrest van 24 november 2011, C-404/09, ECLI:EU:C:2011:768, Commissie/Spanje, punt 99, en arrest Solvay e.a., C-182/10, ECLI:EU:C:2012:82, punt 67; www.curia.eu).

4.9.

De rechtbank stelt vast dat eiseres de door deskundigen ondersteunde conclusie van gedeputeerde staten dat de aanleg en het gebruik van het fietspad geen significante effecten heeft voor de instandhoudingsdoelen van de in 4.4 genoemde habitattypen, gemotiveerd en ondersteund door andere deskundigen, heeft bestreden. Er is bij de rechtbank gerede twijfel ontstaan over de vraag of de aanleg en het gebruik van het fietspad geen blijvende schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Het bestreden besluit kan daarom vanwege strijd met het bepaalde in artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 geen stand houden. De rechtbank acht inschakeling van de Stab om meer zekerheid te verkrijgen echter thans niet aangewezen, omdat de verleende vergunning, zoals hiervoor is overwogen, reeds gelet op de Ffw geen stand kan houden.

5. Het beroep is gegrond. Nu - gelet op de vastgestelde strijd met de Ffw - de omgevingsvergunning in de huidige vorm niet in stand kan blijven, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit vernietigen. Het is aan verweerder om zich te beraden over het vervolg. De overige beroepsgronden zullen onbesproken blijven.

6. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

6.1.

De proceskosten voor zover bestaande uit de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 992,00. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het forfaitaire tarief.

6.2.

De kosten gemaakt voor werkzaamheden door [naam 14] B.V. en de kosten gemaakt door [naam 15] komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten, blijkens de datum waarop die kosten zijn gemaakt, zijn gemaakt met het oog op de zienswijzefase en niet met het oog op de behandeling van het beroep door de rechtbank.

6.3.

De inschakeling van de deskundigen [naam 13] , [naam 2] en [naam 12] acht de rechtbank redelijk. Eiseres mocht ervan uitgaan dat zij een relevante bijdrage zouden kunnen leveren aan de beoordeling van het onderhavige beroep. De door hen gemaakte kosten komen derhalve in beginsel voor vergoeding in aanmerking, mits deze kosten redelijk zijn.

6.4.

De kosten voor de door eiseres ingeschakelde deskundige [naam 13] ter hoogte van

€ 1.022,45 (13 uur tegen een uurtarief van € 65,00 en BTW) komen de rechtbank niet onredelijk voor en komen daarom in aanmerking om als proceskosten te worden vergoed.

6.5.

De kosten voor de door eiseres ingeschakelde deskundige [naam 2] acht de rechtbank

- voor zover het directe uren betreft - redelijk en deze komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank bepaalt dit aantal uren op 21 uur van de in totaal 27 gespecificeerde uren (6 uur veldwerk en reistijd en 3 uur voor het opstellen van een rapport op 18 april 2016, 2 uur voor het opstellen van een reactie op het verweerschrift, 3 uur voor het opstellen van een rapport gunstige staat en 7 uur voor de rechtszaak). De overige (indirecte) uren die zijn aangegeven voor jurisprudentie en/of literatuuronderzoek en communicatie (6 uur in totaal) komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten acht de rechtbank niet redelijk. Eiseres heeft voor [naam 2] een bedrag aan kosten gesteld van € 1.323,90 (€ 713,90, vermeerderd met geschatte kosten ter hoogte van € 110,00 en € 500,00). Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk dat 21/27 van de voor inschakeling van [naam 2] geclaimde kosten als proceskosten door verweerder aan eiseres worden vergoed. Dat komt neer op een bedrag van € 1.029,70.

6.6.

De kosten voor de door eisers ingeschakelde deskundige [naam 12] acht de rechtbank eveneens - voor zover het de directe uren betreft - redelijk. Dit zijn andere uren dan de uren voor reistijd, inlezen, voorbereiding, inventarisatie, analyse, mailcontact, aangepast cv opsturen en degelijke. Uitgaande van 4 uur bezoek Amsterdamse waterleidingduinen op 19 mei 2016 en 4 uur op 7 juli 2016, 8,5 uur voor het maken van de rapportage op die dag, 2 uur voor het definitief maken van de rapportage op 5 augustus 2016, 4 uur voor het eerste verweer [naam 8] op 1 september 2016 en 4 uur op 2 september 2016, 4 uur voor het tweede verweer van [naam 8] en 6 uur op 4 september 2016 voor de invoer en interpretatie Associa en 2 uur voor aanvullingen, gaat het dan in totaal om 38,5 uur van de in totaal 98 opgevoerde uren die redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komen. Uitgaande van een uurtarief van € 54,45 (€ 45,- inclusief 21% btw) en 38,5 in aanmerking te nemen uren komt dit neer op een bedrag van € 2.096,33 dat voor vergoeding in aanmerking komt.

6.7.

De rechtbank bepaalt dat verweerder wordt veroordeeld tot een bedrag aan proceskosten van in totaal € 5.140,48 (€ 992,- + € 1.022,45 + € 1.029,70 + € 2.096,33).

7. De rechtbank bepaalt tot slot dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiseres, begroot op

  • -

    € 5.140,48;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. van Velsen, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en

mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.