Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9783

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/15/248822 / KG ZA 16-738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Terecht inroepen van het retentierecht tegen derde als bedoeld in artikel 3:291 lid 2 BW na faillissement werkgever. Vordering tot afgifte van de derde (leasemaatschappij) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/752
NJF 2017/137
RI 2017/54
JOR 2017/51 met annotatie van mr. F.B. Bosvelt
NTHR 2017, afl. 2, p. 95
INS-Updates.nl 2017-0054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/248822 / KG ZA 16-738

Vonnis in kort geding van 8 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN MOSSEL LEASING B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

eiseres,

advocaat mr. F.F.A. Smetsers te Breda,

tegen

1 [chauffeur 1] ,

[woonplaats] ,

2. [chauffeur 2],

[woonplaats] ,

3. [chauffeur 3],

[woonplaats] ,

4. [chauffeur 4],

[woonplaats] ,

5. [chauffeur 5],

[woonplaats] ,

6. [chauffeur 6] ,

[woonplaats] ,

7. [chauffeur 7] ,

[woonplaats] ,

8. [chauffeur 8] ,

[woonplaats] ,

9. [chauffeur 9] ,

[woonplaats] ,

10. [chauffeur 10] ,

[woonplaats] ,

11. [chauffeur 11] ,

[woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Mastenbroek te Groningen.

Partijen zullen hierna Van Mossel en de chauffeurs genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 oktober 2016 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2016 en alwaar verschenen zijn: de heer [x] , directeur van Van Mossel, bijgestaan door

mr. Smetsers voornoemd, en de chauffeurs genoemd onder 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10,

bijgestaan door mr. Mastenbroek voornoemd. Tevens was mevrouw M.G. Jansma van FNV aanwezig;

  • -

    de pleitnota van Van Mossel;

  • -

    de pleitnota van [de chauffeurs] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

Van Mossel leasete diverse bedrijfswagens aan Klomp Groepsvervoer B.V. (hierna: Klomp) op basis van operational lease. Van Mossel en Klomp hebben daartoe op 12 januari 2010 een Mantelovereenkomst Operationele Leasing gesloten. De wagens werden ingezet voor taxi-vervoer. Zij zijn daartoe ter beschikking gesteld aan chauffeurs die bij Klomp in dienst waren.

2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2016 is Klomp in staat van faillissement verklaard.

2.3.

Op 28 april 2016 heeft Van Mossel met Willemsen- de Koning Groep B.V. (hierna: WdK) een Mantelovereenkomst Operationele Leasing gesloten.

2.4.

Artikel 18.1 van de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de Mantelovereenkomst Operationele Leasing tussen Van Mossel en Klomp luidt als volgt: “Bij beëindiging van het contract zal Cliënt de Auto in goede staat inleveren bij Lessor of op een andere overeengekomen plaats.”.

2.5.

Van Mossel heeft de curator in het faillissement van Klomp alsmede de chauffeurs verzocht tot afgifte van de bedrijfswagens. De chauffeurs weigeren deze afgifte.

Zij beroepen zich jegens Van Mossel op een retentierecht in verband met door hen gestelde loonvorderingen op Klomp.

3 Het geschil

3.1.

Van Mossel vordert – samengevat:

- De chauffeurs te veroordelen tot afgifte van de door hen gehouden bedrijfswagens en bijbehorende sleutels aan Van Mossel binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag en

- de chauffeurs te verbieden gebruik te (doen) maken van de door hen gehouden bedrijfswagens, deze elders te plaatsen dan op de openbare weg en kosten te (doen) maken voor apk-keuring, regulier onderhoud of regulier herstel daarvan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding.

3.2.

De chauffeurs voeren verweer. Zij voeren kort gezegd aan dat zij hun verplichting tot afgifte van de bedrijfswagens kunnen opschorten op grond van artikel 3:291

lid 2 BW.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter onderbouwing van haar vordering voert Van Mossel onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 5 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1213) aan dat artikel 3:291 lid 2 BW geen grondslag biedt voor de chauffeurs om de bedrijfswagens onder zich te houden. Ingevolge genoemd arrest moet er sprake zijn van voldoende verband tussen de vordering van de chauffeurs enerzijds en de bedrijfswagens, zijnde de roerende zaak waarop een retentierecht wordt uitgeoefend, anderzijds. Alleen ten aanzien van de roerende zaak waarop een vordering betrekking heeft of waaruit de vordering voortvloeit kan jegens een ouder gerechtigde op de roerende zaak (Van Mossel in dit geval) een retentierecht worden ingeroepen. Nu de inroeping van het retentierecht door de chauffeurs strekt tot verhaal van loon en niet van kosten die de chauffeurs ten aanzien van de bedrijfswagens hebben gemaakt, is het beroep op een retentierecht ten onrechte.

De arbeidsovereenkomsten van de chauffeurs hebben ook niet specifiek betrekking op de bedrijfswagens, zodat de vereiste connexiteit ontbreekt.

4.2.

Voor zover geoordeeld wordt dat er toch een grond aanwezig is voor het inroepen van het retentierecht, voert Van Mossel aan dat dit recht ingevolge artikel 3:294 juncto 3:111 BW is komen te vervallen. Vanwege het faillissement van Klomp zijn zowel de leaseovereenkomst als de arbeidsovereenkomsten van de chauffeurs met Klomp geëindigd. Daarna zijn de chauffeurs in dienst getreden bij WdK.

WdK heeft een deel van de vervoersactiviteiten van Klomp voortgezet en is ten behoeve daarvan op 28 april 2016 met Van Mossel een leaseovereenkomst aangegaan. De chauffeurs hebben de bedrijfswagens vervolgens ten behoeve van de ondernemingsactiviteiten van WdK gebruikt, zonder deze eerst bij Van Mossel in te leveren. Vanaf het moment van de totstandkoming van hun arbeidsovereenkomsten met WdK zijn de chauffeurs de bedrijfswagens gaan houden voor WdK en hielden zij niet langer voor Klomp. Eerst op 2 juni 2016 hebben de chauffeurs het retentierecht ingeroepen. Dit zonder Van Mossel daaraan voorafgaand op de hoogte te brengen, hetgeen op grond van een arrest van de Hoge Raad van 17 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM6088) wel van hen had mogen worden verlangd. Ook de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt derhalve mee dat de chauffeurs geen beroep (meer) toekomt op het ingeroepen retentierecht, aldus Van Mossel. Tenslotte voert Van Mossel aan dat de vorderingen in verband waarmee het retentierecht wordt ingeroepen onvoldoende aannemelijk zijn.

4.3.

De chauffeurs voeren aan dat de volgens genoemd arrest uit 2004 vereiste samenhang in voldoende mate aanwezig is. De chauffeurs hadden steeds één bedrijfswagen onder zich die zij gebruikten om hun werkzaamheden uit te voeren uit hoofde van de tussen hen en Klomp bestaande arbeidsovereenkomst. Uit hoofde van diezelfde overeenkomst hebben zij een (loon)vordering op Klomp.

Deze vorderingen zijn voldoende aannemelijk nu de chauffeurs ingevolge het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2016 (productie 6 bij conclusie van antwoord) recht hadden op betaling van alle gewerkte uren en niet slechts op betaling van de uren gemoeid met het daadwerkelijke vervoer van personen. Nu Klomp hen niet de uren heeft uitbetaald waarop zij recht hebben, is het voor Van Mossel derhalve duidelijk welke vorderingen de chauffeurs hebben. Dat deze vorderingen uiteindelijk nog verder onderbouwd moeten worden en mogelijk in rechte vast moeten komen te staan, doet daar niet aan af.

De chauffeurs betwisten dat het retentierecht teniet is gegaan door het sluiten van een lease-overeenkomst door Van Mossel met WdK. Zij waren hiervan niet op de hoogte en zijn de bedrijfswagens daarom ook ooit voor WdK gaan houden.

Het retentierecht kan niet worden doorkruist door een daad van een derde buiten de retentor om. Daarnaast geldt dat de chauffeurs het retentierecht reeds op 21 april 2016 hebben ingeroepen en dit sedertdien steeds uitdrukkelijk zijn blijven doen.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat er sprake is van een overeenkomst met betrekking tot de bedrijfswagens, zijnde de arbeidsovereenkomst tussen Klomp en de chauffeurs op grond waarvan de bedrijfswagens met het oog op de vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking zijn gesteld. Niet betwist is dat Klomp bevoegd was om deze overeenkomsten aan te gaan.

De achterliggende leaseovereenkomsten met Van Mossel strekten er toe om de uitoefening van het bedrijf van Klomp te faciliteren. Het vervoer betrof de essentie van het bedrijf, zodat de overeenkomsten met Van Mossel voor de bedrijfsvoering onontbeerlijk waren. Niet in geschil is dat Van Mossel intensief betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering van Klomp, dat zij wist dat het bedrijf niet lekker draaide en Klomp ter wille is geweest om de bedrijfsvoering in stand te houden. Van Mossel mag dan ook geacht worden ermee bekend te zijn geweest dat de bedrijfswagens door werknemers van Klomp werden gebruikt. Onder deze omstandigheden is er voldoende samenhang tussen de bedrijfswagens en de vermeende vorderingen van de chauffeurs. Er is immers sprake van een rechtstreeks verband tussen de bedrijfswagen waarin door een individuele chauffeur wordt gereden en de opschorting van de verplichting om deze terug te geven die voortvloeit uit de met deze chauffeur gesloten arbeidsovereenkomst.

Noch artikel 6:52 BW noch de aangehaalde jurisprudentie vereist een verband als door Van Mossel gesteld.

4.5.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het retentierecht teniet is gegaan. Gelet op de brieven van mr. Mastenbroek aan mr. Karskens en mr. Klomp van 21 april 2016 en aan Van Mossel van 22 april 2016 (productie 7 en 8 bij conclusie van antwoord) trad mr. Mastenbroek op voor het collectief van chauffeurs werkzaam voor Klomp en heeft hij bij genoemde brief van 21 april 2016 het retentierecht ingeroepen ten aanzien van alle geleasede bedrijfswagens. Dit moet Van Mossel derhalve al in april 2016 duidelijk zijn geweest. Vanaf dat moment hebben de chauffeurs het retentierecht kenbaar uitgeoefend en voortdurend de feitelijke macht over de bedrijfswagens uitgeoefend. Er is derhalve geen sprake van verval van het retentierecht.

4.6.

Het arrangement met WdK op grond waarvan de chauffeurs voor WdK werkzaam waren, staat niet in de weg aan de voortduring van het retentierecht.

De chauffeurs waren niet bij de regeling betrokken en mogen niet bekend worden verondersteld met de mogelijke effecten daarvan. Uit het oogpunt van bescherming van de rechten van werknemers is het onder die omstandigheden maatschappelijk gezien niet aanvaardbaar dat verval van het retentierecht als rechtsgevolg aan het arrangement met WdK zou worden verbonden.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van de chauffeurs voorshands voldoende aannemelijk zijn. De exacte hoogte van de vorderingen zal later moeten blijken. Voorshands is het ook waarschijnlijk dat verhaalsmogelijkheden voor de chauffeurs in het faillissement van Klomp ontbreken.

4.8.

Op grond van het voorgaande moet een afweging van de betrokken belangen van beide partijen resulteren in het oordeel dat het uit een oogpunt van bescherming van werknemersbelangen niet aanvaardbaar is dat de chauffeurs zonder aanvullende maatregelen ter bescherming van hun verhaalsmogelijkheid te verplichten om de bedrijfswagens af te geven. Zoals de chauffeurs hebben betoogd, zijn zij hun rechten dan definitief kwijt. Daarbij wordt mede van betekenis geacht dat Van Mossel zelf had kunnen voorkomen -en nog steeds kan voorkomen- dat de uitoefening van het retentierecht bij haar tot grote schade leidt.

Zij kan immers tegenover de afgifte van de bedrijfswagens adequate zekerheid stellen, zoals bedoeld in artikel 6:55 BW. In dat geval komt de bevoegdheid tot opschorting van de chauffeurs te vervallen.

De chauffeurs zullen worden verplicht tot afgifte van de bedrijfswagens indien genoemde zekerheid wordt gesteld door een bedrag in notarieel of tussen de advocaten overeengekomen depot te storten of een bankgarantie te stellen.

De voorzieningenrechter begroot de zekerheid voor de chauffeurs gezamenlijk op € 35.000 (inclusief kosten).

4.9.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de chauffeurs de bedrijfswagens thans in gebruik hebben, nog op de openbare weg hebben geplaatst of voornemens zijn om ten behoeve van de bedrijfswagens kosten te (doen) maken, zullen de vorderingen van Van Mossel op de overige punten eveneens worden afgewezen.

4.10.

Van Mossel zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, zijnde € 288,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris van de advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de chauffeurs om binnen 48 uur nadat Van Mossel zekerheid heeft gesteld voor een bedrag van € 35.000,- in de vorm als hiervoor sub 4.8. omschreven en schriftelijk aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de bedrijfswagens de bedrijfswagens en bijbehorende sleutels aan Van Mossel ter vrije beschikking te stellen;

5.2.

veroordeelt Van Mossel in de kosten van dit geding, aan de zijde van de chauffeurs begroot op € 288,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris van de advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

weigert de meer of anders gevraagde voorziening.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Kliffen op 8 november 2016.1

1 LK/AS