Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9713

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2097
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een natuurpark en een natuurbegraafplaats. De door eiser aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/2097

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

- de besloten vennootschap Uitvaartcentrum Dunweg B.V., te Hoofddorp;

- de gemeente Alkmaarte Alkmaar

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Uitvaartcentrum Dunweg B.V. (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een natuurpark en natuurbegraafplaats Geestmerloo nabij de Nauertogt te Koedijk, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, [nummer] (hierna: het perceel).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. De rechtbank heeft deze zaak gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder zaaknummers HAA 16/162 en HAA 16/176. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van B. Wedding, J.M. Tjon Jaw Chong en A.M. Rodenbach. Vergunninghouder is vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verder is [naam 5] , secretaris van het Recreatieschap Geestmerambacht, verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van gronden ten behoeve van de realisering van een natuurpark en een natuurbegraafplaats op het perceel. De omgevingsvergunning ziet niet op de eventuele toekomstige bebouwing op het perceel. Het perceel is in het bestemmingsplan “Uitbreiding Recreatiegebied Geestmerambacht” bestemd als “Recreatie – Dagrecreatie”. De natuurbegraafplaats is in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel is thans in gebruik als grasland. De omvang van het gehele perceel bedraagt 24 hectare, waarvan elf hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats.

1.2.

De raad van de gemeente Alkmaar heeft op 16 december 2014 te kennen gegeven tot afgifte van de benodigde ontwerp-verklaring van geen bedenkingen te zullen overgaan, mits de eerste 100 meter van de bebouwing tot het gebied van het natuurbegraven open polderlandschap is, kruidenrijk grasland, met uitzondering van de bestaande bomen, tenzij het nog plaatsvindende bewonersoverleg andere inzichten oplevert. Op 2 en 4 februari 2015 zijn informatiebijeenkomsten voor bewoners van de aangrenzende wijken Daalmeer en Koedijk georganiseerd. Deze bijeenkomsten hebben niet geresulteerd in andere inzichten. De raad van de gemeente Alkmaar heeft op 12 november 2015 de verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

1.3.

Eiser is eigenaar van de naastgelegen grond aan de [adres] in [plaats] en exploiteert op deze gronden een agrarisch bedrijf. Hij teelt diverse koolsoorten.

Ontvankelijkheid

2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het beroep van eiser tijdig is ingediend.

2.1.

Het bestreden besluit dateert van 26 november 2015. Eiser heeft op 25 april 2016 beroep ingesteld, derhalve buiten de beroepstermijn van zes weken. Eiser stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat hij eerst onlangs kennis heeft genomen van het definitieve besluit. Hij geeft aan dat van een mededeling als bedoeld in artikel 3:44, eerste lid, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen sprake is geweest terwijl hij wel een zienswijze heeft ingediend.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat het dossier een zienswijze van eiser bevat van 5 juli 2015. In het dossier zit eveneens een ontvangstbevestiging van verweerder van 17 juli 2015. Daarin bevestigt verweerder de ontvangst van de brief van eiser die zij hebben ontvangen op 17 juli 2015. Nu in de aanhef van deze brief staat dat het gaat om “uw brief d.d. 5 juli 2015” gaat de rechtbank er vanuit dat eiser een zienswijze heeft ingediend en dat deze ook is ontvangen door verweerder. Verweerder heeft het bestreden besluit niet aan eiser toegezonden of op andere wijze daarvan mededeling aan hem gedaan.

2.3.

In artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, geschiedt door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

2.4.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat gemachtigde van eiser op

19 april 2016 telefonisch heeft geïnformeerd naar de stand van zaken over het onderhavige plan. Eisers gemachtigde was op dat moment nog niet op de hoogte van het bestreden besluit. Omdat verweerder ten aanzien van eiser geen uitvoering heeft gegeven aan de in artikel 3:44 van de Awb opgenomen verplichting tot het doen van de mededeling van het genomen besluit en eiser binnen twee weken nadat hij van het besluit op de hoogte is geraakt alsnog beroep heeft ingesteld, is de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar.

2.5.

Het standpunt van verweerder dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is omdat eiser en anderen door de publicatie op de hoogte konden zijn van het bestreden besluit deelt de rechtbank niet. Eiser mocht er immers gerechtvaardigd op vertrouwen dat een exemplaar van het besluit aan hem zou worden toegezonden. Hij hoefde geen rekening te houden met de mogelijkheid dat dit niet zou gebeuren. Het beroep is ontvankelijk.

Beroepsgronden

Verontreiniging oppervlaktewater en verhoging grondwaterstand

3.1.

Eiser kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning. Volgens eiser ontstaat door de aanleg van de natuurbegraafplaats het gevaar dat het oppervlakte- en grondwater wordt verontreinigd door lijkvocht. Door het afgraven van de grond, die wordt gebruikt voor de aanleg van de grafheuvel, kan vanwege de capillaire werking van de kleigrond de grondwaterstand hoger worden. Dit kan betekenen dat de lijken in het grondwater terecht zullen komen. Het water is dan niet meer geschikt voor het beregenen van zijn gewassen en dit heeft grote gevolgen voor eisers bedrijf.

3.2.

Verweerder stelt voorop dat voor natuurbegraven onverkort de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging gelden. Hier staat onder meer op welke wijze en hoe diep er begraven moet worden. Verweerder wijst op het wateradvies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit advies integraal op pagina 35 van de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. In dit advies staat dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de locatie niet geschikt of geschikt te maken is voor natuurbegraven. De aanleg van de graven heeft geen gevolgen voor de grondwaterstand en er is ook geen sprake van een grondwaterstroming. De direct aangrenzende waterlopen rondom het terrein hebben allemaal hetzelfde waterpeil van NAP -2,70 meter. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat water dat rondom de begraafplaats ligt en wordt aangelegd richting het oosten en noorden afvoert. Het water komt vanaf het Noordhollands kanaal en stroomt eerst langs eisers perceel en dan richting de begraafplaats. Zowel bij de aan- en afvoer van water ligt het watersysteemtechnisch niet in de lijn der verwachting dat water vanaf de begraafplaats langs het perceel van eiser zal stromen. Het natuurbegraven heeft geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Van een belemmering voor het gebruik hiervan ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering is volgens verweerder geen sprake.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat de bescherming tegen verontreiniging door begraven lijken is geregeld in de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging. Deze regelgeving is ook bij een natuurbegraafplaats onverkort van toepassing. Uit het rapport ‘Terug naar de natuur’ van Alterra (Alterra-rapport 1789, ISSN 1566-7197), dat onderdeel is van de ruimtelijke onderbouwing, blijkt onder meer dat bij begraven in de natuur geen (significante) effecten op de kwaliteit van het grondwater worden verwacht als de regels uit de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging in acht worden genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft zich dan ook mogen baseren op dit rapport. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het rapport van Alterra niet bruikbaar is omdat dit een eenzijdig rapport is. Het stond eiser vrij om een tegenrapport op te laten maken door een deskundige als hij van mening is dat de rapporten waarop verweerder zich heeft gebaseerd niet juist zijn. Dit heeft hij niet gedaan. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Ontbreken draagvlak

4.1

Eiser voert aan dat voor de aanleg van een begraafplaats een eenduidig en objectief breed draagvlak ontbreekt. Hij vraagt zich af of vanuit de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard ook mandaat is gegeven voor dit project.

4.2.

Verweerder is van mening dat een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. De informatieavonden waren in hoofdzaak bedoeld voor informatieverstrekking, maar dat neemt niet weg dat omwonenden in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken. Verweerder ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Een objectieve en onafhankelijke draagvlakmeting is niet vereist. Verweerder wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1811).

4.3.

In het bestreden besluit staat vermeld dat vergunninghouder in de periode van oktober 2013 tot en met februari 2014 vijf inloopavonden heeft georganiseerd om omwonenden te informeren over het plan. Er zijn huis-aan-huis flyers verspreid om bekendheid te geven aan het plan en de informatieavonden. Op 2 en 4 februari 2015 zijn nog twee inloopavonden georganiseerd onder leiding van onafhankelijke voorzitter. Gelet op deze activiteiten kan niet gezegd worden dat verweerder niet heeft geprobeerd om draagvlak te creëren. De rechtbank stelt vast dat verweerder de procedurele voorschriften die zijn verbonden aan het behandelen van de vergunningaanvraag heeft nageleefd. Een ieder heeft zienswijze naar voren kunnen brengen tegen de ontwerp-vergunning, ook de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard, en verweerder heeft op de zienswijzen gereageerd. De raad heeft beleidsvrijheid bij het al dan niet afgeven van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Uit de vvgb blijkt dat de ingediende zienswijzen voor de raad geen aanleiding zijn om de vvgb te weigeren. Dat de raad een andere keuze heeft gemaakt dan overeenkomt met de wens van een aantal omwonenden, betekent niet dat de raad de vvgb niet had mogen afgeven. De rechtbank wijst in dit verband ook op de door verweerder aangehaalde en onder overweging 4.2. genoemde uitspraak van de Afdeling. Uit de wet volgt niet dat een eenduidig en objectief breed draagvlak is vereist alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook is geen toestemming van de omliggende gemeente vereist. Met de door de raad afgegeven vvgb bestaat voldoende draagvlak voor het plan. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Massabegraafplaats

5.1.

Eiser voert aan dat eerder sprake is van een massabegraafplaats dan van een natuurbegraafplaats, omdat wordt uitgegaan van 500 graven per hectare. Eiser trekt de vergelijking met de Amerikaanse begraafplaats Margraten waar sprake is van ‘slechts’ 313 graven per hectare.

5.2.

De rechtbank overweegt dat in de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging de afstandseisen tussen de graven onderling zijn vastgesteld. Zolang wordt voldaan aan deze regels ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de dichtheid van het aantal graven per hectare te groot is. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Bedrijfsverplaatsing

6.1.

Eiser voert aan dat hij ten tijde van de bestemmingsplanprocedure van het bestemmingsplan “Uitbreiding Recreatiegebied Geestmerambacht” met verweerder in gesprek is geweest over de verplaatsing van zijn bedrijf. De onderhandelingen over de verplaatsing zijn alweer enige tijd geleden gestaakt. Eiser wenst graag duidelijkheid van verweerder over de toekomst van zijn bedrijf.

6.2.

Verweerder geeft aan dat voor de ontwikkeling van het onderhavige plan een bedrijfsverplaatsing niet noodzakelijk is. De rechtbank overweegt dat de mogelijke verplaatsing van het bedrijf van eiser en alles wat hier omheen is gebeurd, in deze procedure niet voorligt. De rechtbank kan zich daarom hierover niet uitspreken.

7. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.